Opinie

Aanval op de Russische literatuur is misplaatst

Essay | Oorlog Russische cultuurdragers medeplichtig maken aan Poetins oorlog miskent de universele waarden van hun kunst, betoogt .
Illustratie Cyprian Koscielniak

Het is begrijpelijk dat sommige Oekraïners hun woede niet alleen richten op de Russische politici die hun land proberen te vernietigen, maar ook op de meest vereerde cultuurschat die met Rusland wordt geassocieerd: de Russischtalige literatuur. Dat een Joods orkest liever geen Wagner speelt begrijpt iedereen. Dat een Oekraïner even geen zin heeft in het lezen van Tsjechov en Dostojevski, zal niemand haar of hem kwalijk nemen.

Anders wordt het als aan dit sentiment een theoretisch fundament wordt gegeven en intellectuelen gaan beweren dat die Russischtalige literatuur zelf een instrument van verschrikking is, dat het altijd al een sociale functie van die literatuur was om Russisch imperialisme te legitimeren en de onderdrukking van minderheden te vergoelijken.

Dit lijkt een vrij extreem standpunt, maar zulke ideeën zijn al langere tijd te horen in de academische wereld, ook al voor de oorlog. Het was dus eigenlijk niet verrassend dat ze het laatste halfjaar een vlucht namen en zowel opdoken op sociale media als in de kranten. Zelfs prestigieuze tijdschriften als Times Literary Supplement en Foreign Affairs gaven ruimte aan academici die stelden dat de Russischtalige literatuur medeschuldig is aan de moord, verminking en verkrachting van Oekraïners. In de Wiener Zeitung schreef de Nederlandse slavist Bob Muilwijk, een PhD-student aan de universiteit van Salzburg, dat Poesjkin en Dostojevski hebben bijgedragen aan de „normalisering van imperiale fantasieën” en het „miskennen van het zelfbestemmingsrecht van volkeren”. Opvallend is de wollige retoriek: Muilwijk zegt dat „de Russische literatuur niet onschuldig is”. Een gedachte die in NRC door Hubert Smeets wordt herhaald als hij instemmend citeert dat „die bewonderde Russische cultuur helemaal niet zo hors concours is”. De Oekraïense filosoof en journalist Volodymyr Yermolenko stelde in Foreign Affairs dat „de Russische cultuur niet de enige oorzaak is van de Russische misdaden”. Dat artikel werd later door Smeets in vertaling herplaatst op de mede door hem samengestelde website Raam op Rusland.

Tja, als iets ‘niet onschuldig is’, dan is het dus schuldig, en is de bommenregen op Marioepol mede mogelijk gemaakt door Poesjkin en Tolstoj.

Poesjkin en de Russische bommenregen

Vaak worden dergelijke aanvallen op de literatuur (of op de kunsten in het algemeen) weersproken met een zoetsappig beroep op de helende en verbindende krachten van de literatuur en de ‘dialoog’ die ze zouden aanwakkeren.

Dat zijn holle clichés. Er is niets heiligs aan schrijvers of dichters, en het uiten van onnozele politieke inzichten is heus niet voorbehouden aan Smeets of Salzburgse promovendi. Ook Poesjkin en Dostojevski deden wel eens onzinnige of foute politieke uitspraken, Dostojevski zelfs vrij vaak. Literatuur is nooit boven kritiek verheven geweest, en er is altijd fel gediscussieerd over schrijvers en de werelden die ze creëerden. Bekend is de felle oppositie tegen Dostojevski, aangevoerd door Vladimir Nabokov, Milan Kundera en Karel van het Reve. Ze namen het op tegen Dostojevski-vereerders als Thomas Mann, Franz Kafka, en Virginia Woolf.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Maar zelfs Nabokov zou nooit beweren dat een verkrachtende Russische soldaat mede door Dostojevski tot zijn misdaad gekomen is. Toch is dit wel wat bovenstaande intellectuelen beweren. Zaboezjko zegt in Times Literary Supplement, refererend aan de gruwelen van Boetsja, dat „de weg naar oorlog en vernietiging met boeken is geplaveid”. Russischtalige boeken in dit geval, want iets anders konden die soldaten echt niet lezen. Hoeveel boeken ze precies gelezen hebben, zegt ze er niet bij, maar in ieder geval slaat ze de jonge verkrachters van Boetsja een stuk hoger aan dan de gemiddelde Nederlandse twintiger, die dankzij de ontlezing blijkbaar ongeschikt is om een goede massamoord te plegen.

Die laatste opmerking is een beetje makkelijk. Wat zij willen beweren is dat schrijvers als Poesjkin en Dostojevski altijd als gezaghebbende grootheden zijn gepresenteerd aan generaties scholieren en studenten, waardoor hun politieke ideeën – wat die ook zijn – in het bewustzijn van het hele Russische volk zijn geprent. En als het waar is, wat Smeets beweert, dat Poesjkin „het Russisch imperialisme bejubelde”, ja dan zou het mogelijk zijn dat de Russische bommenregen op Oekraïne mede door Poesjkin is veroorzaakt.

