‘Maar je draagt wel leren schoenen!’ - we zijn héél goed in elkaar de maat nemen over het klimaat

Klimaathypocrisie Anderen de maat nemen over hun niet-duurzame gedrag: daar zijn we goed in. Erkennen dat we zelf ook geen Greta Thunberg zijn: lukt minder. „We geven onszelf morele redenen waarom wíj iets wel mogen doen.”

Foto Thomas Nondh Jansen

Toen we vorig jaar rond deze tijd waren aanbeland bij coronapersconferentie nummer zoveel, kwam bij mij een prangende vraag op: is het niet ook tijd voor klimaatpersconferenties? De straten van Limburg stonden blank, wat leidde tot forse schade, net over de grens in België en Duitsland vielen meer dan tweehonderd doden door noodweer. Moeten overheden, het bedrijfsleven en consumenten niet nog harder herhaaldelijk worden wakker geschud?

Een maand later viel er een uitnodiging voor een informatieavond op mijn deurmat: de buurt zou worden bijgepraat over de potentiële bouw van metershoge windmolens. Ik, vrezend voor slagschaduw, geluidsoverlast en waardevermindering van mijn net aangekochte woning, was direct fel tegen. Enkele dagen na die primaire reactie kwam er een ander gevoel bij: schaamte. Om mijn letterlijke ‘not in my backyard’-houding – afgekort als NIMBY.

Ik maakte mezelf schuldig aan klimaathypocrisie, een begrip dat volgens taalblog de Taalbank in 2010 zijn intrede deed in de Nederlandstalige media en onder andere wordt gebruikt voor een „klimaatactivist die anderen oproept klimaatmaatregelen te treffen maar zelf intussen gedrag vertoont dat klimaatverandering in de hand werkt”. Als je het eenmaal hebt gezien, kun je het niet meer niet zien.

Klimaathypocrisie is er als acteur en klimaatactivist Leonardo DiCaprio het vliegtuig pakt om een prijs voor klimaatvoorvechters in ontvangst te nemen, en daarop bakken kritiek krijgt van mensen die vast ook niet louter met de trein reizen. Het is er als de vegetariër afkeurend toekijkt hoe zijn buurman biefstukken en kipspiesjes op de barbecue gooit, en de buurman vervolgens verdedigend roept: „Ja maar jij dan, met je sproeiers in de tuin terwijl er een watertekort is.”

Het is er als je hoofdschuddend toekijkt hoe PostNL vier pakketjes bij de buren bezorgt – negerend dat het busje volgende week vermoedelijk weer voor jouw deur staat. Het is er als Liza Luesink, voormalig GroenLinks-lijsttrekker en fractievoorzitter in Zutphen, het vliegtuig pakt en door mensen wordt gewezen op hoe niet-duurzaam dat wel niet is – „Mensen die zelf ook vliegen, hè”, benadrukt Luesink. Zij is directeur van gedragsadviesbureau Duwtje, dat bedrijven en de overheid adviseert op het gebied van gedragsverandering. „Klimaathypocrisie bestaat omdat we er een hekel aan hebben als anderen het beter doen dan wij”, meent Luesink.

De uitkomsten van een onderzoek uit 2016 van een sociaal psycholoog aan de Universiteit Utrecht naar vleeseters en vegetariërs onderstrepen dat. De ondervraagde vleeseters voelden zich niet bedreigd door de vegetariërs die geen vlees eten om gezondheidsredenen of omdat ze vlees gewoon niet zo lekker vinden. Maar mensen die vlees als ‘fout’ ervaren, wekten irritatie op bij de vleeseters. Luesink: „Als iemand ervoor kiest geen vlees te eten, dan voelt diegene die wél vlees eet diep van binnen heel goed dat zijn keuze slechter is dan die van de ander. En dat wil niemand voelen. Mensen raken bedreigd in hun zelfbeeld en beginnen dan met hun ‘ja, maar jij…’.”

Nieuwe fase

Klimaathypocrisie laat volgens gedragswetenschapper Reint Jan Renes zien dat we in een andere fase van het klimaatdebat zijn beland. Hij is lector psychologie voor een duurzame stad aan de Hogeschool van Amsterdam en auteur van De Klimaatspagaat: over de psychologische uitdagingen van duurzaam gedrag (2021). „Vijf jaar geleden was er nog heel veel twijfel, moeten we ons hier wel echt zorgen om maken?”, zegt hij. „Juist doordat meer mensen nu met opgeheven vingertje naar elkaar wijzen, zie je: het leeft.” Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat vorig jaar werd gepubliceerd, blijkt dat 76 procent van de Nederlanders zich weleens zorgen maakt om het klimaat. Een kleiner deel (27 procent) is er uiterst bezorgd over. Renes: „Die ontkenning, das war einmal. De vraag is nu: wat moet er gebeuren.” En bij het beantwoorden van die vraag is het makkelijker naar de ander te kijken dan naar onszelf. „Mensen hebben de neiging het gedrag van de ander te veroordelen, die ander is ‘slap en inconsistent’. Maar als wij datzelfde gedrag vertonen, dan komt het door de omstandigheden.”

