Opinie

Het bestaan van minister Henk Staghouwer was mij ontgaan

Marcel van Roosmalen

Ik wist niet wie Henk Staghouwer was. Toen ik gisteren hoorde dat hij minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit was, was het al te laat. Verkeerde mens in de verkeerde tijd op de verkeerde plaats, vond hij zelf. Hij kwam zijn vertrek nergens sprekend toelichten. Dat deden anderen, ze prezen zijn kwetsbaarheid.

Het was voor het eerst in een lange tijd dat het bestaan van een minister me ontgaan was. De profielen in de kranten maakten me niets wijzer, ze konden worden teruggebracht tot drie pijlers: bril met blauw montuur, ChristenUnie, ongeschikt.

De laatste keer dat ik mezelf ongeschikt vond, was toen ik als student aan de lerarenopleiding stage moest lopen bij de Molenhoek Mavo in Mook, het dorp waar ze mijn moeder dertig jaar later naartoe zouden brengen, maar dat is toeval.

Het was de bedoeling dat ik geschiedenisles ging geven. Het waren de jaren negentig, een tijd waarin ze er op de lerarenopleidingen op hamerden om alles vooral toegankelijk te brengen. De leerling moest op kunnen gaan in het verhaal.

Ik had voor mijn eerste les twee bloempotten meegenomen. Het was de bedoeling dat ik die in de klas kapot zou gooien, waarna we verkiezingen uit de Griekse oudheid na zouden spelen. Lang verhaal kort: ik gooide die bloempotten veel te snel kapot, nog voordat ik mezelf had voorgesteld.

De docent achterin greep meteen in.

„Niet doen!”, riep ik nog, „dit hoort erbij. We gaan zo de scherven oprapen en dan stemmen, net als bij de oude Grieken…”

Hij nam het toch over.

Ik zat het uur uit, zwetend, totaal van slag.

Zoiets spreekt zich rond in een kleine school.

Er was een gek uit de hemel gevallen, en niet zo’n kleintje ook. Een klas later zag ik een meisje de vuisten ballen toen ik het lokaal betrad.

Kleine pauze.

Er viel een stilte toen ik de lerarenkamer binnenliep. Er zaten collega’s tussen die hun afkeer nauwelijks konden verbergen, wat een klungel. Er waren er die last hadden gehad van het lawaai, vooral van het gejuich. Opeens hoorde ik mezelf zeggen: „Ik word toch geen leraar, ik ben ongeschikt.”

De lerares Duits die me toen in het gezicht vroeg waarom ik dat niet eerder had bedacht had ik beter van repliek moeten dienen, in plaats daarvan pakte ik zwijgend mijn tas in.

Henk Staghouwer functioneerde acht maanden niet, ik bewonder en kijk neer op zijn doorzettingsvermogen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.