Reportage

Op de agrarische kinderopvang is iedereen de hele dag buiten

Kinderopvang Agrarische kinderopvang is populair. Veel buiten en tussen de dieren zijn, vinden ouders belangrijk voor hun kind. „Als er een kalfje wordt geboren, haalt de boer de kinderen erbij.”

Foto Dieuwertje Bravenboer

De kippen voeren, het hok van de ezels schoonmaken, poep scheppen, het hooi in de koeienstal verversen, de paarden aaien, kijken hoe de koe wordt gemolken, zijn vlekken tellen. Het is een gewone dag voor de 3-jarige Katharina. Ze is een van de veertig kinderen die rondscharrelen bij agrarische kinderopvang De Vrijbuiter in Hedel, gerund door Mathé en Lilian van Goch. Samen hebben ze ook een melkveebedrijf met vijftig koeien, op hetzelfde terrein, pal naast de spelende kinderen, die op het erf alles meekrijgen van het boerenleven.

En dát spreekt ouders aan. Anna (31) en Leo (35) uit Zaltbommel brengen hun twee kinderen (3 en 1) vier dagen per week naar De Vrijbuiter. Het is niet naast de deur – 25 minuten fietsen of een kwartiertje met de auto – maar ze hebben het er graag voor over. Anna groeide op een boerderij op. „Ik moest helpen met het verzorgen van de dieren en groente en fruit oogsten. Als tiener vond ik dat vervelend, maar nu ben ik blij dat ik weet hoe kaas en boter worden gemaakt en waar vlees en eieren vandaan komen.” Leo woonde in een flat maar bracht de vakanties door op de boerderij van zijn grootouders. Eén zijn met de natuur en kennis hebben van planten en dieren vinden ze beiden een verrijking voor het leven, daarom zochten ze naar een kinderopvang op een boerderij.

We hebben een uitdagende speelruimte, dus af en toe een tand door de lip, ja, dat gebeurt. Bij de intake vertellen we de risico’s

Het aantal boerderijen met kinderopvang is in de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld, zegt Monique Litjens, voorzitter van de Verenigde Agrarische Kinderopvang (VAK): in 2010 waren het er dertig, nu vijfenzestig. „En bij allemaal is een wachtlijst. Mensen kiezen voor hun kinderen steeds vaker voor het buitenleven.” Volgens Litjens zijn het vooral „bewuste en kritische ouders” die kiezen voor deze vorm van opvang. „Wij hebben 340 ouders in ons bestand en voor slechts vijf zijn wij de dichtstbijzijnde kinderopvang. Iede-reen rijdt een andere opvang voorbij om hier te komen.” Dat is bij De Vrijbuiter ook zo, zeggen Lilian en Mathé van Goch.

Bij hun opvang is vijfduizend vierkante meter tuin ingericht voor de kinderen met daarin een hut van wilgentakken, een buitenkeuken, een grasveld met goals (Lilian: „Daar heeft de gemiddelde opvang echt geen plek voor”), een royaal konijnenhuis, een klushok vol gereedschap, een bijenhotel en een moestuin. Onder de grote overkapping staan speelgoedtractoren, skelters, schepnetten om kikkers mee te vang-en, regenpakken, reservekleren en zwemvesten. Mathé: „Niemand blijft binnen als het slecht weer is. In de winter vriest het slootje dicht. De kleintjes kunnen er op glibberen en glijden, de oudere kinderen gaan met een slee het ijs op.”

In 2009 begonnen Lilian en Mathé van Goch met de kinderopvang omdat ze geen schaalvergroting wilden met het melkveebedrijf. Lilian had jaren in de zorg gewerkt. „We kozen ervoor om multifunctioneel te worden. In onze buurt heeft bijna iedereen een tweede onderneming naast het primaire agrarische bedrijf. De boerderij hiernaast heeft melkvee en maakt ijs, verderop is een boerderij met een minigolfbaan, een ander organiseert bedrijfsuitjes, boerengolf en teambuildingactiviteiten, en een collega heeft een minicamping op het erf.”

Geen vaste tijden

Niet alle boeren zijn begonnen uit geldnood, zegt Monique Litjens, die in het Limburgse Leunen zelf ook een agrarische kinderopvang heeft. „In veel gevallen was het de vrouw van de boer die kleinschalig iets begon, wat vervolgens groeide en inmiddels is geprofessionaliseerd.” Litjens zag hoe vrolijk haar kinderen werden van de kalfjes voeren, meerijden op de tractor, de zon in het weiland zien zakken en mais oogsten. „We zien wat het boerenbuitenleven voor onze eigen kinderen doet en willen anderen dat ook laten ervaren.”