Volgens Luesink is dat zonder context naar de ander kijken de voedingsbodem voor klimaathypocrisie. Ze haalt een voorbeeld uit haar eigen leven aan: „Toen ik namens GroenLinks meedeed met de verkiezingen in Zutphen, hing mijn hoofd op groene posters door de stad. Ik pleitte voor een duurzame samenleving. Maar ondertussen ging ik in diezelfde periode met mijn beste vriendin op vakantie. Naar Ibiza. Met het vliegtuig.” Context: Luesink pakt vaak de trein, zij en haar vriendin spaarden hier al tien jaar voor, hadden er ook speciaal een gezamenlijke spaarrekening voor geopend, hadden het drie keer uitgesteld wegens zwangerschappen, bevallingen en daaropvolgende kraamperiodes. „Maar de buitenstaander kent die context niet en neemt die niet mee in het oordeel. Alleen mijn gedrag wordt gezien. Terwijl: hoe duurzaam leeft die buitenstaander?”

Roomser dan de paus

De ander harder bekritiseren dan onszelf is een coping strategy om te kunnen leven met de soms schurende keuzes die we zélf maken, zegt Renes. We voelen ons beter als we kunnen concluderen: maar die treinreiziger doet óók dingen fout. Daar komt bij: „Hoe luider een klimaatactivist zich uitspreekt, zie mij eens groen en natuur zijn, hoe strenger je op die identiteit wordt aangesproken.” Luesink daarover: „Als verkondiger van de boodschap moet je roomser dan de paus zijn. Anders fileren ze je op je gedrag of inconsequentie. Zoals vegetariërs die alom bekende uitspraak naar hun hoofd geslingerd krijgen: „Maar je draagt wel leren schoenen.”

Dat merkte ook Werner Schouten. Hij was tot vorig jaar voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging, een organisatie die de stem van jongeren in het klimaatdebat wil laten horen. En hij is directeur van de Impact Economy Foundation, een organisatie die voor een duurzamer bedrijfsleven pleit. Door vrienden werd hij er ooit eens op gewezen dat hij nog op een gasfornuis kookte, ‘slecht voor het milieu, Schouten’. „Dat had iets ongemakkelijks, merkte ik, ik ging ook meteen op zoek of ik het kon veranderen in mijn huurhuis. Het antwoord was ‘nee’. Maar het is goed dat dit soort dingen wordt aangekaart, dat het ongemak er is. Laten we niet zo fragiel doen, want alleen als we elkaar erop aanspreken, komt het gesprek op gang.”

Overigens gebruikt Schouten, net als Renes, liever het woord ‘klimaatspagaat’, iets neutraler, iets minder negatief, „want het laat wel bewustwording zien”.

„Toch is bewustwording niet genoeg”, zegt Renes. Het klimaatvraagstuk gaat grotendeels over de intention behaviour gap, de kloof tussen intentie en gedrag, en die kloof is door velen nog niet overbrugd. Internationaal marktonderzoeksbureau Kantar deed vorig jaar onderzoek onder 9.000 burgers in tien landen, waaronder de Verenigde Staten, Duitsland, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Van hen ziet 62 procent klimaatverandering als grootste probleem op milieugebied, maar de bereidheid om ook echt zelf iets te doen was veel lager – en in Nederland het laagst: 37 procent gaf aan in actie te willen komen.

Volgens Renes is zo’n zelfde kloof te zien als het gaat om gezondheid. „We weten dat het niet gezond is om die zak chips leeg te eten, maar we doen het wel.” Dat heeft ermee te maken dat mensen vertrouwde patronen fijn vinden en gedragsverandering vaak, zeker in het geval van duurzaamheid, gepaard gaat met persoonlijke offers. En dat maakt dat mensen goed zijn in moral licensing, zegt Renes: ik weet dat ik vlieg, maar ik doe het wel nog maar één keer per jaar. „Daarmee geven we onszelf morele redenen waarom wíj het wel mogen doen.” Ook dat werkt volgens hem klimaathypocrisie in de hand.

Foto Thomas Nondh Jansen

Goed teken

Dat de klimaatspagaat steeds voelbaarder wordt, is volgens Schouten wel een goed teken. „Heel lang is er een collectieve stilte geweest, maar zo’n groot vraagstuk kunnen we niet allemaal vanaf onze eilandjes doen. Al helemaal niet omdat de allergrootste en belangrijkste gedragsverandering toch echt, en snel, vanuit bedrijven en overheden moet komen.”

Renes: „Het is wel belangrijk dat we in het gesprek niet te snel oordelen.” Hij maakt zich zorgen om de tweedeling die in de samenleving ontstaat. „Niet iedereen gaat even snel. Het heeft ook met je omgeving te maken. Ik zit heel erg in mijn klimaatbubbel door mijn werk en de plek waar ik woon: de Randstad. Ik heb zelf drie broers in Twente wonen. Die snappen niet dat ik elke keer weer met de trein reis en daarna het ov-fietsje pak naar hun huis in Markelo, waar drie auto’s op het erf staan. Maar ik leg wel uit waarom ik het doe. En dat mag wringen. Weerstand betekent beweging. Onverschilligheid over andermans vervuilende gedrag was veel erger geweest.”

Discussies moeten volgens Schouten wel op een opbouwende manier worden gevoerd. „Imperfecties heeft iedereen, want duurzaam leven bevat zó veel facetten. Die kunnen de basis zijn voor het gesprek. Ik doe het niet 100 procent goed, jij niet – hoe kan jij mij helpen en ik jou?”