Opinie

De verrommeling van het land is een keuze

Samenleving Geloof in maakbaarheid heeft plaatsgemaakt voor geloof in complexiteit. Dat verlamt de toekomst van dit land, aldus .

Illustratie Lynne Brouwer

Waarom eindigen we met een hotel in Tubbergen? En hoe kan het dat de opvang van asielzoekers overloopt in bestuurlijke dwang? Die uitkomst is voor niemand goed: niet voor vluchtelingen die zich onveilig voelen in zo’n omgeving, en niet voor bewoners die merken dat over hun hoofden wordt besloten en vervolgens met omgekeerde vlaggen de buitenwereld op afstand willen houden.

Hier zijn oorzaak en gevolg nu eens niet moeilijk te herkennen, al lijkt in de wirwar van debat en beleid iedereen zo langzamerhand het overzicht kwijt. Dan horen we: dit is zo’n moeilijke kwestie, er zijn geen gemakkelijke oplossingen. Maar het gaat om chaos die voorkomen had kunnen worden. En de asielkwestie staat niet op zichzelf.

Het is eenvoudig: volgend jaar zal de Nederlandse bevolking sinds 2000 met zo’n twee miljoen mensen zijn gegroeid, een groei die de laatste tien jaar vooral aan migratie is toe te schrijven. Kijken we naar het gemiddelde migratiesaldo (immigratie minus emigratie) sinds 2000, dan zien we dat in de jaren nul het jaarlijkse saldo 11.000 was – dat was verhoudingsgewijs laag – en in de jaren tien 65.000. De laatste vijf jaar is dat gestegen naar 80 tot 110.000, met uitzondering van coronajaar 2020.

Daarbij gaat het om arbeidsmigratie, studiemigratie, gezinsmigratie en asiel. Kortom, de trend is verdere bevolkingsgroei, sneller dan werd verwacht. We kunnen die cijfers relativeren, toch is het migratiesaldo dit jaar hoger dan in enig ander jaar na 1945: in de eerste zeven maanden 131 duizend. Die toename is vooral toe te schrijven aan de komst van vluchtelingen uit Oekraïne, die een andere juridische status hebben dan asielzoekers.

De regering voelt zich overvraagd, maar de problemen zijn van eigen makelij. De woningbouw hinkt immers al jarenlang achter de bevolkingsgroei aan. Die nalatigheid heeft bijgedragen aan een tekort van meer dan 350.000 woningen. En dus stromen statushouders niet door naar reguliere huisvesting. Met als resultaat dat mensen in treurige omstandigheden worden opgevangen en er niets anders lijkt over te blijven dan bestuurlijke dwang.

In beleidskringen wordt dat omschreven als een complexe werkelijkheid. En natuurlijk is de wereld complex, maar iets zegt me dat de wereld eigenlijk altijd al ingewikkeld was. Lees de mooie biografieën van Erasmus en Willem van Oranje die vorig jaar verschenen. Dat waren verwarrende tijden waarin kerkscheuring, oorlog en armoede voor ontwrichting van het dagelijks leven zorgden.

Laten we het perspectief eens kantelen: misschien is deze tijd wel minder ingewikkeld dan we denken. Of beter nog, misschien is veel van de complexiteit veroorzaakt door politici en beleidsmakers die de mantra zingen van een wereld waarin een opeenstapeling van internationale crises het nieuwe normaal is.

Let er straks maar eens op bij de debatten op Prinsjesdag: de parlementaire lucht zal weer zwanger zijn van de ‘complexiteit’. Er zou een ideeëngeschiedenis te maken zijn van het gebruik van dat begrip. Maar ook zonder dat kan de opkomst van de complexiteit in verband worden gebracht met de neergang van de maakbaarheid. Sturing door overheden werd meer en meer gezien als hoogmoed.

Nieuw liberaal zelfbewustzijn

Het omslagpunt moet ergens in de jaren tachtig zijn geweest – de jaren waarin een nieuw liberaal zelfbewustzijn zich breed maakte. Weinigen gingen zo ver als de president die zei dat de overheid het probleem was en niet de oplossing, maar zijn woorden resoneerden wel. En hetzelfde gold voor de premier die zei „there is no such thing as society”. Dat klonk bruut, maar haar idee dat mensen niet de samenleving de schuld moesten geven van hun problemen vatte de tijdgeest wel samen.

Het waren niet toevallig ook de jaren waarin de ontgrenzing van de wereld een hoge vlucht nam. Met de opening van China, India, Rusland en Brazilië in de jaren tachtig en negentig ontstond een wereldomspannende markt van goederen, mensen, kapitaal en informatie. En met de toenemende vervlechting over grenzen heen moest het sturende vermogen van overheden vooral niet worden overschat.

