Hoe antisemitisch dichter Lucebert was, blijkt nu weer uit brieven

Luceberts oorlogsbrieven In 2018 werd bekend dat Lucebert veel antisemitische brieven had geschreven en ze had ondertekend met Sieg Heil. Die brieven zijn nu openbaar.

Waar zijn de brieven? Het was de vraag die in 2018 velen bezighield toen de biografie over dichter en schilder Lucebert (1924-1994) van Wim Hazeu verscheen. Het ging om brieven die een van Nederlands belangrijkste naoorlogse dichters (bekend van de dichtregel ‘Alles van waarde is weerloos’) tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef aan een vriendin, Tiny (ook wel ‘Tine’) Koppijn (1924-2016). Lucebert werkte toen als vrijwilliger in een Duitse wapenfabriek. Hij schreef niet alleen over zijn bewondering voor de Duitse cultuur, maar ondertekende vaak met „Sieg Heil und Heil Hitler”.

Luceberts biograaf Hazeu verwerkte de brieven in Lucebert. Biografie. Hoewel bekend was dat Lucebert – geboren als Bertus Swaanswijk – nazisympathieën had gehad, was het nooit eerder zo duidelijk geweest als in deze brieven. De brieven gingen terug naar het archief van de erven van Tiny Koppijn, waarna het onmogelijk was onderzoek te doen naar deze periode in het leven van de dichter – die in de jaren vijftig nota bene conservatieve huisjes omver had geschopt en de staat in 1949 aanklaagde in zijn Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia.

Tot nu. Dinsdagmiddag maakte het Literatuurmuseum in Den Haag in een persbericht bekend ruim zestig brieven van de erven van Tiny Koppijn te hebben verworven, zodat onderzoekers ze nu zelf kunnen bekijken. Bij de brieven is een document toegevoegd van de dochter van Koppijn, waarin zij uitlegt dat de biografie van Hazeu veel turbulentie en verdriet teweeg heeft gebracht. Vanwege het foute verleden van Lucebert werd door sommigen ook Tiny Koppijn bevraagd. Was zij de aanstichtster geweest van Luceberts nazisympathieën? Die reacties zijn er ook de oorzaak van dat de erven Koppijn de „brieven niet langer in persoonlijk bezit willen hebben en niet langer benaderd willen worden door onderzoekers, journalisten en overige belanghebbenden”.

Biograaf Wim Hazeu verklaarde de passages in de brieven als die van een impulsieve jongeman, „die zich met weinig bagage van huis uit liet vullen en niet verder keek dan het Ogenblik”. Zijn vriend en collega-dichter Remco Campert vond de vondst van de brieven indertijd verschrikkelijk, maar stelde ook: „Dat antisemitisme van hem kan ik niet serieus nemen. Een krant schreef dat hij van zijn voetstuk gevallen is. Voor mij niet in ieder geval.”

Germaanse Romantiek

Wie de brieven nu leest – Lucebert schreef ze rond zijn twintigste, tussen 1943 en 1946 – leest over de grootse plannen van een kunstenaar in spe die de Duitse Hoogromantiek wil overdoen. Met minachting schrijft hij over dichters als Willem Kloos en Jacques Perk: zij hadden de Romantiek weliswaar naar Nederland gebracht, maar minder groots dan de Germaanse Romantiek die Lucebert bewonderde.

Hoewel het dus om een korte periode ging, zullen onderzoekers zich moeten verhouden tot een enorme hoeveelheid antisemitische uitlatingen en passages die Lucebert in de brieven besteedt aan het Germaanse ras. Hij schrijft over „zuiver Germaansch denkende kringen” en elders over de Pax Germana die aan „alle Wit Joden en Negers, incluis de gansche Oranjerellebellen” verkondigd moet worden. Opvallend zijn ook de tekeningen van krachtige lichamen en moederfiguren in enkele brieven – nu voor het eerst te zien. Bij twee brieven tekent hij een zwaan (naar zijn eigen achternaam Swaanswijk) in een Duitse adelaar.

