Recensie

Recensie Boeken

Howard Jacobson worstelt met zijn autobiografie; juist daarom is hij zo goed

Howard Jacobson De auteur worstelde lang met zijn ouders, het jodendom en zijn schrijverschap. Zijn boek over de eerste veertig jaar van zijn leven ontroert vooral door beschrijvingen van de vergeefse dromen van zijn moeder.

Howard Jacobson, winnaar van de Man Booker prize 2010 bij de bekendmaking van de shortlist van The Booker Prize in 2022.
Howard Jacobson, winnaar van de Man Booker prize 2010 bij de bekendmaking van de shortlist van The Booker Prize in 2022.

Met Moederskind heeft Howard Jacobson misschien wel zijn ideale boek geschreven. Geen roman deze keer, maar een memoir. In het boek beschrijft Jacobson zijn leven tot aan het punt waarop hij als romancier debuteerde, en aangezien dat pas gebeurde toen hij veertig was, bestrijkt Moederskind een groot deel van zijn leven – de helft, vooralsnog. Jacobson, die in 2010 enigszins onverwacht de Booker Prize won met De Finklerkwestie, ontpopt zich als een gedreven en onderhoudend autobiograaf.

‘Lang voordat schrijvers zichzelf aan de wereld onthullen’, schrijft de auteur, ‘vertellen ze het verhaal van hun leven aan zichzelf.’ We lezen dus een verhaal dat hij in de loop der jaren aan zichzelf heeft verteld, en herverteld, en bijgeslepen. Jacobson probeert zich daarvan bewust te zijn. Kenmerkend voor hem is ook dat hij de zojuist geciteerde uitspraak doet in een voetnoot; stellige uitspraken verbergt hij graag een beetje.

In een autobiografie lijkt eerlijkheid onvermijdelijk. Maar hoe verhoudt eerlijkheid zich tot de wil je zelfbeeld te behouden en het verlangen je lezers te onderhouden? Vooral in het begin van Moederskind zie je de auteur met die vraag worstelen. Hij maakt gebruik van humor en zelfrelativering, en dat resulteert in onderhoudend proza. Maar hoe meer hij vordert, hoe beter hij erin slaagt een indringend en soms zelfs schrijnend relaas van zijn ontwikkeling te geven.

Surrealistische anekdotes

Jacobson werd in 1942 geboren in een joods gezin en groeide op in Manchester. Zijn vader was marktkoopman en goochelaar, zijn moeder een huisvrouw die, zoals later in het boek zal blijken, haar ambities opzij had gezet en haar zoontje graag gedichten voorlas. Als jongen had Jacobson vooral te kampen met zijn vader, die een man van de daad was (ooit sloeg hij het paard van fascistenleider Oswald Mosley een bloedneus), terwijl zijn zoon zoekende was, en lezende: met tassen tegelijk sleepte hij de tweedehandsboeken zijn tienerkamer in. Later studeerde Jacobson (als ‘joodse arbeiderszoon’) in Cambridge en werd hij docent, onder andere in Australië, en ondertussen trouwde hij drie keer.

Jacobson lardeert zijn relaas met mooie, soms hilarische dan wel surrealistische anekdotes. Misschien had het verhaal iets korter gekund, maar bij nader inzien heeft hij al die woorden nodig om schaamte te overwinnen en tot de kern te komen. Eigenlijk heeft zijn verhaal drie kernen: zijn ouders, het jodendom en zijn schrijverschap. Mede door de derde heeft hij zich met de andere twee kunnen verzoenen, zo lijkt het. Zijn schaamte heeft onder meer betrekking op zijn slordige liefdesleven.

Moederskind is eerder een monument voor zijn ouders dan voor zichzelf. Geen monument als een klassiek standbeeld; eerder een grillig kunstwerk met haken en ogen – maar wel een kunstwerk waaraan met veel liefde is gewerkt. Ook al heeft Jacobson het meest geworsteld met zijn vader, vooral de moeder blijft je bij. Het aan haar gewijde nawoord is zonder meer ontroerend, vooral wanneer Jacobson beschrijft hoe hij na haar dood haar zakagenda’s uit de jaren dertig in handen krijgt. De dagboekaantekeningen die ze heeft bijgehouden, en waarin ze haar bescheiden maar nooit gerealiseerde dromen en ambities beschrijft, raken Jacobson recht in het hart. En niet alleen hem. De titel bereidde ons al voor: uiteindelijk is Moederskind een moederboek.

Lees ook: Een keizer Nero van onze tijd