Zo droeg de globalisering bij aan het idee dat de overheid beter kon terugtreden om de markt alle ruimte te geven. Met als gelukkige bijkomstigheid dat toenemende onderlinge afhankelijkheid als vanzelf zou bijdragen aan meer vreedzame verhoudingen in de wereld. Want wat was er irrationeler dan oorlog wanneer je door handel, communicatie en mobiliteit zoveel gedeelde belangen hebt?

Lees ook: Europa verwerkt dit jaar veel asielaanvragen, Nederland rond het gemiddelde

Naïef geloof

Dat naïeve geloof in de vredestichtende werking van globalisering heeft onder meer de Duitse regering ertoe aangezet om een grote afhankelijkheid van Rusland na te streven. Hetzelfde is gebeurd met China: grote economische verwevenheid zou dat land op het spoor van verantwoordelijkheid en liberalisering zetten. We weten hoe het is gelopen.

Het was in de beginjaren van deze nieuwe globalisering dat met de neergang van het geloof in maakbaarheid een ander geloof opkwam, het geloof in complexiteit. Natuurlijk bestond dat denken al eerder – het heeft een respectabele achtergrond in de systeemtheorie – maar het gebruik ervan heeft in bestuurlijke kring de afgelopen decennia een steeds hogere vlucht genomen.

Dat begrip is in veel opzichten een vluchtheuvel voor degenen in het openbaar bestuur die vooral bezig zijn met crisismanagement en de boel bij elkaar houden. Ik ben wel de laatste om te denken dat zulke zaken niet wezenlijk zijn voor politici en bestuurders. Ze hollen immers van het ene naar het andere brandje. En het is niet moeilijk om toekomstbeelden op te roepen van klimaatverandering, pandemieën, uitdijende oorlogen en vluchtelingenstromen.

De regeerperiode van Mark Rutte als premier van het meest geglobaliseerde land ter wereld is gemarkeerd door grote internationale gebeurtenissen: de kredietcrisis, de vluchtelingencrisis, de coronapandemie, de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis. Met weinig binnenland hebben we nu eenmaal erg veel buitenland en dus zijn improvisatie en aanpassing aan de orde van de dag.

Er bestaat niet echt een idee en daarom slaat iedereen aan het improviseren

Toch is dat niet meer dan de halve waarheid. De geschiedenis van ons land leert dat aanpassingsvermogen altijd hand in hand ging met een sterk ordeningsstreven. Onderzoek in de westerse wereld laat zien dat open economieën tamelijk omvangrijke overheden hebben voortgebracht. De reden is eenvoudig: een samenleving die zich niet beschermd weet tegen de schokken die openheid met zich meebrengt, zal zich gaan afsluiten.

Daarom heeft dertig jaar ontkenning van maakbaarheid nogal afbreuk gedaan aan de weerbaarheid van democratieën. Want het is wel zeker dat wanneer liberalen niet langer geloven in maakbaarheid meer autoritaire stemmen er mee aan de haal gaan. Dan eindigen we met een president die als motto heeft: „I am going to build a wall. It’s going to be a great wall.”

Wanneer in het politieke en bestuurlijke midden geen bewuste vormgeving meer tot stand komt – een knieval voor complexiteit maakt dat immers onmogelijk – dan gedijen de ruwe stemmen die goedschiks of kwaadschiks hun eenvoud achter muren willen doorduwen. Waar het midden verpietert zal de behoefte aan richting de vorm aannemen van populisme.

Zo heeft de neergang van de maakbaarheid bijgedragen aan toenemende complexiteit. Een overdreven geloof in de onzichtbare hand van de markt leidt ertoe dat veel zaken nu vastlopen. Kijk maar naar het tekort aan woningen of de stikstofcrisis. Allemaal problemen die veroorzaakt zijn door overheden die de regie uit handen geven en geen oriëntatie bieden aan burgers.

Geen richtinggevende ideeën

Die houding wordt overigens breed gedeeld: wie denkt dat een kabinetscrisis ons verder gaat helpen, moet eens goed naar de versplinterende oppositie kijken. Daar komen ook geen richtinggevende ideeën vandaan. Vandaar het pessimisme dat je overal tegenkomt: het geloof in parlement en regering is momenteel niet groot.

In politiek en bestuur wint het proces het al te vaak van de inhoud. Dat wordt wel gezien: er moet toch iets zijn voorbij het crisismanagement, voorbij het regeren dat tot reageren is verworden? Want in een tijd die zo in beweging is bestaat onmiskenbaar behoefte aan richting, ook al weten we dat in een democratie ideeën over de toekomst altijd in meervoud worden geschreven.

