Foto Merlijn DOomernik

Interview

Schrijver Roline Redmond ging op zoek naar haar voormoeders: ‘Slaven hadden geen stamboom’

Roline Redmond Antropoloog en schrijver Roline Redmond zocht uit wie haar voormoeders waren, die in het westen van Suriname in slavernij leefden. „Ik wilde hun een identiteit geven.”

Roline Redmond (73), antropoloog en schrijver, vertelt in De Doorsons de geschiedenis van haar voormoeders, die tot het einde van de slavernij op een katoenplantage in het district Coronie werkten, in het westen van Suriname. Haar overgrootmoeder, Constantia Augustina Doorson (1863-1925), vertrok naar Paramaribo om zonder geld of enig ander bezit een nieuw leven op te bouwen. Ze woonde op een erf achter een woonhuis, zoals zoveel vrijgemaakte slaven, en verkocht gerookte vis op de markt. Haar dochter Pauline Magdalena Wijks (1891-1972) werd wasvrouw. Haar kleindochter Annette Josephine Wilson (1924-2013), de moeder van Roline Redmond, was naaister.

Het boek werd bekroond met de Brusseprijs en staat op de shortlist voor de Prijs voor het Belangrijkste Boek van het Jaar. De winnaar wordt op donderdag 22 september bekendgemaakt.

Dit gesprek, bij haar thuis in Utrecht, gaat ook over haar eigen geschiedenis. In haar boek maakt ze er alleen wat losse opmerkingen over, waardoor je weet dat ze tot haar zesde bij haar grootmoeder in Paramaribo woonde en later bij haar moeder en stiefvader in het dorp Paranam aan de Surinamerivier. Op haar zeventiende ging ze als lerares werken op een school in het district Nickerie.

Waarom woonde u bij uw grootmoeder?

„Ik was het eerste kind van mijn moeder, ze bleek zwanger van mij te zijn toen mijn vader al was vertrokken. Ze was achtergebleven met een schuld en moest heel hard werken om die te kunnen afbetalen.”

U groeide dus op zonder uw vader?

„Maar ik heb geen vader gemist. Ik had twee liefdevolle ooms, broers van mijn moeder, die elke middag naar huis renden om me te knuffelen en me, met spelletjes, mijn eten te voeren. Ik at slecht. Het eerste jaar kwam mijn moeder me elke dag ophalen en dan nam ze me mee naar haar huis in de Wagenweg Straat.”

Daar zult u geen herinneringen aan hebben.

„Toch denk ik dat ik als baby al wist dat ze erg verdrietig was. Ik moest haar zeg maar troosten.”

Waarom was ze zo verdrietig?

„Omdat mijn vader ervandoor was gegaan met een andere vrouw. Dat was wat ik van haar hoorde. Dat roepen wel meer vrouwen, als onderzoeker weet ik dat je daarmee moet uitkijken. Later hoorde ik van een oom een andere versie en een zus van mijn vader in Denemarken gaf me diezelfde versie, namelijk dat mijn moeder hem had weggestuurd. Hij had geen baan en geen opleiding, en hij was niet van plan om er iets aan te doen. Ze zei: kom maar terug als je wel een baan hebt. Ze had ook verordonneerd dat hij mij niet mocht zien. Een andere zus van hem vertelde me dat mijn oma een omslagdoek over mijn gezicht legde als ze met me over straat liep en ze mijn vader of een andere Redmond zag.”

U hebt hem nooit ontmoet?

„Jawel, toen ik dertig was en mijn oudste dochtertje net geboren was. Je gaat je afvragen wat je roots zijn. Ik had het overlegd met mijn moeder. Ik wilde haar toestemming hebben, zo sterk was haar invloed op mij. Ze ging met me mee naar Suriname, naar zijn huis. Daar was hij niet en een van zijn zoons, mijn halfbroer, zei dat hij ergens op een landje aan het werk was. Hij bracht ons erheen, mijn moeder en ik stonden bij het hek en het werd meteen ruzie tussen die twee. Ik ben boos weggelopen. Of nee, mijn vader heeft me weggestuurd. Later bleek dat zijn dochters, mijn halfzussen, hem daar flink de oren om hadden gewassen. En zijn vrouw had gezegd dat het volstrekt onacceptabel was. Ik heb hem nooit meer gezien.”

