Recensie

Recensie Boeken

Deze schrijfster begint haar autobiografische roman met haar eigen onthoofding

Susan Taubes Autobiografie is in de handen van deze herontdekte auteur een koortsdroomachtige mix van venijnig, associatief en filosofisch proza. Door dat ruwe materiaal heen klinkt een verhaal van ontheemding: in een land, in een relatie en in jezelf.

Susan Taubes en haar gezin.
Susan Taubes en haar gezin. Foto collectie Ethan en Tania Taubes

‘Ik overleed op een dinsdagmiddag, overreden door een auto terwijl ik Avenue George V overstak.’ De autobiografische roman Scheiden van Susan Taubes (1928-1969) vangt aan met dit tragische einde, op nuchtere toon beschreven: het regende hard, de hoofdpersoon kwam net bij de kapper vandaan, rende op een taxi af en wordt geschept, met desastreus gevolg: ze wordt onthoofd. Die sensatie, gescheiden raken van de eigen romp, weet de ik-persoon vervolgens bloemrijk te beschrijven: ‘Hoe […] de duizenden biljoenen cellen die opeens bevrijd waren juichend uiteenstoven, vooruit stuwden, zich naar de zeven poorten van Parijs spoedden, door Porte de Clichy, Porte de la Chapelle, Porte d’Orléans, Porte de Versailles; hoe de vingers aan mijn uitgestrekte armen de bossen van Boulogne en Vincennes indoken.’

Koortsdroom

Het is gek, zo’n nuchtere beschrijving gevolgd door een poëtische passage op één pagina, maar het zegt ook veel over de schrijfstijl van Taubes. De Hongaars-Amerikaanse filosoof en schrijfster, die in haar leven één roman publiceerde en na het verschijnen daarvan zichzelf verdronk, kan niet alleen gruwelijke gedachten en gebeurtenissen nuchter beschrijven, haar teksten zijn tevens reflecterend, associatief, filosofisch maar soms ook ronduit vaag. En dat maakt het lezen van Scheiden, de herontdekte autobiografische roman uit 1969 die nu in vertaling uit is, niet tot een onverdeeld genoegen.

De eerste helft van het boek vertelt op fragmentarisch wijze het verhaal van Sophie Blind die, gevlucht uit Hongarije vlak voor de Tweede Wereldoorlog, in Amerika trouwt met de zelfzuchtige academicus Ezra Blind. Terwijl Sophie de zorg draagt voor drie kinderen, komt ze erachter dat haar echtgenoot affaires heeft, emotioneel verknipt is en een kinderlijke afhankelijkheid vertoont. Hun afspraak tot ‘vrije liefde’ over te gaan werkt niet, maar als ze wil scheiden, weigert hij. In koortsdroomachtige passages, geschreven vanuit de eerste of derde persoon, beschrijft Sophie haar eigen dood, autopsie en begrafenis en lezen we over haar minnaars, haar gevoelens van beklemming en verlangens, haar angsten en liefde voor de kinderen met wie ze uiteindelijk naar Parijs verhuist.

Aandachtverslaafde moeder

Susan Taubes. Foto collectie Ethan en Tania Taubes

Heel anders van stijl is het tweede deel van deze grotendeels autobiografische roman waarin Taubes (geboren in 1928 als Judith Zsuzsánna Feldmann en kleindochter van de opperrabbijn van Boedapest) op een lineaire, rechttoe-rechtaan wijze haar eigen verleden beschrijft. Hoe ze op elfjarige leeftijd in 1939 met haar Joodse vader, een atheïstische psychoanalyticus, Hongarije verlaat op de vlucht voor de nazi’s. En hoe haar moeder, een aandachtverslaafde vrouw, achterblijft en met een jongere man trouwt. Het is in dit deel dat duidelijk wordt hoe het komt dat Sophie, opgroeiend met twee verknipte ouders en al zo vroeg gescheiden van haar moeder en vaderland, zich laat verleiden tot een huwelijk met de Joodse Ezra Blind (filosoof en godsdienstgeleerde Jacob Taubes) in de hoop dat dit traditionele huwelijk haar houvast zal bieden. Niets blijkt echter minder waar, zoals ook duidelijk wordt in een aantal bizarre passages waarin Sophie, in de vorm van een toneelstuk, voor de scheiding van haar man voor een Joods tribunaal wordt gesleept. Daar biecht Ezra op dat hij zijn vrouw een huwelijk onder valse voorwendselen heeft aangepraat. ‘Ik beloofde haar een orthodox-Joodse bruiloft met violisten en dans en de ceremonie van de bruid die zevenmaal om de bruidegom heenloopt […] Maar ik heb het niet kunnen waarmaken in dit tijdperk van ambiguïteit en tanende godsdienstigheid.’ Het is tijdens datzelfde tribunaal dat Sophie, fulminerend en met haar kont in de lucht wiebelend, vanuit haar doodskist de rabbijnen vol Freudiaans venijn de huid vol scheldt. ‘Toe maar, stelletje fossielen, veroordeel me maar voor het eten van gefrituurde inktvis, pijpen, voor dierenverering. Ik heb de mezoeza aangeraakt terwijl ik menstrueerde, schrijf dat maar op. [...] Ik beveel alle Joodse vrouwen aan sperma te drinken, puur of vermengd met runderbloed. Voer me nu maar aan de honden zoals u gewoonlijk doet.’

