Gambiaanse vrouwen verzamelen de oesters die hebben geplukt van de wortels van de mangrovebomen, langs de oevers van de Gambia-rivier bij Banjul. Door klimaatverandering blijven de schelpen klein en loopt de oogst terug.

Foto Guy Peterson

Reportage

Al kalft de kust af en verzilt de rivier, toch aast Gambia op olie

Klimaatbeleid Gambia heeft een ambitieus klimaatbeleid. Logisch, want de gevolgen van de opwarming worden er nu al gevoeld. Maar als er olie wordt gevonden, zal het land die zeker gaan winnen.

De ochtendzon hangt nog laag over de lagune als de vrouwen in beweging komen. Langzaam beginnen ze te rommelen, ieder in hun eigen hoekje. Kleren die over de takken van bomen hingen te drogen, worden verzameld, lege rubberen emmers klaargezet. In de verte dobberen hun houten kano’s, wachtend om hen diep de mangroves rond de Gambiarivier in te voeren. Daar waar het lage tij de oesters onthult die hier in kluwens groeien.

Maar deze ochtend heeft Odette Sambou, 41, weinig zin. Al tien jaar bikt ze de steenachtige schelpen van mangrovewortels, haar handen en voeten slechts beschermd door dunne handschoentjes en hoog opgetrokken sportsokken. Het waren goede jaren, zegt ze. Maar dit seizoen is hopeloos. „Er zijn geen oesters”, zucht de moeder van zes. En de oesters die ze vinden, zijn klein. Te klein. De rivier verandert, zegt Sambou. „Het is niet goed.”

Mangroves die verdorren

In Gambia, het kleinste land op het Afrikaanse continent, neemt het naderende onheil van klimaatverandering vele vormen aan. Je ziet het aan de brokstukken langs de kustlijn waar de oprukkende zee gaten sloeg in de terrassen van hotels en strandtentjes. Aan de mangroves die verdorren langs de steeds zilter wordende Gambiarivier. Aan de rijstoogsten die mislukken. De oesters die niet meer groeien als voorheen. En de stormen die steeds verwoestender razen.

Het lijkt pas het begin. Onderzoekers voorspellen dat als de zeespiegel zo blijft stijgen nog voor het einde van deze eeuw bijna 9 procent van het Gambiaanse kustgebied onder water verdwijnt, waaronder de hoofdstad Banjul. Alleen daar al raken dan tienduizenden mensen ontheemd.

„We behoren tot de ground zero van de impact van klimaatverandering”, zegt Kemo Fatty – een boodschap die de 29-jarige activist afgelopen november ook verkondigde in Glasgow tijdens de klimaattop daar. Hij deed dat niet in de politieke fora, daar wilde Fatty niet aan deelnemen, maar op straat in Glasgow, waar hij de inwoners waarschuwde dat het lot van Gambia, goed voor 0,01 procent van de wereldwijde uitstoot, ook hún realiteit kan worden.

Lees ook: Alleen optimist ziet vooruitgang in akkoord van klimaatconferentie

Fatty: „We zijn klaar met het luisteren naar wereldleiders en hun speeches vol gebakken lucht. Het huis staat in brand, er is actie nodig. Geen gepraat.”

100 miljard dollar

Dat gepraat gaat deze dagen volop door. Maandag komen verscheidene Afrikaanse en Europese leiders samen in Rotterdam voor een top over klimaatadaptatie. Op de agenda: het steeds grotere gat tussen het geld dat beschikbaar is om aanpassingen aan het veranderde klimaat te bekostigen en de bedragen die echt nodig zijn. De 100 miljard dollar per jaar die al jaren door het Westen wordt beloofd, wordt nog altijd niet gehaald.

Eenzelfde noodkreet klonk afgelopen week al in Gabon, waar vertegenwoordigers van Afrikaanse landen samenkwamen om zich voor te bereiden op de volgende klimaattop in november. Bij de aftrap van die week was hun boodschap aan het Westen alvast duidelijk: het moet uit zijn met de ‘klimaatonrechtvaardigheid’ waarbij het continent dat zelf nauwelijks bijdraagt aan de wereldwijde uitstoot – slechts zo’n 4 procent – letterlijk en figuurlijk de hoogste prijs betaalt.