In uw boek zegt u dat het tussen Surinaamse mannen en vrouwen altijd gedoe is en u suggereert een verband met het slavernijverleden.

„De mannen werden door hun eigenaars voortdurend naar andere plantages gestuurd, weg bij hun vrouw en kinderen. Het zou kunnen dat ze daarom zo kwetsbaar en onzeker zijn en van vrouw tot vrouw gaan. Er is nooit gedegen onderzoek naar gedaan en een psycholoog of psychiater zou misschien een andere oorzaak vinden. Het ligt ook aan de vrouwen, hè. Onze vrouwen zijn behoorlijk dominant. Ze hebben, dat komt ook door de slavernij, een onafhankelijke positie omdat ze toch voor zichzelf moesten zorgen. ‘Luister jongen, ik heb jou niet nodig, dus als jij je zo gedraagt – wegwezen!’”

U zegt in uw boek ook dat u op uw tiende al bedacht dat u later wilde schrijven over het werk van een wasvrouw.

„En dat ik nooit zou trouwen met een Creoolse man. Misschien met een Hindostaan of een man uit het binnenland, maar nooit met een Creool. Dat gedonder!” Ze trouwde met een witte Nederlander, hij was tropenarts en later psychiater. „Ik bedacht ook dat ik een onafhankelijke denker wilde zijn, al formuleerde ik dat toen natuurlijk anders. Ik heb een herinnering die me sterk gevormd heeft en waar ik ook weleens over heb geschreven. Ik stond in Paranam bij de rivier en daar stapten twee mensen uit een bootje, een man en een vrouw. Ze waren sterk en gespierd, hun huid was glanzend zwart, hun gebit prachtig wit. Ik was flabbergasted. Ik had nog nooit zulke mooie mensen gezien. Ik kwam terug in het dorp en dan hoor je: die djoeka’s, ze zijn lelijk!’ Het waren marrons, nakomelingen van gevluchte slaven. Daar moest je op neerkijken.”

Hoe was het om met uw moeder en stiefvader naar Paranam te verhuizen?

„Moeilijk. Ik kende mijn jongere broertje en zusje niet en ik was verwend. Bij mijn oma was ik een soort van enig kind. Maar mijn moeder wilde me echt terug, ze hield heel veel van me. Mijn zuster zegt dat ze altijd het gevoel heeft gehad dat ik veel belangrijker voor mijn moeder was dan zij.”

Uw stiefvader was een Creool?

„Ja. Maar hij bleef bij het gezin. Hij had op Curaçao op de raffinaderij gewerkt en was in Paranam mecanicien in de bauxietindustrie. Later is mijn moeder bij hem weggegaan. Hij werd Jehova’s getuige en eiste dat zij met hem meeging. Dat gaf bonje.”

U bent anders dan de meeste Surinamers niet gelovig opgevoed.

„Mijn moeder was uit de katholieke kerk gevlucht. Ze wilde er niets van weten. Ze had op school, een katholieke school, vaak voor straf achter het bord gestaan omdat ze te veel kletste. Ik heb nog een herinnering die me sterk gevormd heeft. Mijn nichtjes deden hun eerste communie, wij waren erbij, en dan zie je in dat kerkje een halfnaakte man aan een kruis hangen. Wie was dat? Ik vond hem raar. Op de gezichten van de meisjes in hun witte jurkjes zag ik angst en onbegrip. Ze waren de bruidjes van Jezus en ik dacht: over een paar jaar trouwt die halfnaakte man ook met hun zusjes, dat is veelwijverij. En dan die engelen met die vleugels aan hun schouders, hoe konden ze daarmee vliegen? Maar als ik het zei kreeg ik klappen. ‘Fout kind! Hou je mond!’”

Ik had zo veel vragen. Maar als je in Suriname vragen stelt, dan is het antwoord: neem nog een bordje eten

Op uw negentiende ging u naar Nederland.

„Ik wilde naar de universiteit, dat had ik ook op mijn tiende bedacht. Ik had zo veel vragen en er waren zo weinig mensen die antwoorden gaven. Als je in Suriname vragen stelt, dan is het antwoord: neem nog een bordje eten.”