We kunnen inspiratie putten uit een traditie van ruimtelijke ordening in ons land – een traditie die de laatste decennia is verwaarloosd. In zijn essay over de toekomst van Nederland ziet de vorige Rijksbouwmeester, Floris Alkemade, nieuwe mogelijkheden: „Onze tijd biedt een even urgente als unieke kans om van richting te veranderen. Daarvoor zal de blik niet alleen op de wereld gericht moeten zijn, maar ook op onszelf. Wie willen we eigenlijk zijn?”

Alkemade dringt aan op een gesprek over de inrichting van Nederland. Nu wordt dagelijks 8,2 hectare open ruimte zonder veel regie volgebouwd met woningen, wegen, zonneparken of opslagloodsen: „Iedere dag een gebied zo groot als een strook van een kilometer lang bij 82 meter breed.” Wie door het land reist ziet het gebeuren. Hij is lang niet de enige die zich zorgen maakt over deze zelf veroorzaakte verrommeling, die de stand van het land aardig samenvat.

Gematigde of juist snellere groei

Dat raakt aan de omgang met bevolkingsgroei. We hebben geen doordachte beelden bij gematigde of juist snellere groei – wat levert op langere termijn betere uitkomsten op? Aan die vraag komen we nooit toe, want lang was de overheersende gedachte dat zulke ontwikkelingen niet te beïnvloeden zijn. Dat is aan het veranderen.

Het gesprek over de bevolkingsgroei gaat over de gevolgen voor de arbeidsmarkt, de huisvesting, ruimtelijke ordening, en over nog veel meer. Al die afwegingen helpen bij het nadenken over de toekomst van het land. En zoals altijd gaat het daarbij om de mensen achter de cijfers én om de cijfers achter de mensen.

Een voorbeeld. Tussen het lage en hoge migratiescenario in de studie Bevolking 2050 in beeld zit een verschil van drie miljoen mensen: 17,6 versus 20,6 miljoen. In dat laatste scenario komen er tot midden van deze eeuw 1,9 miljoen huishoudens bij. En al die mensen moeten ergens wonen. Het is werkelijk geen hogere wiskunde.

Misschien is de slotsom dat zo’n ruime bevolkingsgroei een wenkend perspectief is. Dan moet duidelijk zijn hoe en waar zoveel kan worden gebouwd. Gaan we nieuwe steden uit de grond stampen? Of vooral bestaande steden verdichten en uitbreiden? Hoe zit het met de wegen en het spoor, met het onderwijs en andere publieke voorzieningen? Er bestaat niet echt een idee en daarom slaat iedereen aan het improviseren.

Ondoordachte verengelsing van het onderwijs

We zien die ontwikkeling in het klein op de universiteiten die na een paar decennia ondoordachte internationalisering (lees verengelsing van het onderwijs) het even niet meer weten. Niet alleen staat de kwaliteit van het onderwijs onder druk, ook loopt de huisvesting van al die internationale studenten vast. Na jarenlang een ondoordacht verdienmodel te hebben gevolgd, klinkt nu ineens de roep om quota.

In mijn hoopvolle momenten zie ik mensen met heel verschillende disciplines rond de kaart van Nederland zitten. Ze praten over de wenselijke en over de mogelijke ontwikkeling van het land. Niet geleid door controle en kramp, maar juist door vormgeving en verbeelding. Ze laten zich inspireren door Alkemade: „Een goed ontworpen beeld kan een onweerstaanbaar verlangen naar verandering oproepen.”

En zie, langzaam keert het tij: de terugkeer van een ministerie van ruimtelijke ordening is een begin. Voorzichtig wordt weer gesproken over regie en maakbaarheid. De woelingen van de afgelopen jaren, de kredietcrisis en de coronapandemie voorop, leren dat juist in zulke omstandigheden een beroep wordt gedaan op overheden – of dat nu lokale, nationale of Europese overheden zijn.

De omgang met het klimaatvraagstuk laat zien dat het kan. Een gevoel van urgentie leidt ertoe dat een richting is gekozen. Heldere normen over uitstoot worden geformuleerd. Dan komt de polder in beweging en blijken veranderingen mogelijk die niet smoren in een alom beleden complexiteit. We kunnen in het denken over sociale duurzaamheid wel iets leren van deze omgang met ecologische duurzaamheid.

Een begin zou zijn om het woord complexiteit een tijd uit beleidsnota’s te verbannen. Ik ben ervan overtuigd dat het gebruik ervan niet bijdraagt aan een antwoord op de vraag: hoe willen we dat ons land zich in de komende twintig jaar ontwikkelt? Laten we onder woorden brengen wat we willen, dan pas weten we hoe groot de afstand is tussen wat we willen en wat we kunnen. Een bijkomend voordeel: dan eindigen we niet in Tubbergen.