Recensie

Recensie Boeken

‘Hierheen naar het gas, dames en heren’ is woedende literatuur die je dwingt tot lezen

Kampliteratuur De bittere verhalen van Tadeusz Borowski over Auschwitz drijven vragen over literatuur en menselijke hoop op de spits.

Auschwitz, 2019Foto Roger Cremers
Auschwitz, 2019Foto Roger Cremers

In het verhaal Hierheen naar het gas, dames en heren komt een transport Joden uit Sosnowiec-Bedzin aan in Auschwitz. Leden van het commando Kanada jagen hen de wagon uit. Terwijl het selectieproces voor de gaskamers in volle gang is, probeert een vrouw ongemerkt weg te lopen van haar jonge kind. Dat rent haar huilend achterna. ‘Het is niet van mij!’ gilt de vrouw hysterisch, en ze vlucht, haar gezicht met haar handen bedekkend. Ze wil zich verbergen, ze wil bij degenen zien te komen die niet met de wagen gaan, die gaan lopen, die zullen leven. Ze is jong, gezond, mooi, ze wil leven. Maar het kind rent achter haar aan en klaagt luidkeels: ‘Mama, mama, loop niet weg!’ Moeder en kind worden met grof geweld op de wagen naar de gaskamer gesmeten. De verteller, onderdeel van het commando, neemt een slok wodka en wordt onpasselijk.

Het is een van de beroemdste, bitterste scènes uit het hele werk van de Poolse Tadeusz Borowski (1922-1951). Voor de oorlog was hij een dichter, en tussen ’43 en ’45 gevangene van Auschwitz en Dachau. Het feit dat hij niet Joods was gaf hem een relatief bevoorrechte positie in het kamp, wat bijdroeg aan zijn overlevingskansen. Toen hij na de oorlog terugkeerde naar Polen, raakte hij eerst bevangen door het communisme en later gedesillusioneerd. Hij pleegde zelfmoord in 1951, daags na de geboorte van zijn dochtertje.

Deze zomer verscheen er een nieuwe uitgave van een selectie van zijn verhalen en gedichten, onder de titel Hierheen naar het gas, dames en heren, in vertaling van Karol Lesman en Charlotte Pothuizen, ingeleid door Arnon Grunberg. ‘Zoals alle wegen naar het kamp leiden, zo leiden in de literatuur alle wegen naar Borowski’, schrijft hij. Eerder verschenen al vertalingen van een deel van Borowski’s verhalen onder de titels Hierheen naar de gaskamer, dames en heren (1979) en Stenen wereld (1964 en 2005) door Lisetta Stembor, maar Borowski geniet in Nederland niet de bekendheid van Primo Levi of Imre Kertesz. Grunberg uitte al in het voorwoord van de bundel Bij ons in Auschwitz, een titel die hij ook aan het werk van Borowski ontleende, de hoop dat hij hier meer lezers zou krijgen.

Lees ook deze recensie van Arnon Grunbergs ‘Bij ons in Auschwitz’

Terecht, bewijst Hierheen naar het gas. Al is Borowski geen gemakkelijke schrijver. Alleen al zijn overdadige stijl vergt de nodige concentratie. Neem een zin als deze: ‘Het in vogelvlucht op drie groene rupsen met een gespikkelde, gegolfde rug en een onbeweeglijke romp gelijkende Bataljon liep stijf over de binnenplaats, die gebukt ging onder een zinderende zuil van zon.’ Het verbaast niet dat Borowski van oorsprong dichter was, anders dan de glashelder formulerende scheikundige Levi. Maar ook los van de stijl is het geen literatuur die wil behagen. Integendeel. Het schok-effect van zijn verhalen is groot, expres.

Bij de meest wrede passages, opgeschreven met een huiveringwekkende vanzelfsprekendheid, dringt de vraag zich op, waarom lees ik dit eigenlijk? Bij Borowski en kampliteratuur in het algemeen voelt deze vraag altijd prangender dan anders. Lezen we om iets te leren over het kamp? Over wat literatuur vermag? Is het sensatiezucht? Of geloven we in de extreme situatie van het kamp een diepere waarheid te kunnen ontdekken, die ons misschien zelfs houvast geeft voor ons eigen leven?

Dat laatste is in ieder geval de belofte van het populairste boek van een Auschwitz-overlevende van de afgelopen jaren, Het geschenk van de 94-jarige Edith Eger. Eger overleefde het kamp waar ze als 17-jarige kwam en werd een wereldberoemd psycholoog: Oprah is groot fan. Haar bestseller biedt twaalf lessen om te overleven, met als belangrijkste inzicht dat slachtofferschap een keuze is. Ze leerde door Auschwitz dat ‘de ergste gevangenis niet de gevangenis was waar de nazi’s me in stopten. De ergste gevangenis bouwde ik zelf.’ Zo werd Auschwitz haar bron van zelfhulp. Haar levensfilosofie sluit aan bij de wijdverbreide gedachte dat er achter alles wat er gebeurt een diepere betekenis schuilgaat. ‘Misschien ging ik naar Auschwitz en overleefde het kamp zodat ik nu tegen jou kan praten, zodat ik als voorbeeld kan dienen van hoe je een overlever kunt zijn in plaats van een slachtoffer.’

