Wat een zegen is het dat mensen geschreven hebben

Marjoleine de Vos

Hè, ik heb je gemist, zei ik tegen Gerrit Krol. Niet tegen Gerrit Krol, maar tegen een citaat van hem, tegen zijn stem, zijn toon. Niemand anders heeft die toon.

Dat is altijd waar natuurlijk, ineens hoor ik Rod McKuen zingen: „There will never ever be another you”, een open deur die toch klinkt als een bijna onverdraaglijke waarheid. Die ook een onverdraaglijke waarheid is, die je toch moet verdragen en die je ook verdraagt en in wijze momenten omvormt tot: maar gelukkig heb ik je wel gekend.

Wat een zegen is het dat mensen geschreven hebben. Dan hoef je niet in je eentje te gaan zitten zingen van hoe het was, je pakt een boek en daar zijn ze, daar klinken de stemmen, daar lach je om dezelfde grapjes en voel je je intens thuis bij een toon.

Neem nu de eerste alinea van Krols meesterwerk In dienst van de Koninklijke (hij schreef nogal veel meesterwerken als je het mij vraagt):

„Voor u begint te lezen doet u er goed aan, te bedenken dat dit boek geen roman is, ook al lijkt het erop. Het is in zoverre een autobiografie dat het over mezelf gaat; edoch, het is niet mijn leven dat ik erin beschrijf, maar mijn functie. Ik hoop daarmee de functie te hebben beschreven van een groot aantal andere mensen.

Dat is de functie van dit boek.”

Waarom is dit nu zo heerlijk? Allereerst natuurlijk omdat in een boek dat als roman wordt gepresenteerd de lezer te horen krijgt dat dit géén roman is en dat hij/zij ‘er goed aan doet’ dat te bedenken. Dat zelfverzekerde! Ook is ‘dat het over mezelf gaat’ veel en veel geslaagder dan als daar had gestaan ‘dat het over mij gaat’, dan lijkt het alsof we ons voor ‘mij’ moeten interesseren, terwijl het nu meer is of een wel erg in zichzelf verzonken persoon zijn gedachten meedeelt. Een aangenaam zweempje zelfspot. Dan dat totaal malle ‘edoch’, wie schrijft dat? Je moet het maar durven. Het woord ‘functie’ is ook echt een Krol-woord en het betekent beslist niet alleen ‘beroep’. Het betekent ook ‘hoe ik functioneer in het grote geheel’ en ook klinkt de wiskundige functie mee. En de laatste zin is grappig.

Gerrit Krol. Foto ANP

Nu hebben we pas één (1) alinea gelezen. Hoe rijk is de wereld en wat heeft zij ons veel te bieden!

Ik las die alinea trouwens niet in het boek zelf, dat pakte ik pas daarna, maar in een door Krol-biograaf John Heymans in eigen beheer uitgegeven Krol Cahier, dat Krol behandelt als ‘korte baan kampioen’. Eigenlijk was/is (schrijvers zijn nooit dood) hij altíjd columnist. Het is een verrukkelijk cahier dat enorm uit doet zien naar de biografie, maar die zal nog wel een paar jaar op zich laten wachten.

Over columnisten schreef Krol dat het belangrijkste is dat ze present zijn. „Als op maandagochtend zijn huis afbrandt en hij heeft zijn stukje nog niet geschreven, dan schrijft hij eerst zijn stukje. (…) Een columnist is nooit met vakantie.” Aha. Dáár heb ik die opvatting dus van, dat was ik vergeten. Het slaat nergens op, maar ja, het gemak van een opvatting is, dat je die hebt. Tot je ervan af stapt natuurlijk.

Ook begon ik weer aan Krols eveneens meesterwerk (écht) De man achter het raam. Dat vertelt het verhaal van Adam, een kunstmatige intelligentie die zo menselijk mogelijk wil worden. Hij wil daarom bijvoorbeeld kunnen eten en „Ik wil ook kunnen hoesten, en op m’n hoofd krabben als dat nodig is. Allemaal kleinigheden die een gesprek levendig kunnen maken.”

Als het ware allemaal meesterlijke kleine columns.