Recensie

Recensie Boeken

Een jongen die het laatste dodo-ei uitbroedt

Jeugdboek De lievelingsschrijver van de 12-jarige hoofdpersoon in dit kinderboekendebuut is Lewis Carroll – vrij opmerkelijk. Mohana van den Kroonenberg neemt je moeiteloos mee in Dorians gedachtewereld.

De stotterende hoofdpersoon ziet in Lewis Carroll zijn voorbeeld – omdat hij in Alice in Wonderland een betekenisvolle dodo opvoerde.
De stotterende hoofdpersoon ziet in Lewis Carroll zijn voorbeeld – omdat hij in Alice in Wonderland een betekenisvolle dodo opvoerde.

Stel, je schrijft je allereerste kinderboek – hoe voor de hand liggend is het dan om als hoofdpersoon een twaalfjarige te creëren die Lewis Carroll als lievelingsschrijver heeft? Een zonderling die kleine meisjes adoreerde en eigenlijk Charles Dodgson heette, maar deze naam niet gebruikte omdat hij chronisch stotterde en bleef steken bij Do-Do? Het antwoord laat zich raden: niet zo heel erg. Als twaalfjarigen al een lievelingsschrijver hebben, zal dat vast niet Carroll zijn; de Disneyversie van zijn Alice in Wonderland zullen ze nog wel kennen, maar daar houdt hun kennis vermoedelijk op.

Mohana van den Kroonenberg (1967), die eerder een verhalenbundel voor volwassenen publiceerde, trekt zich in haar kinderboekendebuut Dodo daarvan echter weinig aan: ‘Fantasie is het enige wapen in de oorlog tegen de realiteit’, zegt ze Carroll na. Een mooi motto. En ja, in fictie kan alles. Niettemin zul je je lezers wel moeten meenemen in je verhaal. Zeker wanneer je dit vertelt vanuit het perspectief van een onzekere tiener die tijdens het kennismakingsrondje in de brugklas zichzelf wil voorstellen als Dorian, maar, net als zijn onwaarschijnlijke held, stokt bij Do-Do en een stotteraar blijkt, waarna hij besluit voorgoed te zwijgen en zichzelf opsluit in zijn hoofd.

Opgezette dodo

Gelukkig kan Van den Kroonenberg schrijven en stap je moeiteloos in Dorians gedachte- en gevoelswereld. Zeer invoelbaar is zijn terugverlangen naar de zomer met zijn beste vriend en verhalenverteller Ramses en hun twee vriendinnetjes in de boomhut. Nikita’s ‘kauwgomkus’ met haar bubblegum op die van hem geplakt is een ontroerende, stille getuige van die heerlijke vakantietijd. Pijnlijk daarentegen is zijn ervaring daarna wanneer klasgenoten hem tijdens een schoolbezoek aan een natuurhistorisch museum meevoeren naar een opgezette dodo en hem zo confronteren met zijn stotternaam. Alsof ‘ze me naar het schavot sleuren’, denkt Dorian, en ‘ik meewerk aan mijn eigen ondergang’.

Dodo is echter geen probleemboek 2.0. In de vogelzaal wordt Dorian uiteindelijk begoocheld door wat hij ziet: ‘een fabeldier, zo fantasievol, dat ik bijna de indruk krijg dat ik het zelf verzin’. Het treffend beschreven magische moment leidt ertoe dat de jongen het allerlaatste dodo-ei uit het museum achteroverdrukt en uitbroedt in zijn kledingkast en een vriendschap voor de uitgestorven loopvogel ontwikkelt. Die is zo sterk dat hij met zand en een schelpenbak met water diens thuiseiland Mauritius nabouwt in zijn kamer, wat hilarische scènes oplevert die de zware thematiek licht verteerbaar maken.

Volwassen stem

Van den Kroonenberg weet het ongeloof knap op te schorten. Zo bedenkt Dorian in de vogelzaal dat ‘het laatste dodo-ei’ net ‘de titel van een sprookje’ lijkt. Dat doet hem beseffen dat niet alleen Ramses vol verhalen zit, maar hijzelf ook: ‘Opeens ben ik zo’n verhaal’, merkt hij op, waarna fantasie en werkelijkheid door Dorians schrijfsels in zijn oude dagboekachtige schriftje, dat hij sinds die mislukte eerste schooldag weer tevoorschijn heeft gehaald, geloofwaardig in elkaar overlopen en Dodo zodoende meer dan het zoveelste imaginaire vriendje is.

Niet alles overtuigt. Ja, het verhaal staat vol fraaie zinnen met speelse verwijzingen naar allerlei kinderboeken (van Dit is geen dagboek tot Eilanddagen) en goedgekozen beeldspraak. Zo slingert Dorian ‘herinneringen weg als druppels water uit nat haar’. Tegelijkertijd klinkt zijn stem soms te volwassen. Zoals zijn uiteindelijke inzicht dat ‘het hele leven misschien wel bedoeld is om ervoor te zorgen dat er bij een afscheid niks meer gezegd hoeft te worden, dat je alles al weet, dat je er zeker van bent dat alles goed is, al heb je vragen en doet het pijn’. Ook jammer: de uitleg over Carroll die een dodo in Alice zou hebben opgevoerd om het gestotter bij het uitspreken van zijn achternaam ‘een plek te geven’ en daarom Dorians voorbeeld is. Dat voelt als een verantwoording voor het verhaalgegeven en verzwakt Van den Kroonenbergs pleidooi voor de verbeelding. Maar verder: alle lof.