Reportage

Ontwierp architectenbureau MVRDV de ruïnes van het kapitalisme?

Reportage | Architectuur Zijn de architecten van The Valley ruïnebouwers? Schrijver ging kijken op de Amsterdamse Zuidas.

Daktuin met vijver van The Valley
Daktuin met vijver van The Valley Foto Ossip van Duivenbode

Rijdend over de A10 naderen we het bolwerk van law en finance op de Amsterdamse Zuidas. The Valley doemt op. Het is alsof we in de toekomst kijken: een beleg afgebroken, de vijand net afgetaaid, dit zijn de sporen van beschietingen van de Zuidas-muren: drie brokkelende torens in wat eens trots en onaantastbaar kapitalisme moest belichamen. „Dat die architecten dat voor elkaar kregen”, mompel ik met bewondering. „Een beeld van aanstaand verval van geld en macht, uitgerekend op deze plek.”

Echt? Het kan toch bijna niet waar zijn. Dit moet onderzocht.

Thuis vind ik op internet een fraai uitgevoerde promovideo van een der partners in dit bouwproject. De begroeide Valley van MVRDV-architect Winy Maas en landschapsarchitect Piet Oudolf wordt voorgesteld in uitgestrekte groene natuur (Azië, Zuid-Amerika, die sfeer), daarna plopt het in de Zuidas op. De scheppers praten over de Valley als ‘bergen’, en ‘krabben’ aan hoge kubieke vormen. Het creatieve resultaat daarvan zal van een rijkdom aan plantengroei worden voorzien. Trefwoorden: business & gemeenschapsleven, in een groene habitat. Ik heb echter nog steeds een overwoekerde bouwval op het netvlies en één woord op de lippen: ‘ruïnebouwers’.

Toren van Babel

„We wilden in Valley zowel de toekomst als het verleden een plek geven.” MVRDV & partners zijn niet de eersten met dergelijk voornemen. Ik denk aan een ander finance-bolwerk: de Bank of England. Architect John Soane (1753-1837) werkte vijfenveertig jaar aan de herschepping van dit gebouw. In 1830, drie jaar voor zijn pensioen, stelde hij in de Royal Academy een aquarel van zijn vriend Joseph Gandy (1771-1843) tentoon. Deze aquarel wordt vaak ‘The Bank in Ruins’ genoemd. In feite zien we het bankgebouw als een Piranesi-achtig ruïnelandschap, dubbelzinnig, zowel in puin als ‘under construction’.

Joseph Gandy, ‘The Bank in Ruins’.

Sir John Soane’s Museum

Valley-architect Winy Maas lijkt bijna op dit meesterwerkje te zinspelen: „Denk aan de bouwer die hier jaren aan heeft gewerkt en aan de bewoners die hier hun eigen herinneringen gaan maken.” Herinneringen aan langjarige bouw zien we natuurlijk ook op Brueghels Toren van Babel (1563), symbool van de zichzelf overschattende mens. Net als op de Zuidas, zou je zeggen, gezien de vormovereenkomst tussen Brueghels Babeltoren en Valley’s drie uitstekendheden.

Het hybride woord ‘ruïnebouw(er)’ is zeldzaam in onze taalschat. Ik vond het in een krantenstuk uit 1921 in verband met de Michelangelo-kerk Santa Maria degli Angeli te Rome (‘Van buiten ziet men een opening in den baksteenen ruïnebouw.’) Letterlijker is de Nieuwe Haarlemsche courant uit 1952: ‘Burgerlijke verdediging in Engeland.’ Men heeft een ruïne gebouwd ‘voor realistische training’. Betreffend artikel is voorzien van een foto: ik zie er onwillekeurig een van de Valley-torens in.

De ruïnebouwer ten slotte is de titel van schrijver Bernlefs boek over Albert Speer uit 1980. Passend, want net als Soane stelde deze nazi-architect zich zijn bouwwerken voor zoals ze er in de verre toekomst bij zouden liggen. Dit is wel Speers ‘ruïnewaarde-theorie’ genoemd.

Pittoresk

Er is aanleiding voor twijfel over mijn invalshoek. Ik heb als liefhebber van het stripboek The tour of Doctor Syntax in search of the picturesque (1812) van William Combe en Thomas Rowlandson de neiging overal het picturesque in te zien, en wat is er ‘pittoresker’ dan een overwoekerde ruïne? Het schrijversberoep brengt bovendien een vorm van betrekkingswaan teweeg. En dan: nergens heb ik uit de mond der Valley-architecten het woord ‘ruïne’ zien vallen. Twijfel dus. Er zit maar één ding op: inspectie, ter plekke. Ik bel de specialist van deze krant, we zien elkaar voor de Valley-hoofdingang.

„Kijk”, zeg ik, wijzend op de reuzengrote stenen die het caféterras omzomen. „De Valley-ruïne brokkelt al.”

Het lijkt niet aan te slaan. Nu ja, we gaan het zien.

Een lange roltrap brengt ons in wat de ‘grotto’ wordt genoemd. Klinkt beslist picturesque, vind ik. Het wordt door de architecten ook wel als ‘huiskamer’ voorgesteld, de plek waar werkers in en bewoners van de Valley elkaar ontmoeten. Maar zover is het nog niet, de daadwerkelijke ingebruikneming moet nog plaatsvinden. Misschien vandaar dat ik wederom aan Speer moet denken.

Lees ook de architectuurrecensie door Bernard Hulsman: Huiveringwekkende oase in de steenwoestijn

Sympathiek is de belichting, van boven als in een museum, bewogen door het water van de vijver op het glasplafond. We kijken rond en zien op afstand een balie. Even melden.

„Wij zijn van de ruïne-inspectie”, zeg ik. „Komen even kijken.” Verwonderde blikken, van mijn metgezel deze woorden: „Jezus, is dat nou de geschikte introductie?”

Volgt de inspectie. Daar moet een rapport van komen, vanzelfsprekend. „Dat laat ik aan jou over, jij bent de specialist”, zeg ik, als we na veel trappenlopen en het omslaan van onverwachte hoeken beneden tussen de grote brokken stenen met een biertje zitten bij te komen.

„Hallo… Heb ik je daarom meegenomen?”

Die vraag begrijp ik.

„Goed”, zeg ik. „Hierbij dan. Nieuw gebouwde ruïnes hebben tijd nodig om een overwoekerde ruïne te worden, rijpingstijd. Ik wacht nog even met mijn conclusie.”

Welke theaterstukken, exposities en kunstwerken zijn komend seizoen de moeite waard? NRC zet de mooiste interviews, reportages en essays over deze kunstuitingen op een rij.