Opinie

Waarom de social design van Studio Drift hypocriet is

Wereldkunst #31 Met hun kitscherige social design hollen studio’s als Drift en Roosegaarde de beeldende kunst uit. Door hun werk aan te kopen, dragen instellingen als het Stedelijk bij aan de popularisering ervan.

Zaalopname Studio Drift: Coded Nature (2018), Stedelijk Museum Amsterdam.
Zaalopname Studio Drift: Coded Nature (2018), Stedelijk Museum Amsterdam. Collectie Studio Drift, Amsterdam

Hé, een mailtje van uitgeverij Phaidon. Ze hadden goed nieuws: ik kon nu al intekenen op het binnenkort te verschijnen nieuwe, ambitieuze, eerste boek van het designduo Studio Drift, Choreographing the Future. Phaidon, een van de grootste kunstboekenuitgevers ter wereld, is er trots op: „Over the course of more than a decade, DRIFT’s immersive, encompassing, and often site-specific projects have been exhibited all over the world, offering a meditative and poetic experience and addressing themes such as the relationship between the individual and the collective and the impact of technology on our society.” Ineens was ik er klaar mee.

Toegegeven, ik heb al lang moeite met het werk van Studio Drift. Het is namelijk kitsch: Drift, bestaand uit Lonneke Gordijn en Ralph Nauta, grossiert in lege, betekenisloze gestes, die de suggestie geven van diepte, maar draaien om simpele sensaties. Neem hun zwevende ‘betonblok’ (dat geen betonblok is, huhuh), hun drone-formaties die specifieke patronen vormen in de duisternis (een hart!) of hun lampen, omringd met paardenbloempluisjes: Drifts werk bestaat uit grapjes, effectjes, trucjes. Goochelkunst. Dat ís al erg, maar het wordt nog erger doordat het Drift-duo hun werk steevast rechtvaardigt met ronkende, semi-geëngageerde teksten en filmpjes waarin voortdurend woorden vallen als urgent, actueel, ecologie en maatschappij. Alleen zie je dat engagement niet: elke serieuze maatschappelijke betrokkenheid staat mijlenver af van Drifts plooiende, zalvende beelden die louter lijken te worden gemaakt om een zo groot mogelijke consumerende massa te plezieren. Hipsterkitsch, dat is Drift – ‘choreographing the future’: choreographing je ego en je bankrekening, that is.

Toevallig was er enkele weken eerder ook al een persbericht over Drift binnengekomen. Dit keer van het Stedelijk Museum in Amsterdam, dat blij meldde dat het museum drie werken had verworven uit Drifts Materialism-serie, waaronder ‘Volkswagen Beetle 1980’. Materialism („een doorlopend onderzoeksproject”) heeft een helder concept: Drift neemt een object, een Spa-fles, een Rolex-horloge, een Volkswagen Kever, en haalt dat uit elkaar om te analyseren uit welke materialen het bestaat, en in welke hoeveelheden. Die materialen legt Drift vervolgens bij elkaar in strak geperste blokken, waarbij het formaat van elk blok de hoeveelheid gebruikt materiaal aangeeft om, in zalvende Drift-taal, „op poëtische wijze aandacht te vragen voor de impact van de mens op onze omgeving”.

Toen ik dit las, herkende ik het idee meteen: Drifts deconstructieconcept lijkt namelijk héél veel op een serie werken die de Spaanse, in Nederland wonende kunstenaar Lara Almarcegui vanaf 2013 maakte, onder andere in het Spaanse Paviljoen op de Biënnale van Venetië. Almarcegui berekende daarvoor nauwkeurig uit welke materialen het paviljoen was opgetrokken, en hoeveel van elk. Vervolgens liet ze die materialen, in ruwe vorm, in grote bergen in datzelfde paviljoen storten. Dat was geweldig: als toeschouwer stond je in een gebouw, met datzelfde gebouw in ruw materiaal aan je voeten. Daardoor begon je meteen te fantaseren over de manier waarop ruw materiaal tot bouwmateriaal werd getransformeerd, hoe een gebouw eigenlijk „werkt” en welke processen er plaatsvinden tussen grondstoffen en afgerond gebouw.

Lees ook deze recensie over de expositie in het Stedelijk waar ‘Materialism’ onderdeel van was: Tachtig suggesties voor een betere wereld

Tegelijk is Almarcegui’s werk als kunstwerk behoorlijk weerbarstig – haar idee is voorbehouden aan grote, lege ruimtes als musea, en omdat het telkens maar op één gebouw van toepassing is, moeten alle berekeningen elke keer opnieuw worden uitgevoerd, waardoor het moeilijk te herhalen is, en lastig te verkopen. En laat nu exact dát het belangrijkste verschil zijn met Drifts Materialism: door hetzelfde proces toe te passen op consumptiegoederen, en de materialen in blokken te persen, maakt Drift de deconstructie hanteerbaar en verkoopbaar.

En Drift waakt ervoor het allemaal niet ingewikkeld te maken. Anders dan Almarcegui noemen ze bijvoorbeeld niet de exacte hoeveelheden materiaal en leggen ze ook geen verantwoording af over het werkproces. Uit welke hoeveelheden materiaal bestaat de Kever precies? Vormt die (opvallend kleine) stapel kubussen exact de Kever? Hoe zit het met zaken als materiaaldichtheid? Door die vaagheid blijft er van het „aandacht vragen voor de menselijke impact” weinig over, en doordat Drift het in hun glimgeilheid niet kan laten de blokken helemaal suf te polijsten denk je geen seconde aan extractieprocessen, milieuschade of bouw, maar ben je louter aan het puzzelen welk aaibaar of glanzend blok welk materiaal representeert. Wél heeft Drift de tijd om in de begeleidende tekst op hun website een kokette link te leggen naar het werk van abstracte kunstenaars als Hilma af Klint en Piet Mondriaan en te suggereren dat Materialism zich op hetzelfde platoonse niveau afspeelt als het werk van deze twee grootheden.

