Opinie

Minder boeren? Eén ding is zeker: eten blijft er genoeg

Column Als we boerderijen sluiten en weilanden omzetten in natuur, dreigt er dan een voedseltekort? Martijn Katan zocht het uit.

Martijn Katan

Op de A4 reed ik onder een spandoek door: No Farmers No Food – blijf van onze boeren af. Klinkt logisch: minder boeren, dus minder eten. Als we boerenland omzetten in natuurgebieden of woonwijken, krijgen we dan tekorten aan voedsel?

Daarvoor moeten we weten wat onze landbouw (inclusief veeteelt) produceert en hoeveel daar af kan voordat we honger gaan lijden.

De Nederlandse akkerbouw levert per jaar vijfentwintig miljard kilo voedsel, maar dat is vooral beestenvoer. Mais bijvoorbeeld, en suikerbietenpulp. Ook Nederlandse tarwe gaat grotendeels naar varkens en kippen. Je kunt er best brood van bakken, maar dat is compact en hard terwijl de consument luchtig, veerkrachtig brood wil. Daarom gebruikt de Nederlandse bakker Franse tarwe. Nederlandse aardappelen en uien lusten we wel, maar wij maken maar een kwart van onze oogst op, driekwart gaat naar het buitenland. Ivoorkust en Senegal importeren samen per jaar evenveel Nederlandse uien als wij zelf opeten. Ook andere groenten gaan grotendeels naar het buitenland.

Miljarden kilo’s veevoer

Naast veevoer van Nederlandse akkers importeren we jaarlijks zeventien miljard kilo veevoer uit het buitenland. Twee miljard kilo daarvan is soja. De veevoerindustrie betitelt die soja als afval, maar dat klopt niet. Mensen die de landbouw een warm hart toedragen, zoals veevoerfabrikanten, boeren en CDA-politici, lijken een stilzwijgende afspraak te hebben dat je voor de goede zaak de feiten een beetje mag bijkleuren. Daarom noemen ze soja in veevoer ‘sojaschroot’. Maar dat is het niet. Het is het vetvrije deel van de sojaboon dat overblijft als de olie eruit is geperst. Dat is een uitstekende grondstof voor levensmiddelen, rijk aan hoogwaardig eiwit en vezel. Het is het meest waardevolle deel van de sojaboon, zowel in voedingswaarde als in geld. Veeteelt concurreert hier dus met voeding voor mensen.

Koeien eten naast krachtvoer zoals soja heel veel gras en mais. Varkens en kippen eten vooral granen. Die granen zouden ook geschikt zijn voor het maken van levensmiddelen. Dieren zetten granen maar voor een klein deel om in voedsel voor mensen. Tien kilo veevoer levert ruwweg twee kilo vlees, melk en eieren, plus veel mest en urine. Als we de veeteelt in Nederland zouden halveren houden we flink wat granen en soja over. Dat spandoek klopte dus niet, minder boeren betekent niet minder eten. We krijgen zelfs aan karbonades, kaas en kipfilet geen tekort, want daarvan produceren we nu drie keer zoveel als we zelf op kunnen. Onze boeren produceren vooral voor de rest van de wereld.

Waarom wil de hele wereld producten van de Nederlandse landbouw? Om dezelfde reden dat de hele wereld telefoons van Apple wil: ze zijn de beste. De Nederlandse landbouw en veeteelt vormen een kennisintensieve maakindustrie, de enige maakindustrie waarin wij wereldleider zijn. Natuurlijk is ASML uit Veldhoven wereldleider in chipmachines, maar de landbouwexport brengt vijf keer zoveel op als alle chipmachines van ASML bij elkaar. Landbouw is onze Big Tech. Een conglomeraat van landbouwwetenschappers, overheid, hightechbedrijven en innovatieve boeren produceert innovaties waar de rest van de wereld niet aan kan tippen. Als leek zie je dat niet. De koeien van nu lijken precies op die op een schilderij uit de zeventiende eeuw, maar ze verhouden zich qua melkgift tot de koeien van toen als een Tesla tot een postkoets.

De ideale pootaardappel

Ook onze gewassen zijn hightech. Neem aardappels. Wereldwijd wordt ruim de helft van alle aardappels geteeld uit Nederlandse pootaardappeltjes. Wij maken voor elk klimaat, elke grondsoort en elke smaak de ideale pootaardappel. Datzelfde geldt voor groenten, bloemen en zaden. Een kilo Nederlands tomatenzaad brengt honderdduizend euro op. Onze hardwerkende, innovatieve boeren maken Nederland rijk. Met de opbrengst van wat zij exporteren kunnen wij overal ter wereld weer het eten kopen dat we lekker vinden.

Helaas is de landbouw wel schadelijk voor natuur en klimaat. Hoe komen we hieruit? We zouden ons om te beginnen kunnen concentreren op producten die relatief weinig schade veroorzaken. Sierteelt neemt weinig ruimte in beslag en stoot nauwelijks stikstof uit. Sierteeltproducten zoals bloemen, kamerplanten, bloembollen en heesters staan in de landbouwexport helemaal bovenaan: ze brengen twaalf miljard euro per jaar op. Groenten, aardappelen en uien leveren zeven miljard per jaar op en stoten ook niet heel veel uit. Melk en kaas zijn goed voor acht miljard aan export, maar melkkoeien veroorzaken meer dan de helft van de stikstofuitstoot van de landbouw. Deskundigen zeggen dat we bijna evenveel zuivel zouden kunnen produceren met een stuk minder koeien en minder uitstoot. Ze willen af van melkveehouderijen op onvruchtbare grond, die relatief weinig produceren en die vooral op de been worden gehouden door EU-subsidies. Maak daar gesubsidieerde natuurboeren van, zeggen zij, dan daalt de stikstofuitstoot en blijft de productie toch op peil.

Of dat zo is kan ik niet beoordelen. Maar wat er ook gebeurt, eten blijft er zat.

Martijn Katan is biochemicus en emeritus hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor bronnen en cijfers zie mkatan.nl.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.