Brieven

Kunst

Grens opzoeken design en beeldende kunst is uitdagend

Brieven

De beschouwing (Waarom de goochelkunst van Studio Drift hypocriet is, 15/9) van Hans den Hartog Jager bevreemdde mij in hoge mate. Al maandenlang probeert hij in zijn rubriek Wereldkunst in vaak uitgesproken artikelen de inclusieve boot niet te missen. Aan de ene kant pleit dat voor hem, maar de andere kant is dat hij die soms rigide blanke Nederlander blijft.

Ik vind dat er weinig kritisch gekeken wordt naar de kwaliteit van veel kunst die besproken wordt, alsof het not done is om te zeggen dat sommige kunstwerken zekere beeldende kwaliteit missen. In de lange beschrijvingen van Den Hartog Jager lijkt het er af en toe op of er meer met een sociologisch oog wordt gekeken dan met een artistiek oog.

Vorige week hanteerde Den Hartog Jager de botte bijl in de richting van Daan Roosegaarde en Studio Drift en dat schoot mij in het verkeerde keelgat. Wat heb ik ermee te maken dat Den Hartog Jager „klaar” is met het werk van genoemde kunstenaars? Of dat het werk hem „pissig” maakt? Het zou wat.

Het lijkt me voor een vooruitstrevend museum, zoals het Stedelijk Museum, juist uitdagend om kunstenaars die zich op de grens van design en beeldende kunst bewegen ruimte te geven voor hun werk. Dat er een zeker populistisch aspect zit aan de beleving van hun werk zij zo, ik kijk er wel doorheen. Den Hartog Jager schrijft dat de afdeling Design van het Stedelijk de kunstenaars van Drift en Roosegaarde binnenhaalt en dat is dan toch precies de plek waar zij in het discours thuishoren, juist op basis van Den Hartog Jagers argumenten.

Het hele artikel straalt iets uit van een afrekening. Of je de kunstenaars nu „fake-engagement” toekent en hun werk „glimmende consumenten-kitsch” noemt, het is bijzonder kwalijk hen te verwijten dat zij door die „erkenning” van het Stedelijk aanwezigheid in de collectie gebruiken om prestigieuze opdrachtgevers van hun betekenis te overtuigen. Hoe weet de criticus dat?

En o, o, wat zijn we dan als criticus geëngageerd en werelds betrokken, als we nog even ingaan op wereldse rampen, natuurlijk de klimaatverandering, bosbranden en wat niet al – de criticus wast zijn eco-handen vast in tekstuele onschuld.

Misschien ten overvloede: ik schrijf dit niet omdat ik Hans den Hartog Jagers teksten niet waardeer. Hij wijst mij op tentoonstellingen die ik soms mis en door zijn artikelen kan ik me met een zekere afstand toch vaak iets voorstellen van wat hij aan de orde stelt. Dat neemt niet weg dat er ook eens iets van tegenwicht welkom is.

Broekland (Raalte)