Inderdaad, dat maakt me pissig.

Lees ook dit interview: Met Studio Drift dromen van zwevende blokken beton

Daan Roosegaarde

Want het gaat hier niet alleen om Studio Drift. In het proces rond Materialism zien we namelijk een perfecte echo van het werkproces van die andere Nederlandse kunstenaar/designer die zo virtuoos balanceert op de grens van kunst en design en op die van originaliteit en ontlening: Daan Roosegaarde. Net als Drift heeft hij een hele carrière gebouwd op een combinatie van glimkitsch en lampjeskunst (heeft iemand er wel eens over nagedacht hoe volstrekt ridicuul een ‘Van Gogh-fietspad’ is?) en een ‘inspiratie-praktijk’ die je nu ook bij Drifts Materialism ziet.

Collectie Studio Drift, Amsterdam

Roosegaardes Liquid Landscape: Zoro Feigl. Zijn horizonnen bij het DWDD-pop up museum: Ger van Elk. Smoke Tower: wetenschapper Bob Ursem. En jawel, op 25 september aanstaande vindt in Leiden Roosegaardes nieuwe project Seeing Stars plaats waarbij hij (in samenwerking met Unesco!) zoveel mogelijk mensen en bedrijven in de stad wil aansporen ’s nachts hun lichten te doven – een concept dat onder andere onder de naam ‘Nacht van de nacht’ al jaren bestaat. Roosegaarde ontkent zulke ‘inspiratie’ steevast, wijt het elke keer weer aan toeval of synchroniciteit, monkelt wat over hoge bomen en maaivelden. Maar het blijft ook opvallend dat zowel Drift als Roosegaarde steevast roepen dat ze enorm veel research doen, maar er daarbij telkens nét in slagen dat ene werk dat heel veel op het hunne lijkt over het hoofd te zien.

Toch is er iets anders waarover kunstliefhebbers zich meer zorgen zouden moeten maken – of beter: wat pissiger over zouden mogen worden. De Drifts en de Roosegaardes van deze wereld hollen namelijk de beeldende kunst uit. Cruciaal voor hun praktijk is dat ze handig gebruik maken van het conceptuele gedachtegoed, in die zin dat „het verhaal achter het werk” een belangrijke aanvulling én uitbreiding is op het fysieke werk.

Collectie Studio Drift, Amsterdam

Daar is niks mis mee, de beste kunstenaars doen hetzelfde, maar daarbij is het altijd belangrijk dat er een duidelijk verband bestaat tussen de vorm van het werk en de pretenties die in het achterliggende concept worden gesuggereerd. Hoe verhouden concept en beeld zich tot elkaar? Hoe wordt een eventuele kloof tussen beide verklaard? Dat gaat ook in de beeldende kunst regelmatig mis, maar daar komt meestal doordat het concept (tot ergernis van velen) zo belangrijk wordt gevonden (ellenlange tekstbordjes) dat het fysieke werk er nogal bekaaid vanaf komt (en het werk tegelijk commercieel nauwelijks aantrekkelijk is).

Drift en Roosegaarde werken omgekeerd: zij gebruiken dampende concepten om hun lege, gelikte Efteling-trucjes tot ‘kunst’ op te tillen. Dat kunnen ze doen omdat ze feilloos doorglippen tussen de mazen van kunst en design, én omdat zowel de design- als de kunstwereld hen niet serieus durven aanpakken: beide werelden lijken te denken dat het volgens de ander wel goed zit.

Zwevende lichtjes

Dat dit gebeurt mag, onder andere, het Stedelijk zich aantrekken. Musea zijn bij uitstek de instituten die beide werelden zouden moeten overzien én scherp moeten houden. Dat lukt niet helemaal: terwijl, bijvoorbeeld, de autonome afdeling van het Stedelijk de laatste jaren nadrukkelijk een consumptie-kritische, geëngageerde houding ten opzichte van kunst promoot, haalt de design-afdeling van hetzelfde museum vrolijk Drift en Roosegaarde naar binnen die met hun fake-engagement glimmende consumenten-kitsch naar binnen schuiven – en die, erger, hun erkenning door het Stedelijk, baken van inhoud en betrokkenheid, gebruiken om hele reeksen prestigieuze opdrachtgevers van hun betekenis te overtuigen. Waardoor het Stedelijk wezenlijk bijdraagt aan de verspreiding en popularisering van dit soort werk. Dat voelt ook als zwichten voor gemakzucht: juist musea zouden de plaats moeten zijn waar ‘moeilijke’ kunst als die van bijvoorbeeld Almarcegui een plek krijgt, en niet de platte, hapklare brokken van Drift.

Toch is de hypocrisie van Drift het ergste. Terwijl de wereld in rampen en ontij is gehuld – klimaatverandering, bosbranden – gebruikt Studio Drift de ondergang van de wereld om zwevende lichtjes en gladgepolijste blokkendozen mee aan de man te brengen. Serieuze kunstinstellingen en grote opdrachtgevers die daarin meegaan, geven eigenlijk aan dat zulke humbug oké is, dat je daar in de kunstwereld prima mee weg komt, dat uiterlijk en verkooppraatjes belangrijker zijn dan inhoud. Die kant moeten we niet op willen.