Lees ook dit artikel van Ian Buruma: De Russische ziel is schuldig – met die culturele analyse is iets mis

Allereerst: is het waar? Bejubelde Poesjkin het Russisch imperialisme? Dat blijkt lastig. De heersende macht zag de dichter als een gevaarlijk criticus. Poesjkin was voorstander van een grondwet die de macht van de tsaar zou inperken en de rechten van individuen zou vastleggen. Om die reden is hij verschillende keren verbannen, werd hij extra streng gecensureerd en stond hij zijn hele leven onder toezicht van de geheime politie. Soms vind je positieve karakteriseringen van het imperiale bestuur en de legitimatie van staatsgeweld, zoals in zijn ‘Poltava’, een lang gedicht dat steeds weer wordt aangehaald, onder anderen door Muilwijk en Yermolenko. Bewijst dit dan Poesjkins medeplichtigheid aan het moordende artillerievuur in de Donbas? Moeilijk. ‘Poltava’ is vrij onbekend, de eerste oplage van 1.200 exemplaren werd tijdens Poesjkins leven nooit herdrukt. Later wel, maar een veelgelezen werk werd het nooit. Je kunt erover nadenken wat Poesjkin ermee wilde, en welk effect hij ermee beoogde. Maar wat dat ook oplevert, in het overgrote deel van Poesjkins werken, waaronder de meest populaire, speelt de imperiale macht een verwaarloosbare rol of wordt ze bekritiseerd, zoals in zijn veel populairdere versvertelling ‘De bronzen ruiter’. Overigens is het bij Poesjkin altijd onduidelijk welke politieke of ideologische positie hij inneemt omdat al zijn werken zich kenmerken door een alles doordringende ironie, een onserieuze lichtheid, en een spel met literaire clichés. Heel moeilijk om met zo’n schrijfwijze politieke propaganda te bedrijven.

‘Culturele representatie’

Een ander vaak aangehaald voorbeeld is Joseph Brodsky, die in 1993 een fel anti-Oekraïens gedicht schreef. Dit lijkt veel serieuzer, omdat dit veel recenter is en veel specifieker met de oorlog tegen Oekraïne verbonden kan worden. Het wordt daarom steeds weer aangehaald. Wat er niet bij wordt verteld is dat Brodsky dit gedicht nooit heeft gepubliceerd. Hij droeg het een keer voor op een festival, en van die voordracht is een vaag filmpje gemaakt. Daarna borg hij het op. Dat het gedicht überhaupt bekend is, komt door mensen die Brodsky willen opvoeren als een verdediger van het Sovjet-imperialisme, en die daarom dat vage filmpje blijven verspreiden. Verder was Brodsky zoals bekend veroordeeld als een vijand van het Sovjet-imperialisme, gemarteld, naar een kamp in de poolcirkel gestuurd, en uiteindelijk het imperium uitgeschopt met achterlating van zijn vriendin en hun jonggeboren zoon, die hij nooit meer zou terugzien. Hij was de schepper van een poëtisch oeuvre van labyrintische complexiteit, waarin je eindeloos allerlei betekenissen kunt ontdekken. Wie zou met droge ogen durven beweren dat die complexe wereld heeft bijgedragen aan de ‘normalisering van imperiale fantasieën’? Nou, heel veel mensen, die gemeen hebben dat ze weinig geïnteresseerd zijn in de historische feiten en even weinig in de kritische interpretatie van die feiten.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Het is duidelijk dat de bovenstaande anekdotische ‘bewijzen’, en mijn ontkrachting ervan, er eigenlijk niet toe doen. Aan hun ideeën ligt een heel andere theorie ten grondslag, die helemaal geen bewijzen nodig heeft. Die theorie is opgebouwd rondom het concept van ‘culturele representatie’, dat stelt dat de ‘cultuur’ altijd een vertegenwoordiging is van de heersende machtsstructuren. Deze theorie is in de jaren tachtig geïntroduceerd door onder anderen Stuart Hall, een bewonderde en gelauwerde Britse cultuurfilosoof, en bouwt verder op het denken van Pierre Bourdieu (die stelde dat het ‘de voorbestemde sociale functie van kunst was om sociale verschillen te legitimeren’) en eerdere marxistische cultuurfilosofen zoals Georg Lukácz, en de minder bekende, maar imponerende Michail Livsjits. Hall maakt daarbij regelmatig het punt dat de culturele representatie niet alleen een reflectie achteraf is van die werkelijkheid, maar ook een ‘constituerend’, vormend effect heeft op de werkelijkheid.

In zijn beperkte, beargumenteerde vorm maken deze ideeën ons erop attent dat vooroordelen en rolpatronen niet alleen worden uitgedragen in woorden, maar ook in beelden, clichématige personages, stijlfiguren en zo meer.

Maar in zijn alomvattende en radicale vorm leiden deze ideeën tot de stelling dat iedere historische cultuuruiting in meer of mindere mate medeschuldig is aan historisch onrecht, behalve als het zich daar (in hedendaagse ogen) volkomen en krachtdadig tegen heeft verzet.

