Opinie

De tien beste boeken die ik in de afgelopen tien jaar las

Michel Krielaars

Na tien jaar is het tijd om de leiding van de boekenbijlage over te dragen aan een ander. Vanaf vandaag is mijn collega Peter de Bruijn dan ook de chef. Veel zult u niet merken van deze ‘machtswisseling’, want ik blijf deze column schrijven en boeken recenseren. Toch is dit een uitgelezen moment om terug te blikken op de mooiste boeken die ik tussen 2012 en 2022 heb gelezen en me af te vragen welke een blijvende indruk hebben gemaakt.

Ik werd daartoe aangemoedigd door Neerlandicus Jaap Goedegebuure (1947), die in Door de jaren heen lezen 101 korte stukken heeft gebundeld waarin hij zijn passie voor lezen met je deelt. Die stukjes zijn zowel ontroerend als geestig, onder meer omdat ze laten zien hoe je aan het lezen kunt raken: door mooie boeken te lezen. De halve moderne literatuur komt erin voorbij, van P.C. Boutens, H. Marsman, E. du Perron, F.B. Hotz, W.F. Hermans, Reve, Grunberg, Rogi Wieg tot Edgar Allen Poe, Céline, Flaubert, Trakl, Thomas Mann en Robert Graves. De leukste anekdote uit die stukjes komt van schrijver-diplomaat F. Springer. Zijn laatste post was die van ambassadeur in de DDR. Op een receptie vertelde de Oost-Duitse leider Erich Honecker hem dat hij een grote televisiemast in het zuidoosten van zijn land had laten plaatsen, zodat men ook daar de amusementsprogramma’s van de West-Duitse tv-zenders kon zien. Een beter voorbeeld van brood en spelen verzin je niet.

In mijn top-10 springt Het einde van de rode mens (2014) van Svetlana Aleksijevitsj boven alles uit. De ingenieuze manier waarop deze Belarussische schrijfster tientallen inwoners van de voormalige Sovjet-Unie aan het woord laat en hun aaneengeschakelde lotgevallen als een Griekse tragedie presenteert, heeft me doen beseffen waarom Poetin al twintig jaar zijn gang kan gaan. Ze kreeg er de Nobelprijs voor.

Bijna evenveel leesgenot beleefde ik in 2014 door de vertaling van Roger Martin du Gards Les Thibault (1922), een familie-epos over het Frankrijk aan de vooravond van en tijdens de Eerste Wereldoorlog. En dan was er de Pool Wieslaw Mysliwski. Van zijn hand verschenen de afgelopen tien jaar vier briljante ‘boerenromans’, waarin een palaverende verteller het over de roerige geschiedenis van het twintigste eeuw Polen heeft. De horizon (2017) is de sleutel tot dit oeuvre.

Ook de kleine roman Vragen deed je niet (2020) van de Oostenrijkse Lida Winiewicz behoort tot mijn favorieten. Het is het relaas van een oude boerenvrouw, die terugblikt op haar leven op het platteland waar honger, oorlog en vrede elkaar afwisselen. Over de manier waarop diezelfde oorlog iemands lot bepaalt schrijft de Kroaat Slobodan Snajder in De reparatie van de wereld (2021), een roman waarvoor hij de Nobelprijs verdient.

Iemand die me vanaf zijn debuut boeit is Amos Oz. Niet alleen omdat hij zo goed menselijke relaties neerzet, maar ook omdat in zijn boeken schuld en boete bijna altijd de leidraad zijn. Zijn verhalenbundel Onder vrienden (2013) zegt daarom meer over Israël dan menig krantenbericht.

Nu ik het toch over de ingewikkelde menselijke ziel heb, mag de Spanjaard Javier Marías niet ontbreken. In zijn laatste roman Berta Isla (2018) spelen opnieuw spionnen, Oxford, mysterieuze liefdesrelaties, Shakespeare en Dickens een grote rol. Claudio Magris hield me met zijn roman Museum van oorlog (2017) nachten wakker. De Nederlandse Anjet Daanje en de Rus Maxim Osipov maken met hun boeken mijn rijtje vol.