En boeken, schrijft u, worden er niet gelezen.

„Mijn boek ook niet. Ze kopen het misschien wel, maar ze zetten het in de kast. Het is te pijnlijk. Gelovige Surinamers willen er al helemaal niets van weten. ‘Saka fasi sa de na krosi fu yu skin.’ Nederigheid is je kleed, dat is wat ze geleerd hebben. Ze zeggen tegen mij: waarom wil je het steeds over de slavernij hebben, waarom pas je je niet aan?”

U citeert een zendeling die schreef dat slaven blij moesten zijn dat God hen uit Afrika had laten roven en naar Suriname had gebracht.

„Want daardoor kregen ze de gelegenheid om de zaligmakende leer van het christendom te horen. Door het geloof in Jezus konden ze een kind van God worden en dat was heel wat beter dan lijfelijke vrijheid.” Ze lacht en wijst naar zichzelf. „Deze mevrouw heeft niet zoveel op met die denkwijze.”

Toch bent u in uw boek opmerkelijk mild over de kerk en over de zendelingen die het geloof kwamen prediken.

„Ik ben geen voorstander van single stories. Er zijn altijd meer perspectieven. Geloof kan heel troostend zijn en er is de sociale kant: de hulp die de kerk biedt, de verbinding met andere mensen. Zendelingen kwamen ook op voor de slaven, al gingen ze overall wel mee met de koloniale overheid. Ze hadden weinig keus.”

U schrijft ook heel mild over de nakomelingen van de Surinaamse slavenhouders die u in Utrecht opzoekt.

„Léon Dessé, ja. Ik ben tot zijn dood bevriend met hem gebleven, en met zijn vrouw. Zijn zuster Eleonora Dessé heb ik ook geïnterviewd, een heel lieve dame. Maar ik heb hun geschiedenis à contrecoeur uitgezocht en alleen om meer over mijn eigen familie te weten te komen. Over mijn familie waren er bijna geen geschreven bronnen en over die van hen wel. Hun voorvaders waren de eigenaars van de plantage waar mijn voormoeders werkten. In het begin denk je: jullie met je grote huizen en je lekkere leven, en wij maar werken voor al die luxe. Maar zo zwart-wit is het niet. De familie Dessé heeft later veel ellende te verduren gekregen – brand, overstromingen, verval van de plantage, gedwongen verkoop – en de moeder van Léon en Eleonora was een superslavin, al mag ik dat natuurlijk zo niet zeggen. Haar man was kunstschilder en zat hele dagen piano te spelen, terwijl zij elf kinderen kreeg en het geld verdiende. Ze hadden een rijwielzaak in de Gerard Doustraat in Utrecht-Oost en zij deed al het werk, ook fietsen herstellen.”

Ze was wel een vrij mens.

„Ja, maar hoe vrij? Ze kon geen kant op. Ze kon niet eens haar man wegsturen.”

Foto Merlijn Doomernik

Waarom koos u voor de studie antropologie?

„En Spaans. Ik heb antropologie en Spaans gestudeerd, hier in Utrecht. Het kwam door die twee mooie mensen bij de rivier die ik op mijn tiende voor het eerst gezien had. Waar kwamen ze vandaan? Waarom werden ze lelijk gevonden? In Paranam hadden we Hindostanen in hetzelfde woonblok en die man sloeg zijn vrouw elke dag. Een goede kennis van me, ook een Hindostaanse, zegt: het eerste wat mijn vader deed als hij ’s avonds thuiskwam was mijn moeder aan de haren trekken. Als het eten hem niet beviel keilde hij zijn bord door het huis. Kon ze opnieuw gaan koken. Ik wilde dat soort gedrag begrijpen. Veel Hindostaanse mannen zijn alcoholverslaafd, hoe komt dat? Ik wilde ook begrijpen waarom Nederlanders zo denigrerend zijn tegen zwarte mensen. Wat zit er in de cultuur waardoor ze denken: ik moet de ander kleineren? Ik studeerde af op een onderzoek naar kinderboeken, zwarte mensen zijn daarin altijd lelijk. Waarom?”

Weet u het antwoord?