Niet-culturele karakter van kunst

Wat in deze theorie terzijde wordt geschoven is de ontzaglijke zeldzaamheid van artistieke kwaliteit. Ja, je kunt ongestoord zeggen dat de muziek van Bach een ‘representatie was van de machtsstructuren van zijn tijd’, daar kan zelfs niemand iets tegen inbrengen, en dat die muziek dus een vorm van religieuze propaganda was. Maar dat gold voor alle componisten uit Bachs tijd, die vrijwel allemaal vergeten zijn, omdat hun muziek doodvermoeiend is. Bachs muziek niet. Er zit dus iets in die muziek van Bach dat niet representatief is voor zijn tijd. En het is precies die uitzonderlijke, niet-representatieve kwaliteit die we in kunst bewonderen. En omdat de muziek van Bach kwaliteiten heeft die niet de representatie zijn van een bepaalde ideologie, en niet de representatie van een bepaalde tijd, cultuur of mentaliteit, kunnen mensen van volstrekt andere culturele achtergronden probleemloos van die muziek genieten.

Je zou dit het niet-culturele karakter van kunst kunnen noemen. Of beter: de meest wezenlijke eigenschap van kunst is het niet-culturele ervan.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Dat klinkt grappig, en dat lijkt me terecht. De waarheid behoort grappig te zijn. Maar voor de meeste sociologen en culturele theoretici is deze gedachte simpelweg onacceptabel; een belachelijke ketterij. Alles is immers een product van sociale structuren, alles is een product van machtsconstellaties, ook mijn ‘verheven smaak’, ook de zogenaamde ‘canon’, ook die is geproduceerd door machtige mannen, ook die is een representatie van cultuur. Er is niets dat zich daaraan kan onttrekken, er bestaat geen esthetische kwaliteit die Rembrandt wezenlijk onderscheidt van de middelmatigen en de klunzen.

Prima, zij mogen dan de rest van hun leven luisteren naar de muziek van Johann Kropfgans (1708-1770), Mental Theo (geb. 1965) en Karel Komzak (1850-1905), terwijl ik luister naar Prince en Bach. Zij mogen zich verdiepen in het verzameld werk van Ds. Ype Schaaf, de columns van Sander Schimmelpenninck en teksten van Pierre Kartner, terwijl mijn vrienden en ik Isaak Babel lezen, Wislawa Szymborska en Alexander Poesjkin. Veel plezier!

Het wezenlijke van grote kunst is dat het de menselijke ervaring uitbreidt, en niet – zoals ideologieën – het menszijn definieert, systematiseert en inperkt

Dat niet-culturele, niet-representatieve, bepaalt ook het anti-ideologische karakter van kunst. Dat wat kunst uitzonderlijk maakt verzet zich tegen de eventuele ideologische inhoud ervan. Ja, de Tintoretto’s in de Scuola di San Rocco bestaan ter meerdere eer en glorie van de katholieke kerk, dat is waar maar ook gratuit. Kazuifels en bidprentjes bestaan ook ter meerdere eer en glorie van de katholieke kerk. Maar die laten iedereen koud, terwijl je bij het zien van die Tintoretto’s licht in je hoofd wordt, en wankele knieën krijgt, en het gevoel krijgt een pasgeborene te zijn die voor het eerst op de tast de tepel van zijn moeder vindt. Iedereen kan deze ervaring ondergaan, niets staat het in de weg, ook als je vrijwel geen of helemaal geen kennis hebt van de historische en ideologische context van het werk.

Beeldenstormen en boekverbrandingen

Ja, je kunt beweren dat de verhaalwereld van De gebroeders Karamazov zich beweegt in een conservatieve levensfilosofie, maar tegelijkertijd zegt dat vreselijk weinig over die roman, het is een futiel gegeven, niet betekenisvoller dan het gegeven dat het zich in Rusland in de 19de eeuw afspeelt. Ik hou toevallig niet van dat sinistere conservatisme van Dostojevski, ik moet een zekere weerzin overwinnen als ik hem lees, maar toch word ik meegesleept, omdat die roman uiteindelijk dat conservatisme buitenspel zet – omdat het alle ideologieën buitenspel zet. Omdat het wezenlijke van grote kunst is dat het de menselijke ervaring uitbreidt, en niet – zoals ideologieën – het menszijn definieert, systematiseert en inperkt.

De aanval op de Russische literatuur is niet alleen een resultaat van de emoties van de oorlog, maar ook van ontwikkelingen in de academische en intellectuele wereld die al langer gaande zijn. Ze hebben een krachtig antwoord nodig. Want als vandaag de hele Russische cultuur schuldig wordt verklaard, dan zal morgen blijken dat de Chinese, Amerikaanse en Joodse culturen net zo min onschuldig zijn. Daarbij: oorlogen zijn te vaak gepaard gegaan met beeldenstormen en boekverbrandingen om dit niet serieus te nemen.