De Gambiaanse Amadi Colli staat in de Gambia-rivier in Banjul met de spullen op haar hoofd die ze nodig heeft voor een dag oesters plukken. Mede door de verzilting, een gevolg van de stijgende zeespiegel, loopt de oogst terug.
Foto Guy Peterson
Gambiaanse vrouwen verzamelen de oesters die hebben geplukt van de wortels van de mangrovebomen, langs de oevers van de Gambia-rivier bij Banjul. Door klimaatverandering blijven de schelpen klein en loopt de oogst terug.
Foto Guy Peterson
Elizebeth Yatta (rechtsachter) zit met haar familie oesters te pellen aan de Gambiarivier.
Foto Guy Peterson
De Gambiaanse Amadi Colli staat in de Gambia-rivier in Banjul met de spullen op haar hoofd die ze nodig heeft voor een dag oesters plukken. Mede door de verzilting, een gevolg van de stijgende zeespiegel, loopt de oogst terug
Foto’s Guy Peterson

Gambia, dat figureert op de VN-lijst minst ontwikkelde landen, is door zijn lage ligging extra kwetsbaar. Kusterosie en verzilting richten al grote schade aan. Extreme windhozen legden vorige zomer hele dorpen plat, terwijl de regens steeds onregelmatiger worden en soms juist zo hevig zijn dat alles overstroomt.

Toch was het in Glasgow juist dit piepkleine land dat zich als een van de enige echt ambitieus toonde, met plannen die volgens wetenschappers van de Climate Action Tracker het Parijsakkoord wél, of in ieder geval bijna helemaal, zullen naleven. Zo moet al in 2030 de uitstoot er met 49,7 procent zijn verminderd.

Nieuwe rijstsoorten

„Ik denk dat we dat punt zelfs eerder zullen bereiken”, zegt Alpha AK Jallow. Gezeten in een brede fauteuil in zijn woonkamer in Serrekunda somt de directeur van het secretariaat voor klimaatverandering, onderdeel van Gambia’s ministerie van Milieu, de plannen op. Zonnepanelen, veel zonnepanelen. Herbebossing. Nieuwe rijstsoorten introduceren. De afvalverwerking beter organiseren dan onaangeroerde stortplaatsen. Enzovoorts.

Jallow is niet iemand van het vingerwijzen. Je zult hem ook niet horen zeggen dat hij ontmoedigd uit Glasgow terugkeerde. De ontwikkelingslanden, waar Gambia bij hoort, hebben niet de 100 miljard dollar gekregen waarop zij hoopten, nee. Maar, wijst de man achter Gambia’s klimaatdoelen diplomatiek, ze kregen wel de toezegging dat tegen 2025 extra fondsen zullen worden gezocht. Tot die tijd gooien ze hun eigen diplomatieke lijnen uit.

Lees ook deze reportage over het Global Center on Adaptation in Rotterdam

Dat vele miljoenen nodig zijn, is duidelijk. Dat Gambia zelf niet over die middelen beschikt, ook. Het land kampt met torenhoge schulden – zo’n 83 procent van het bruto binnenlands product – deels stammend uit de tijd van ex-president Yahya Jammeh, die roekeloos leende om de ontwikkeling van het land te versnellen. Bijna de helft van de 2,1 miljoen inwoners leeft nog in armoede, op het platteland heeft slechts 30 procent elektriciteit, al neemt het bereik en de vraag ernaar toe.

Nu nog wordt de elektriciteit grotendeels opgewekt met geïmporteerde brandstof, maar in 2030 moet dat voor 40 procent op duurzame wijze gebeuren. Niet alleen door zonnepanelen op huizen en publieke gebouwen te plaatsen, maar ook door een stuwdam die de komende jaren in gebruik wordt genomen, stroomopwaarts in de Gambiarivier.