Een uitspraak die ondenkbaar is in het Borowskiaanse universium, waar aan het lijden geen enkel nut of betekenis wordt toegekend. Sterker, Borowski laat zich haast expliciet lezen als een antithese van het werk van Eger. Neem bijvoorbeeld wat ze beiden schrijven over hoop. Voor Eger was het kamp het bewijs dat kiezen voor hoop letterlijk van levensbelang is. Borowski daarentegen noteert: ‘Het is de hoop die mensen apathisch naar de gaskamer laat gaan, geen verzet laat riskeren, hen onderdompelt in inertie. Het is de hoop die gezinsbanden verscheurt, moeders afstand laat doen van hun kinderen, echtgenotes zichzelf voor brood laat verkopen en hun mannen mensen laat doden. (…) Ons is niet bijgebracht hoe we ons van de hoop kunnen ontdoen en daarom komen we om in het gas.’

Is Eger een handleiding voor een hoopvol leven, dan is Borowski het tegenovergestelde. Of zoals Grunberg het zegt: ‘Borowski is de hoop van alle mensen die met zo min mogelijk hoop wensen te leven.’

Levensverhaal

Het ironische is dat wie door zijn wimpers naar Borowski’s levensverhaal tuurt zich op het eerste gezicht nog best kan voorstellen dat hij zijn ervaringen Egeriaans inspirerend had kunnen opdienen. Anders dan Eger, Kertesz en Levi kwam hij niet in het kamp terecht omdat hij Joods was, hij werd opgepakt terwijl hij op zoek was naar zijn gearresteerde Joodse vriendin Maria Rundo. Tot zo ver een potentieel inspirerend liefdesverhaal. Eenmaal in het kamp werkte hij in de ziekenzaal, maakte vrienden, en schreef liefdesbrieven aan Maria. In een vluchtelingenkamp na de oorlog verhongerde hij bijna, maar hij bleef poëzie schrijven. De cynische verteller uit de verhalen moet dan ook niet automatisch worden vereenzelvigd met Borowski zelf in Auschwitz, al dragen ze dezelfde naam, want het is een duidelijke fictionalisering. Wat ons meteen wijst op het grootste verschil met Eger: zijn boek is geen therapie, maar literatuur.

En juist in hun literaire vorm hebben de verhalen van Borowski iets opwindends, omdat je het gevoel bekruipt dat hier iemand je over de verborgen, ‘echte’ waarheid vertelt. In de begeleidende tekst bij zijn bundel Stenen wereld, schrijft Borowksi dat hij op zoek is naar de waarheid, en een ‘werk [wil] schrijven dat recht doet aan deze onveranderlijke, moeilijke, uit steen gehouwen wereld.’

In een van zijn kampverhalen schrijft hij: ‘Ik weet niet of we het zullen overleven, maar ik zou willen dat we de dingen ooit bij hun naam zouden kunnen noemen, zoals moedige mensen doen.’

Volgens Grunberg is het werk van Borowski uniek omdat hij het aandurfde de waarheid van het kamp onder ogen te zien met een ‘onverschrokkenheid die soms de gedaante aannam van een wreedaardig genoegen.’ En in zijn ‘lucide wereld’ is ‘berouw nutteloos.’

Teleurstelling

Toch zouden de verhalen en de bundel als geheel niet zo indrukwekkend zijn, als het louter provocatief nihilisme was wat Borowski ons voorschotelde. De dingen zijn betekenisloos geworden, hoop en heroïek zijn gevaarlijke ficties, maar de kilte van de vertelstem komt voort uit een diep doorvoelde, allesverterende teleurstelling van Borowski in de wereld. Zonder ooit ergens in geloofd te hebben kan je ook niet teleurgesteld raken. En doordat je deze diepe teleurstelling overal in zijn werk voelt, is hij uiteindelijk een verteller waar je geen hekel aan hebt, maar blijf je je als geschokte lezer toch sterk verbonden met hem voelen.

De bundel laat daarbij een veel completer beeld zien van het werk van Borowski dan de paar schokkende scènes die altijd worden aangehaald, zoals inderdaad de moeder die wegloopt van haar kind. Ja, hij schetst een unheimisch universum waar Auschwitz een volstrekt geïntegreerd onderdeel van de rest van de wereld is. Maar het is geen universum dat verstoken is van liefde.

Er is de liefde voor Maria, ook al hield die uiteindelijk geen stand, en ook al biedt die liefde uiteindelijk geen troost. Toen hij zelfmoord pleegde had hij inmiddels al een affaire met een ander, en had Maria hem gezegd dat ze het wel zonder hem zou doen. Maar toch schrijft hij bij vlagen uitgesproken romantisch.

En ook in zijn beruchtste verhalen is hij ten diepste niet onverschillig. Het klopt dat de verteller geen verontwaardiging uit, en spreekt met een vervreemdende ironische afstandelijkheid. Maar zelfs als je de verteller afstandelijk zou kunnen noemen, is het werk als geheel dat niet. Eerder woedend, en woede ademt betrokkenheid. Geen schrijver maakt zulke wrede observaties, als het hem niets kan schelen.

En al is er geen sprake van heroïek, er is wel de moed die Borowski toont in zijn schrijven. De moed om zijn poëtica van de teleurstelling trouw te blijven. Dat maakt indruk. ‘De waarheid over de mens’ zul je bij Borowski niet vinden, net zo min als twaalf lessen die je helpen overleven. Maar zijn nalatenschap is een complex en confronterend literair werk, waarvan het onmogelijk is weg te kijken.