Opinie

Een postuum geschenk van W.F. Hermans

Michel Krielaars

Op 1 september woonde ik in de Nieuwe Kerk in Amsterdam de afsluiting bij van het W.F. Hermansjaar. In meerdere opzichten was het een feestelijke gebeurtenis. Niet alleen omdat koning Willem-Alexander het 24ste en laatste deel van Hermans’ Volledige Werken in ontvangst nam en de serie, waarvan hem als kroonprins zeventien jaar eerder in diezelfde kerk het eerste deel was overhandigd, nu compleet in zijn royale boekenkast had staan, maar ook omdat alle aanwezigen bij het verlaten van de kerk een cadeau meekregen.

Aanvankelijk meende ik dat het een prospectus met koninklijk keurmerk was van Hermans’ uitgeverij, maar toen ik thuis de cassette openmaakte, bleken er twee kleine boekjes met gemarmerde kaft in te zitten. Het ene was een facsimile van Hermans’ notitieboekje uit de jaren 1941-1946, dat ik ervoer als een geschenk uit het Hermansiaanse Walhalla. Het andere bevatte onder meer een transcriptie van die notities.

Het ontroerde me om de hanenpoten te zien, waarmee Hermans mogelijke titels had genoteerd voor ‘Ter schrijven proza’. Dichter bij een geliefde schrijver kun je niet komen, besefte ik. Het genot werd nog groter toen ik bij de lijstjes kwam met boeken die hij gelezen had. Gemiddeld waren het er zo’n twaalf per maand, vooral Duitse, Franse en Engelse klassiekers. Alsof hij daarin wilde afkijken hoe het moest.

Hermans’ literaire voorkeur lag vooral bij de negentiende en vroeg-twintigste eeuw. De Nederlanders op die lijstjes waren Marsman, C.C.S. Crone, Du Perron, Slauerhof, Vestdijk en Bordewijk. De leukste titel was Volgende patiënt, een hondenboek van dierenarts Dr. J. Gajentaan. Even stapte ik de beklemmende wereld van W.F. Hermans weer binnen. Die sensatie werd versterkt door zijn ook in het boekje opgenomen brief aan een lezende jonkheer. Daarin schrijft hij een groot bewonderaar te zijn van het werk van Kafka, en dan vooral van eenzame personages. Toen ik daarna een door hem vertaald fragment van Nietzsche las, dat begint met ‘Vlucht, mijn vriend, in uw eenzaamheid’, zag ik dat hij zijn literaire koers definitief had uitgezet.

Het meest ontroerde me in dit boekje echter de brief, die Hermans een maand voor zijn dood in 1995 schreef aan zijn jonge vriend Bas Godska van der Spruit. Ze hadden elkaar leren kennen in 1990, toen de 15-jarige Godska hem kwam interviewen voor de schoolkrant van het Barlaeus Gymnasium, waarvan Hermans zelf hoofdredacteur was geweest.

Uit die brief kun je opmaken dat Godska een roman wil schrijven. En dan adviseert Hermans hem: ‘Onder schrijven dient niet verstaan te worden drie versjes van twee regels elk en een boel subsidie, maar flink, meteen 250 bladzijden!’

Ook vertelt Hermans zijn jonge adept dat hij in een kliniek zal worden opgenomen. Dat zijn einde nabij is, lijkt dan nog niet tot hem te zijn doorgedrongen. En juist de afwezigheid van dat besef van de naderende dood is zo aangrijpend.

Zevenentwintig jaar later schrijft Godska Hermans postuum hoe hij kort voor de Russische invasie in Oekraïne zijn huis bij Kiev heeft verlaten met alleen hun briefwisseling op zak. De oorlog doet hem beseffen dat Hermans’ lessen over beschaving en chaos nooit eerder zo toepasselijk zijn geweest als nu. En dan schrijft Godska tot slot: ‘Maar je regel dat alles wat niet mis kan gaan ook misgaat, blijft geldig.’