Zoektocht naar olie

Die dam is niet onomstreden. Maar hij is lang niet zo omstreden als een aanzienlijk minder groen project van de regering: de zoektocht naar olie, die nu plaatsheeft voor de kust. Net als buurland Senegal, dat zich ontpopt tot nieuwe, grote gasleverancier, hoopt Gambia flink te kunnen verdienen aan wat er in de bodem verstopt zit. Bij een olie- en gastop in het Senegalese Diamniado presenteerde Gambia zichzelf vrijdag als nieuw olieland aan investeerders.

„We zullen alles doen om daarbij zo min mogelijk uitstoot te veroorzaken. En met onze inzet op duurzame energie zullen we de uitstoot uit de oliewinning compenseren”, zegt klimaatambtenaar Jallow. „Maar we hebben deze inkomsten nodig. Om onze schuldenlast te verlichten. Om onze economie te diversifiëren, die nog grotendeels om landbouw draait. En om onze ontwikkeling eindelijk in een stroomversnelling te brengen.”

Afgedankte dieselauto’s

In plaats van afgedankte dieselauto’s zou Gambia dan nieuwe, zuinigere auto’s kunnen importeren, mijmert hij. Of beter nog: elektrische. Na de vraag of Gambianen zich zulke dure auto’s überhaupt kunnen veroorloven, knikt hij gedecideerd. „Als we olie hebben, dan kan de overheid betere salarissen betalen.”

Verspreid over het continent klinken soortgelijke geluiden. „Onze prioriteit is niet om de planeet te redden, maar om de armoede in ons land te verminderen”, zei Congo’s klimaatvertegenwoordiger onlangs tegen The New York Times over de veiling van olie- en gasvelden in beschermd natuurgebied. De westerse verontwaardiging hierover wordt gezien als hypocriet. Wie zijn hier nu de grootste vervuilers?

Foto Guy Peterson
De Gambiaanse klimaatactivist Kemo Fatty in het beschermde maar bedreigde Bijilo Forest Park. „We zijn klaar met luisteren naar speeches vol gebakken lucht. Er is actie nodig.”
Foto Guy Peterson
De Gambiaanse klimaatactivist Kemo Fatty in het beschermde maar bedreigde Bijilo Forest Park. „We zijn klaar met luisteren naar speeches vol gebakken lucht. Er is actie nodig.”
Foto’s Guy Peterson

„We kunnen doen alsof koolstof de oorzaak is van de klimaatcrisis”, zegt klimaatactivist Kemo Fatty. „Maar het werkelijke probleem is hebzucht, ego, gemakzucht en apathie. En geen wetenschapper die dat kan oplossen.” Fatty is zelf nauw betrokken bij de Great Green Wall, een initiatief om over de breedte van de Sahelregio 100 miljoen hectare aangetast land te herstellen en zo verdere verwoestijning tegen te gaan.

Deze middag gaat hij wild zwaaiend voor door zijn favoriete plek, het laatste beschermde bos in Serrekunda, nabij Banjul, waar palmen tot de hemel rijken en het gegil van Rode Colobusaapjes klinkt. Die zijn nu bedreigd, vertelt Fatty. Net als het bos zelf, waar niet zo lang geleden een hap uit werd genomen om een door China bekostigd conferentiecentrum te bouwen. Fatty: „Op grond die door de wet wordt beschermd. Dat bleek geen probleem te zijn.”

Laat me eerlijk zijn, zegt Fatty, dit is niet de rol waar ik vroeger van droomde. „Ik wilde als een Wolf of Wall Street leven”, grapt hij. Goed geld verdienen. Tot zijn moeder, die al haar hele leven rijst verbouwt aan de noordelijke bedding van de Gambiarivier, om hulp vroeg. „Haar velden waren onbruikbaar geworden door verzilting.” Ondertussen trok zijn broer via de Libische woestijn naar Lampedusa, hopend op een toekomst in Europa.

Hij zit nu al bijna tien jaar in Duitsland, vertelt Fatty. Maar hij heeft nog altijd geen papieren. „En wat is het doel van jongens als hij? Op zoek gaan naar groenere weiden. Daarom moeten we de weiden híer groener maken. Dat is waar ik voor vecht.”