Bewust of rommelig?

Lees ook het interview met schrijfster Claire-Louise Bennett: ‘Ik heb een vreselijk voorgevoel dat ik de potentie heb om knettergek te worden’

Ja, duidelijker kan iemand zich niet afzetten en het is bewonderenswaardig hoe Taubes haar venijn zo ongefilterd – soms zelfs grappig – weet op te schrijven. En toch komt dit boek vooral over als een ongepolijst dagboek. Of, nog beter, het lijkt net of Taubes vanaf de bank de psychiater toespreekt met al haar associaties, onderdrukte gevoelens en ongefilterde ideeën. Die directheid, afgewisseld met soms, poëtische, dromerige fragmenten (‘Wat een hoogmoed om te verwachten in dit leven helemaal wakker te zijn’) zou van dit boek, zoals voormalig uitgever Oscar van Gelderen in het nawoord schrijft, ‘een truffel’ of ‘parel’ maken: een herontdekt meesterwerk. Hij noemt het lezen van Scheiden dan ook een ‘verbluffende leeservaring’. Dat zou het kunnen zijn, voor wie deze eclectische schrijfstijl opvat als een bewust opgezette postmoderne, eigenzinnige uitingsvorm. Toch is de opzet van het boek daar te rommelig voor en had een goede eindredacteur verleden, droom en de werkelijkheid meer tot een eenheid kunnen smeden. Niet dat een roman zo’n aanpak altijd vereist, maar in het geval van Taubes hadden al die gevoelige, bizarre en soms ontroerende passages daardoor meer tot hun recht kunnen komen. Want hoe sterk was het wel niet geweest als Taubes haar hele boek had geschreven vanuit het perspectief van een dode?

Scheiding en ontheemding

Toch spreekt uit al dat ruwe materiaal ook een kernachtige boodschap. Uiteindelijk zoekt Sophie, opgesloten in een misogyne wereld, de vrijheid. En die vrijheid schuilt niet zozeer in een verlangen naar losbandigheid of vrije seks, maar komt eerder tot uiting in de onuitgesproken behoefte aan een overzichtelijker bestaan. De titel verwijst immers niet alleen naar de scheiding van haar ouders of haar eigen scheiding. Het slaat ook terug op het kind dat uit haar moederland is weggerukt, is afgesneden van haar eigen moeder en van een traditionele joodse opvoeding, en wier leven op meedogenloze Freudiaanse wijze stelselmatig is stukgeanalyseerd. Daarmee vertelt Taubes een verhaal over ontheemding en over hoe je op vele niveaus niet thuis kunt zijn: niet in een land, niet met anderen, niet in je eigen wezen.

Dat laatste maakt ze duidelijk in de laatste passage van haar boek waarin ze beschrijft hoe het voor Sophie onmogelijk is om te schrijven over dat andere leven in Boedapest. ‘Sophie Blind, die nu in New York was, kon teruggaan. Het kind kan dat niet, dat is nooit weggegaan. Er is altijd een deel dat blijft, doorzet, gevangen in het moment, en een ander deel dat ontsnapt.’ Wat achterblijft na het lezen van dit boek is het besef hoe makkelijk een mens in stukken uiteen kan vallen, om daarna nooit meer te helen. Dat maakt dit boek, zeker gezien Taubes’ vroegtijdige dood, tot een verdrietige schreeuw in de leegte.