Recensie

Recensie Film

Straatschoffies zoeken vaderfiguren in Vlaamse ‘Dealer’ en ‘Nowhere’

Drama’s Twee sociale drama’s zoomen in op een straatschoffie dat een vaderfiguur ontmoet. ‘Dealer’ is volatiel met felle nachtkleuren, ‘Nowhere’ is juist te netjes.

‘Dealer’, met Bart Hollanders (links) en Sverre Rous.
‘Dealer’, met Bart Hollanders (links) en Sverre Rous.

Het is een traditie, Vlaams sociaal drama. Nederland situeert zijn kwaliteitsfilms vaak in de hogere middenklasse. Vlaamse cineasten vertellen liever verhalen uit de onderklasse van slecht geschoren scharrelaars met een onverwerkt verleden, bijstandsmoeders in haveloze flatjes of straatjeugd op zoek naar een thuis.

Deze week gaan twee Vlaamse sociale drama’s in roulatie: Dealer en Nowhere. Met zes Ensors, de Vlaamse filmprijzen, viel Dealer het meest in de smaak. Het is het regiedebuut van acteur Jeroen Perceval, een cultfiguur die de weg kende in het misdaadmilieu voor hij doorbrak als acteur. Zoals de 14-jarige Johnny (Sverre Rous) dus, een grofgebekt Antwerps straatdealertje dat in een opvanghuis verblijft: zijn moeder is psychotisch. Na een mislukte poging tot zakkenrollen werft hij steracteur en bohémien Antony (Ben Segers) als klant. Die vadsige Serge Gainsbourg biedt Johnny hoop, perspectief en een rolmodel – maar blijkt een onbetrouwbare vaderfiguur. Een oudere broer heeft Johnny dan al: hoofddealer Luca (een prachtrol van Bart Hollanders). Hij houdt als een sinistere Fagin zijn kinderdealertjes in het gareel met dreigen, flemen en onverwachts geweld.

Dealer draait om falende rolmodellen. Je empathie voor de kleine Johnny staat evenwel al snel onder druk van zijn aanhoudende, nogal overspannen bravoure en schelle Antwerpse gekrijs. Perceval had zijn megafoon best iets mogen dempen; voor zowel hulpverleners als kijkers ontwikkelt Johnny zich al snel tot een hoofdpijndossier. Het narcistische gebral van Antony is nogal afstotelijk; waaruit zijn charisma bestaat is me een raadsel.

Dealer is een volatiele, hyperemotionele film in felle nachtkleuren en met een dun script. Je gelooft de context niet altijd: de dynamiek binnen de kinderbende, de relatie van Johnny en Antony. De film is afwisselend interessant en irritant, dat laatste iets meer eigenlijk. Maar er gebeurt wat, en niet wat je verwacht. Dat is ook iets waard.

Prima in balans – en voorspelbaar – is daarentegen Nowhere van Peter Montsaert. Ook hier zoekt een straatschoffie een rolmodel. De stuurse blower Thierry (Noa Tambwe Kabati) beleeft een meet cute met vijftiger André (Koen De Bouw), die in het Antwerpse havengebied kotten en krotten verbouwt. En ook Thierry als die probeert in te breken, maar vaderinstincten ontwaken en André neemt het zichzelf overschreeuwende weeskind onder zijn hoede.

De argwanende toenadering is mooi geacteerd; branieschopper Thierry ontdooit als hij wordt gezien, de stille, afhoudende André met ogen vol onverwerkt verdriet moet ook iets kwijt. Terwijl ze samen op zoek gaan naar de moeder die Thierry ooit in Luik te vondeling legde, genezen ze elkaar. Wie verlossing zoekt, zal vinden.

Degelijk script, goed acteren, vale industriële lyriek, trauma’s die zich zonder kunstgrepen als flashback openbaren: op Nowhere valt weinig aan te merken, behalve dat hij iets te netjes binnen de lijntjes kleurt. Nam Montsaert te veel hooi op zijn vork in voorganger Le ciel Flamand (2016) – een thriller over kindermisbruik én een portret van een moeder en een dochter in de prostitutie – ditmaal neemt hij te weinig hooi op zijn vork.

Twee onvolmaakte films over straatschoffies en vaderfiguren; gaat u überhaupt kijken? Vast niet, want al spreken we dezelfde taal, Nederlanders kijken niet naar Vlaamse films en vice versa. Vlaamse kaskrakers als Loft en Hasta la Vista kregen om die reden zelfs een Nederlandse remake. Misschien verandert dat nu we door grensoverschrijdende misdaadseries elkaars acteurs iets beter leren kennen. Het is te hopen, al is het wel een probleem dat het Antwerps jargon van Dealer voor noorderburen onbegrijpelijk is zonder ondertiteling.