„Misschien is het in de basis wel een diep minderwaardigheidscomplex.” Ze lacht. „Ik wacht op een zwarte psychiater die daar eens iets over zegt wat hout snijdt. Wat opvalt is dat zwarte mensen voor 1700 niet lelijk werden gevonden, het begon daarna. Had het te maken met de slavernij die toen steeds belangrijker werd? Moest je ze lelijk en minderwaardig gaan vinden omdat je ze dan zonder schuldgevoel kon exploiteren?”

Volgens de Bijbel zijn ze de vervloekte nakomelingen van Cham, een zoon van Noach.

„Gedoemd om witte mensen tot slaven te dienen, ja. Daarom heb ik niets met die Bijbel. Ik zou willen dat mensen zich beter realiseerden dat het een van de redenen is dat er zo naar ons gekeken wordt. De gemiddelde Nederlander heeft er geen idee van. Toen ik hier net kwam, in 1969, liepen schoolkinderen me joelend na over straat. Ik zocht een kamer en als ik een advertentie zag in het Utrechts Nieuwsblad sprong ik meteen op mijn fiets. Maar die kamer was altijd net weg als ik aanbelde.”

Was u in die tijd al van plan om over het slavernijverleden van uw familie te schrijven?

„Dat kwam later, toen ik mijn doctoraalscriptie schreef, in 1977. Ik was er tweeënhalf jaar tussenuit geweest om met mijn man naar Saoedi-Arabië te gaan. Hij werkte daar als huisarts en ik kon leerkracht worden op een school voor Nederlandstalige en Engelstalige kinderen. Ik las die kinderboeken en dacht: wait a minute, zo consistent negatief over zwarte mensen, wat ís dit?”

U schrijft dat de wens van uw moeder de doorslag gaf. Zij wilde dat u haar geschiedenis zou uitzoeken.

„Helaas heeft ze het resultaat niet meer gezien, ze stierf in 2013. En voor die tijd was ze al heel lang dementerend. Het kwam ook door de positie in mijn familie dat ik het ben gaan doen. Als kind al had ik de rol van boodschapper. Dan zei mijn moeder: hoe zou het toch met tante Albertine gaan? Ik sjeesde uit school vandaan op mijn fiets naar tante Albertine om het te vragen. Ik was verschrikkelijk nieuwsgierig en luisterde mee met de gesprekken van de volwassenen. Er was een tak die bijna blank was, mijn moeder en oma kwamen er vaak. Maar desgevraagd zeiden ze: nee, nee, geen familie. Hoe zat dat? Ik heb het uitgezocht: het was wel familie. Die tak wilde het alleen liever niet weten. Het was gemakkelijker om voor blank door te gaan.”

U weet nu ook dat de moeder van uw overgrootmoeder Molly Maria Doorson was. Waarom is dat belangrijk voor u?

„Omdat slaven geen stamboom hadden en geen familienaam. Je kon nog beter een koe zijn, dan had je tenminste nog een stamboom. Slaven waren werktuigen. Ze konden niet lezen of schrijven, het was verboden om ze onderwijs te geven. Er zijn geen brieven overgeleverd, geen dagboeken, niets. Ik wilde ze een identiteit geven en doordat ik dat gedaan heb ben ik een uitgebalanceerder mens geworden. Sommige slaven, ook Doorsons, liepen weg naar Guyana en dan kwamen ze af en toe stiekem terug. Je denkt: yes! Daar deden ze dus! Ik ben opgevoed met: je bent zwart, je bent lower class en die negers – ik zeg expres negers – in hun hutjes op het erf waren dom en lui. Nee! Ik weet nu dat mijn voormoeders verschrikkelijk hard gewerkt hebben om te overleven, dat maakt me trots. Ze waren sterk en zorgden goed voor elkaar. Ze leerden voor de zekerheid twee beroepen, dan kon je altijd nog ergens anders gaan werken. ‘Wat kun je nog meer?’ Dat hoor je heel veel in Suriname. De familie van mijn vader was trouwens niet helemaal lower class. Je had Sophie Redmond, die de eerste Creoolse arts was. In Paramaribo is een straat naar haar vernoemd, in Amsterdam een plein. En gisteren ontdekte ik dat een Redmond in 1933 plaatsvervangend rechter was in Nickerie. Het was een vrouw.”