Opinie

Doorbreek de vicieuze cirkel van het institutioneel wantrouwen

Democratische rechtsorde De uitholling van de democratische rechtsorde is overal zichtbaar. Juist nu is een beschermende overheid nodig, schrijft .
Foto David van Dam

Geboren tijdens de Tweede Wereldoorlog ben ik opgegroeid in het besef dat de democratische rechtsorde niet vanzelfsprekend is. Zij is kwetsbaar en behoeft onderhoud. En de laatste veertig jaar is dat onderhoud verwaarloosd. Mijn boodschap is steeds: ‘Pas nu op. Het functioneren van de overheid zelf holt, sluipenderwijze, de democratische rechtsorde uit.’

Dat is geen organisatorisch probleem, voer voor consultants, maar een politiek probleem. Het gaat om waarden. Ministers zijn verantwoordelijk voor het functioneren van hun departement. De Kamer beïnvloedt door haar beslissingen en interventies dat functioneren direct en permanent. ‘Wat niet goed gaat in de ambtelijke dienst begint (meestal) in de politiek.’ De kindertoeslagenaffaire is maar een voorbeeld.

Mijn analyses en aanbevelingen in de afgelopen veertig jaar waren politiek, maar zij waren niet partijpolitiek. Althans dat heb ik geprobeerd. Toch heeft over geen van die analyses en aanbevelingen ooit een politiek inhoudelijk debat plaatsgevonden. Zij pasten niet in het overheersende economisch denken over de overheid en de bewuste depolitisering die daarmee gepaard ging.

Ik heb Kamerleden en ministers niet (tijdig) van mijn boodschap kunnen overtuigen. Een open politiek inhoudelijk debat met argumenten en tegenargumenten, uitgaande van feiten, ook als deze ongemakkelijk zijn, en met in acht nemen van waarden, ook als deze bestaande posities en belangen aantasten, is essentieel in een vertegenwoordigende democratie. Het legitimeert de uiteindelijk gemeenschappelijke conclusie, altijd een compromis.

Depolitisering

Het lijkt erop dat de Kamer zelf niet meer in dat debat gelooft. De suggestie om een bemiddelaar aan te wijzen in het stikstofdossier betekent de depolitisering van een politiek probleem dat is ontstaan door dertig jaar lang het politieke debat over dat probleem te mijden.

Op dit moment worden de door mij gevreesde gevolgen van de uitholling van de democratische rechtsorde op alle terreinen zichtbaar, de betrouwbaarheid van de overheid is ondergraven maar de noodzaak van een beschermende overheid wordt sterker gevoeld.

De meeste zorgen maak ik mij daarom de laatste maanden over het feit dat het kabinet, leidende politici, tot nu toe weinig doen om burgers te doordringen van de ernst van de situatie en hen onvoldoende voorbereidt op fundamentele veranderingen. Er is geen weg terug.

Die zorg leeft breder; ook bij de WRR en de Europese Commissie. Wat is het perspectief? Wat mag de burger van de overheid verwachten? Kan de overheid crises aan? ‘Waar blijft het „Wir schaffen das”?, zeg ik commissaris van de Koning René Paas na. Ook een morele oproep.

Sluipende uitholling

Na veertig jaar economisch denken over de overheid en veertig jaar sluipende uitholling van de democratische rechtsorde, zijn binnen de overheid de inhoudelijke deskundigheid en de capaciteit voor het uitdenken, uitwerken en uitvoeren van de fundamentele veranderingen drastisch afgenomen. De uitvoering is dolgedraaid. De lopende zaken, de ‘crises van de dag’, slurpen alle capaciteit op. Van een doelgericht (ministerieel) beleid gericht op versterking van de inhoudelijke deskundigheid op de departementen is nog geen sprake.

Bij de volksvertegenwoordigers blijft het gewicht van uitvoerbaarheid en uitvoering, het besef dat op de ministeries en in de uitvoerende diensten niet alles tegelijk kan, uiterst gering. Dat moet ook de Eerste Kamer zich aanrekenen. Het maakt de overheid juist nu extra kwetsbaar.

De druk loopt op. De kansen op fouten wordt groter. Voor ‘schuldigen’ wordt, vanuit de Kamer en sterker nog in de ‘social media’, meestal in ambtelijke richting gewezen. De eigen (mede-)verantwoordelijkheid wordt door de Tweede Kamer gebagatelliseerd. Het wantrouwen regeert.

Lees ook de laatste column van de ‘Haagse invloeden’ van Tom-Jan Meeus

Dat demotiveert veel hardwerkende ambtenaren. Zij voelen zich vaak niet meer veilig. Het creatieve denken, dat nu zo nodig is, komt tot stilstand. Het is te riskant. Topambtenaren haken af, teleurgesteld. Het wordt moeilijker binnen de rijksdienst nieuwe DG’s te vinden. Maar buiten de rijksdienst, op de krappe arbeidsmarkt, zijn goede mensen schaars. En dan nog. Zij missen meestal de kennis van de eisen die de democratische rechtsorde stelt. Juist de makke waardoor de afgelopen jaren veel misging. Een vicieuze cirkel die een doelgericht beleid op de langere termijn – een beleid waaraan burgers houvast hebben – belemmert.

Die vicieuze cirkel moet doorbroken worden. Dat kan ook, als het besef weer levend wordt dat politici (ook Kamerleden) en ambtenaren wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. Wederzijdse afhankelijkheid kan niet zonder vertrouwen over en weer. Vertrouwen dat de ander zijn eigen functie kent en competent is om die functie naar behoren uit te oefenen. Anders raakt de overheid geblokkeerd. Wederzijdse afhankelijkheid betekent niet alleen dat als de ene staatsmacht niet goed functioneert de andere in de problemen komt, maar geldt ook omgekeerd. Als de ene goed functioneert en de ander in zijn waarde laat komt dat beide ten goede.

Dit is een bewerking van het dankwoord dat Herman Tjeenk Willink 14 september uitsprak bij de aanvaarding van de PrinsjesPrijs 2022.