Opinie

Advisering over nieuwe vaccins kan veel beter en sneller

Gezondheidsraad De beoordeling van vaccins in Nederland duurt veel te lang, schrijft . De Gezondheidsraad moet experts inzetten uit het buitenland en gebruik maken van de expertise van farmaceutische bedrijven.

Foto Sem van der Wal/ANP

Grote verontwaardiging begin juni in de Tweede Kamer in een debat over vaccinaties. De 20 miljoen euro die nodig is om het rotavirusvaccin in te zetten bij kinderen is niet beschikbaar, aldus staatssecretaris Maarten van Ooijen (VWS, ChristenUnie). Verschillende Kamerleden vroegen zich af waarom het jaren moet duren voordat vaccinaties die een aanzienlijke gezondheidswinst opleveren, in Nederland beschikbaar komen. De staatssecretaris gaf hier geen duidelijk antwoord op: hij verwees naar een brief die hij de Kamer ging sturen over de toekomst van het vaccinatiestelsel.

Die brief ligt er inmiddels. Van Ooijen erkent dat het veel te lang duurt voordat adviezen over het invoeren van nieuwe vaccinaties beschikbaar zijn. Dat is inderdaad al decennia een groot probleem. Adviezen van de Gezondheidsraad over vaccinaties – met name voor kinderen – tegen pneumokokkeninfecties, infecties door het rotavirus en vele andere ziekten – kwamen vele jaren te laat. Ook adviezen over vaccinaties tegen epidemische infecties, zoals Q-koorts, infecties door meningokokken type W en zelfs Covid-19 werden maanden tot jaren te laat aangeboden aan VWS. Het gevolg: aanzienlijke sterfte en ziekte die voorkomen hadden kunnen worden.

De staatssecretaris schetst in zijn brief niet wat de belangrijkste reden is van de lange doorlooptijden binnen de Gezondheidsraad. Die reden is evenwel zeer aanwijsbaar: de samenstelling van de zogeheten Vaste Commissie Vaccinatie (VCV) van de raad. Veel leden van deze commissie hebben geen specifieke expertise op het brede terrein van de vaccinatie. Voor wetenschappelijke adviezen over vaccinaties is kennis van de immunologische werking en bijwerkingen, de maatschappelijke acceptatie, modellering van infectieziekten en kosteneffectiviteit essentieel. Deze kennisdomeinen voor beoordeling van vaccins ontbreken echter in de VCV.

Wetenschappelijke expertise

Het is bizar, maar helaas waar: adviezen over goed vaccinatiebeleid worden gegeven door een commissie met lacunes in wetenschappelijke expertise. Nu is dergelijke expertise ook slechts beperkt voorhanden in Nederland. Daarom zou het heel verstandig zijn om buitenlandse deskundigen aan de commissie toe te voegen. In Engeland gebeurt dat al sinds jaar en dag. Dat is een veel betere oplossing dan – zoals Van Ooijen voorstelt – het RIVM meer verantwoordelijkheden op het gebied van vaccinatieadviezen te geven. Dat is immers alleen maar het verschuiven van het probleem naar een niet onafhankelijke overheidsinstelling.

Ik pleit dus voor meer deskundigheid in de VCV en voor een andere werkwijze van de commissie. Hierbij zal de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de adviezen, die volledig door een ambtelijk secretaris geschreven worden, verlegd worden naar de commissieleden. Precies zoals dat in Engeland gebeurt. Dat zal ertoe leiden dat adviezen (gevraagd door VWS, maar ook ongevraagd) sneller tot stand komen en resulteren in meer urgentie in het vaccinatiebeleid van de overheid. Overigens moet ook VWS zelf veel sneller meters maken. De implementatie van adviezen van de Gezondheidsraad duurt immers vaak vele jaren.

Lees ook: Is de nieuwe herhaalprik aangepast aan recente varianten? En andere vragen over coronavaccinatie

Daarnaast zijn explicietere criteria nodig voor het opnemen van vaccins in het Rijksvaccinatieprogramma. De Gezondheidsraad ontwikkelt zijn adviezen op basis van een raamwerk van zeven criteria. Met name kinder- en jeugdartsen pleiten er al jaren voor om deze criteria te verbeteren en te verduidelijken. Het criterium ‘ernst en omvang van ziekte’ is nu vaag geformuleerd en verdient nadere uitwerking. Datzelfde geldt voor ‘balans tussen kosten van vaccinatie en gezondheidswinst’. Aanscherping van deze en andere criteria draagt eraan bij dat we potentiële gezondheidswinst kunnen verzilveren door nuttige en beschikbare vaccins daadwerkelijk (en sneller) in te zetten.

Farmaceutische sector

Tot slot: de overheid moet af van haar angst voor brandend water als het gaat om overleg met de farmaceutische sector over vaccins. Ook op dit gebied geldt dat het Nederlandse vaccinatiebeleid doeltreffender wordt als gebruik wordt gemaakt van de ruim beschikbare expertise in deze sector. Het is veelzeggend dat het woord farma in de recente brief van de staatssecretaris nagenoeg ontbreekt. De industrie wordt kennelijk eerder als tegenstander gezien dan als noodzakelijke partner. Dat blijkt ook uit het feit dat producenten van (nieuwe) vaccins niet de mogelijkheid hebben om in een hoorzitting bij de Gezondheidsraad een toelichting te geven op nieuwe of in ontwikkeling zijnde vaccins, vanwege vermeende belangenverstrengeling of ongewenste beïnvloeding.

Dat heeft onder meer tot gevolg dat de Gezondheidsraad onvoldoende op de hoogte is van de meest recente inzichten in vaccins. Ter illustratie: de raad had al medio 2020 relevante informatie over de meest in ontwikkeling voorlopende Covid-19-vaccins kunnen bespreken met de producenten en hun publicaties kunnen bestuderen. VWS had hierdoor eerder op de hoogte kunnen zijn van de vereisten voor opslag en transport en te verwachten bescherming van de diverse vaccins. Dat had veel logistieke problemen bij de uitvoering kunnen voorkomen.

Betere spelregels waarmee de overheid actuele kennis van de farmaceutische bedrijven kan verkrijgen, zijn dus dringend nodig. Maar vooral ook: minder koudwatervrees in de richting van een sector waar veel deskundigheid voorhanden is.