Lucebert stuurt veel Duitse teksten aan Tine, die hij soms ook illustreert

‘Twee Joden weten wat een bril kost. Het is my al een walg de „podems” van dergelijke heeren te teekenen, laat staan die te zien!’ Lucebert in 1943 aan Tine Koppijn

De briefwisseling begint in 1943, als Lucebert vrijwillig in Duitsland gaat werken. Hij heeft het er heerlijk en vertelt in de brieven over lange wandelingen. „De omgeving is prachtig, bossen, heuvels met uitzicht over de Elbe” waar „alles een sterk en gezond uiterlijk [heeft], zelfs de strenge stijve steile stengels der fabriekenschoorstenen zijn imposant en staan niet onaesthetisch in het landschap”. Duitsland is zijn „Wahlheimat”.

‘Zuiver Hollandsche aard’

Aan Tiny Koppijn kan hij niet alleen zijn ideologie en bewondering voor de Duitse cultuur kwijt. Hij hekelt ook de Nederlanders die een andere toekomst voor ogen hebben. In de zomer van 1943 schrijft hij „wanneer je zuiver Hollandsche aard wil genieten moet je niet in de grote steden rondzien, steden zijn volkeren mestvalen, vergaarbakken van afval en rotheid! Neen op het Boerenland, Friesland, Zeeland, Brabant! Daar vindt [sic] je onze hoop, de bevestiging van mijn geloof in een toekomstige tweede Nederlandsche Gouden Eeuw.” In een vereniging van „Germaansche stammen […] zal de Jood geen gelegenheid meer hebben bloed tegen gelijk bloed op te zetten zoals hij dat al zovele malen met ‘glansrijk’ succes heeft gedaan.” Elders jubelt hij met haar mee dat ze heeft kunnen genieten van „die fijne rassisch zuivere schoongebouwde Nordische kinderen”.

Bij een tekening van twee mannen schrijft hij: „Twee Joden weten wat een bril kost. Het is mij al een walg de podems van dergelijke heeren te teekenen, laat staan die te zien!”

In Koppijn vindt hij een geestverwant, op wie hij soms verliefd lijkt en die hem volgens hem beïnvloedt in zijn denken, en die net als hij in Duitsland het „komende eendrachtige Rijk” ziet. „Het Rijk, Tine, waarnaar wij zo heel heel innig verlangen.” Intussen heeft hij op de avond dat hij negentien wordt een „vaderlandsche novelle af”, eentje die hij overigens later weer terugtrekt omdat die te „on-Hollandsch” zou zijn.

Brief van Lucebert aan Tine Koppijn, 1943.

Lucebert nam zich meermaals voor zich bij de Waffen-SS aan te melden. Maar, zo schrijft hij, er zijn problemen: hij heeft een zenuwinstorting gehad en soms moeite met ademen. Eenmaal in Nederland heeft hij het plan zich direct aan te melden bij de Kulturkamer zodat hij hoger onderwijs kan volgen.

Later volgt bezinning. Als kunstenaar maakt hij in zowel zijn gedichten als beeldende kunst werk dat van de nazi’s het stempel ‘entartet’ zou hebben gekregen. Lucebert werd vanaf 1948 de dichter met een grote missie en de schepper van een onvergetelijk oeuvre. Opvallend is dat hij zich het gewicht van de correspondentie lijkt te realiseren. In de winter van 1944 schrijft hij dat „een leugentje om bestwil” makkelijk gesproken kan worden „en nog makkelijker vergeten, maar ongezien ergens in een klein onopvallend hoekje heeft zich het leugentje om bestwil genesteld en peutert daar steentjes en gruis uit de onderbouw van ’t gansche leven.” Om enkele maanden later over het belang van de brieven voor biografen te schrijven: „m’n biografen die later dikke banden over mijn leven schrijven zullen met veel veel toewijding deze periode behandelen om haar zo appetijtelijk mogelijk het romantiekgrage publiek op te kunnen dienen.”

Beeld Literatuurmuseum Den Haag
Lux et Libertas Lees ook een commentaar van NRC uit 2018 over het belang van het werk van dichter Lucebert: Wat vindt NRC | Al is zijn naam door antisemitisme besmet, Luceberts poëzie blijft van waarde