Om een kinderdagverblijf te beginnen hoef je geen opleiding te doen, zegt Litjens. Het personeel dat op de groep staat moet wél geschoold zijn. Om ‘agrarisch kinderdagverblijf’ te mogen heten (bij de VAK), moet je voldoen aan verschillende voorwaarden. Bij een regulier kinderdagverblijf is er binnen minimaal 3,5 vierkante meter speelruimte per kind en buiten 4 vierkante meter, bij een agrarische opvang is dat binnen 4 vierkante meter en buiten minimaal 10 vierkante meter. „Ook moet je een volwaardig agrarisch bedrijf hebben waar substantiële inkomsten uit komen. Daar hebben we een formule voor. We willen voorkomen dat iemand een boerderij koopt, drie schapen in de wei zet en het een agrarisch kinderdagverblijf noemt omdat die term mensen nu aanspreekt.”

Foto’s Dieuwertje Bravenboer

Het agrarische aspect moet voor de kinderen onderdeel zijn van de dag. „Als er een kalfje wordt geboren, is het de bedoeling dat de boer de kinderen erbij haalt.” Kinderen mogen vies worden en er zijn geen vaste tijden voor eten en buitenspelen. Lilian: „Je moet hooien als de zon schijnt, zeggen boeren, dat doen we met de kinderopvang ook. Als het lekker weer is, beginnen we de dag buiten. Vroeg, vanaf 7.15 uur zijn we open.”

Het boerenbuitenleven is niet alleen maar prachtig, zegt Mathé van Goch. Een paar weken geleden werd een tweeling kalfjes veel te vroeg geboren. De dierenarts kwam, die gaf ze medicijnen. Toch overleden beide. „Ook dat maken de kinderen mee.” Katharina komt erbij en zegt: „Dat was zielig”. Mathé: „Dat is het leven. Als een beest niet beter wordt, gaat het dood. Kinderen mogen dat zielig vinden, maar we verbloemen het niet.” Katharina knikt. Daarna: „Gisteren ging-en we eitjes halen. En sla. De eieren hebben we gekookt en door de sla gedaan. Maar ik hou helemaal niet van sla. Ik heb de sla wel gewassen, er zat zand op. En hooi gebracht bij Rita en Balkje. Dat zijn de ezels.”

Wachtlijst van een jaar

Een sloot, grote machines en een bijenhotel in de buurt van jonge kinderen: hoe vinden gemeenten en GGD, die toezicht houden op kinderdagverblijven dat? „Álles moet worden beschreven in een beleidsplan”, zegt Lilian van Goch.

Hoe alle activiteiten zijn georganiseerd, dat alles omheind is, dat de veiligheid tot in de kleinste details is doorgevoerd. Voor ieder denkbaar scenario hebben zij en haar man een protocol moeten schrijven. Mathé: „Er valt soms een kind in de modder. Een enkele keer zelfs in de sloot, wel met een zwemvest. Het protocol daarvoor is dat een kind dan verplicht moet douchen, omdat er sommige jaargetijden slakjes in de sloot zitten die voor zwemmersjeuk zorgen.”

In het klushok hangen schroevendraaiers, zagen, priemen, hamers – alles in veelvoud. Gaat er weleens iets mis? Mathé: „Uiteraard. Als je kinderen zelf laat spelen en ontdekken, slaat er weleens eentje met een hamer op zijn vingers. We hebben een uitdagende speelruimte, dus af en toe een tand door de lip, ja, dat gebeurt. Dat weten ouders, bij de intake vertellen we over de risico’s.”

Het uurtarief van agrarische kinderopvang ligt iets hoger dan bij reguliere kinderdagverblijven. „Hogere kosten”, zegt Lilian van Goch. Desondanks is de wachtlijst bij haar minimaal een jaar. Als de plannen van de overheid doorgaan en kinderopvang zo goed als gratis wordt voor iedereen, zal de vraag verder toenemen, zegt Monique Litjens. „Dat kan de sector helemaal niet aan.” Veel ondernemers die bij de VAK zijn aangesloten, hebben al uitbreidingsplannen, zegt ze, zodat hun capaciteit toeneemt, maar zelfs dat zal niet genoeg zijn.

Lilian en Mathé van Goch willen niet groter worden dan ze nu zijn. Misschien nog één groep erbij, meer niet, zegt Lilian. „Ik wil dat er genoeg tijd en ruimte blijft voor de kinderen om op het land mee te kijken wanneer ze willen. Als we veel groter worden, moeten we dat gaan plannen.”

Voor het hek met uitzicht op de akkers staan peuters te loeren naar vrachtwagens die heen en weer rijden. Mathé: „Vandaag wordt de mest uitgereden op het gras dat net is gemaaid. De hele dag rijden we met kiepers op en neer. Alles wat ronkt en groot is, vinden ze prachtig.”