Opinie

Ook in het koninkrijk van de Spaanse schrijver Javier Marías hangt de vlag halfstok

Michel Krielaars

Als een groot schrijver sterft zou de vlag halfstok moeten hangen en het hele land zich in rouw moeten hullen, zoals nu bij de Britse koningin gebeurt. Maar waar Elizabeth II binnenkort hoogstens nog stof levert voor een biografie, leeft een dode schrijver voort in de hoofden van zijn lezers. Soms schiet hun bijvoorbeeld een mooie zin te binnen of zelfs een hele passage. Zo ken ik iemand die al zijn hele leven Tolstojs Oorlog en vrede herleest en alle andere literatuur aan zich voorbij laat gaan, omdat hij aan dat ene boek genoeg heeft. Je kunt geen gesprek met hem voeren of er komt een citaat van Tolstoj voorbij waarmee hij iemands gedrag of een politieke situatie typeert. Een hoger postuum eerbetoon kun je een schrijver niet bewijzen.

Zelf ben ik geen pathologische herhaallezer, maar werk ik het liefst het oeuvre af van schrijvers die ik goed vind, zoals Saul Bellow, Philip Roth, Graham Greene, John Cheever, Tsjechov en Toergenjev, Flaubert en Stendhal, Nabokov, Fontane en Thomas Mann, Orhan Pamuk, Mercè Rodoreda, Machado de Assis, Natalia Ginzburg, Svetlana Aleksijevitsj en A. Alberts.

Met de dood van de Spaanse schrijver Javier Marías, zondag, is daar een nieuw oeuvre bijgekomen, met als bonus zijn laatste roman Tomas Nevinson, die volgende week in vertaling verschijnt en die ik zal lezen alsof ik voor het laatst iemands geur kan ruiken en stem kan horen.

Ik ontdekte Marías in een boekhandel, waar zijn Een hart zo blank (1993) werd verramsjt, ondanks de lovende recensies die deze roman had gekregen. Vanaf de eerste lange, meanderende zin, het begin van een zoektocht naar het verborgen verleden van de vader van de verteller, had hij me in zijn greep. Geleidelijk aan ontdekte ik dat Marías in zijn boeken vaak teruggrijpt op de groten uit de wereldliteratuur, zoals Lawrence Sterne, Flaubert, Nabokov, Henry James en William Faulkner, die hij soms ook heeft vertaald. Niet voor niets zijn de vertellers in zijn boeken vaak vertalers of tolken, die in mysterieuze spionage- of thrillerachtige situaties belanden, waarin ieder woord ertoe doet en het verleden bijna altijd schuldig is. Het gaat bij hem duidelijk om het luisteren en interpreteren, om woorden die je misschien hebt gemist, die helemaal niet bestaan of zijn gezegd. En precies dat geeft zijn boeken die fascinerende spanning.

Ook iemand als Salman Rushdie, van wie onlangs Taal van de waarheid. Essays 2003-2020 in vertaling verscheen, heeft zijn grote voorbeelden, zoals Italo Calvino, Günter Grass, Michail Boelgakov en Isaac Bashevis Singer. Hun invloeden kom je alleen al in zijn roman Middernachtskinderen alom tegen.

Rushdie bewondert ook Philip Roth, over wie hij in 2018 een lezing hield, die in die essaybundel staat. Beide schrijvers zijn verketterd vanwege hun boeken. Kreeg Rushdie dertig jaar gelden een fatwa van ayatollah Khomeiny op zijn dak, die hem onlangs nog bijna het leven kostte, Roth moest het doen met een beschuldiging van antisemitisme door Amerikaanse Joden.

Ook Marías haalde zich de woede van enkele lezers op de hals, toen die zich in zijn Oxford-roman Allerzielen herkenden. In zijn Madrileense literaire universum zal hij er zijn schouders over hebben opgehaald. Dat literaire universum bestreek sinds 1997 ook het onbewoonde Caribische eiland Redunda, een fictief koninkrijk, waar hij door zijn vrienden tot vorst werd uitgeroepen. Daar hangt nu de vlag halfstok.