Recensie

Recensie Theater

Taalvirtuoze wiskundige Jan Beuving rijmt lustig verder over een ongerijmd bestaan

Soloshow Jan Beuving In zijn derde solo bewijst Beuving zich opnieuw een formidabel liedtekstschrijver en enthousiast verteller.

Jan Beuving in ‘Restante’
Jan Beuving in ‘Restante’ Foto Anne Reitsma

De familie van Jan Beuving (39) zal hard moeten werken voor een gezellige sinterklaasavond. ‘Mededeling’ laten rijmen op ‘staartdeling’, dat kan de cabaretier niet accepteren. Hij legt het uit in zijn derde soloshow Restante: bij het eerste woord ligt de klemtoon op het begin, dus dan moet er zowel op eerste- als tweede lettergreep gerijmd worden. Beuving demonstreert het in een wonderlijk lied vol rijm op ‘staartdeling’. Een herbergier die gewurgd wordt? Dan is er sprake van ‘waardkeling’. Een couplet over de Sint leert ons het woord ‘baardstreling’.

Het lied is kenmerkend voor de stijl van Beuving: spitsvondig, origineel, taalvirtuoos. Hij werd bekend als de ‘wiskunde-cabaretier’ die zijn twee opleidingen liet samensmelten in één beroep. En met succes, hij won de Neerlands Hoop en diverse prijzen voor zijn liedteksten. Hoewel nog altijd een man van theorie en wetenschap, beweegt Beuving zich in zijn derde solo wat meer weg van zijn imago en pose als onderwijzer. Soms letterlijk, bijvoorbeeld als hij zich na een lied nadrukkelijk waagt aan een klein dansje. Een ander signaal: de wat karikaturale ruitjesblouse is vervangen door een hipper exemplaar.

Waarheid buiten feiten

Restante is een strak opgebouwde voorstelling die gaat over het vinden van waarheden buiten de feiten. Wat is echt en wat is nep? En wat blijft er over na de meest grondige analytische methoden? Beuving leert ons: er is altijd een rest, kijk maar naar een staartdeling. In Restante legt Beuving uit wat die ‘rest’ voor hem behelst. Het resulteert in melancholische verhalen over geloof en amateurvoetbal, twee belangrijke onderwerpen in zijn leven.

Beuving is een geweldige liedtekstschrijver. Hij roept vooral in zijn liedjes mooie en sterke beelden op. Bijvoorbeeld over Jamal, een jongen uit zijn vroegere voetbalteam, aan wie je wel een bal kon toevertrouwen.

Beuving is in Restante persoonlijker dan in zijn vorige voorstellingen, maar sorteert daarmee geen maximaal effect. Zijn openhartigheid, bijvoorbeeld over de rol van religie in een seculier bestaan, is soms moeilijk invoelbaar. „Rijm kan veel verbloemen”, zegt Beuving zelf in een leuke grap over de ‘Dansen-met Janssen’ slogan en hij bewijst zijn eigen gelijk. Zelfs in liedjes vol archaïsche woorden en complexe zinnen vindt hij altijd een (gerijmde) uitweg, maar de emotionele kracht van de teksten lijdt er soms onder. Beuvings verhaal blijft vaak wat ongrijpbaar.

Dood / schroot

Dit laat onverlet dat Restante een degelijke voorstelling is. Het is mooi dat Beuving er geen geheim van maakt op wiens schouders hij rust. Een hoogtepunt is een smakelijk verhaal over Jeroen van Merwijk en diens lied ‘Partycentrum Waselink in Winterswijk’. Geheel in de stijl van de overleden cabaretier eert Beuving hem in een geweldig lied: ‘Was ik maar dood, niet meer vastgeklonken aan dit aardse schroot. Daar wacht Jeroen van Merwijk en die zegt niet zonder schik: zie je god daar zitten, die is bijna net zo goed als ik.’