Opinie

De moordzucht van een medepassagier

Jannetje Koelewijn

We stappen in de trein van Maastricht naar Eindhoven, mijn zus en ik, afgelopen zaterdag, en omdat er naast ons een lawaaiig gezin komt zitten, gaan we naar de stiltecoupé, eersteklas. We lezen de krant op onze telefoon en soms zeggen we wat tegen elkaar, zachtjes. Dan letten we op de man schuin tegenover ons. Heeft hij er last van? En hij zit op ons te letten, luidruchtig sabbelend op zijn lolly. Maar het echte gevaar doemt ineens achter mijn zus op: een man van 2 meter lang en 150 kilo zwaar, mínstens. Hij buigt over mij heen, brengt zijn gezicht vlak voor het mijne en legt zijn wijsvinger tegen zijn lippen. Zijn ogen staan moordlustig.

We sprinten de coupé uit, langs de conducteur, die vraagt wat er aan de hand is. Hm, hm, hij zal gaan kijken. Even later komt hij melden dat twee andere reizigers de coupé ook hebben verlaten. Heeft hij er wat van gezegd tegen de reus? „Nee”, zegt de conducteur. „In de stiltecoupé dient het stil te zijn, alleen in geval van calamiteiten mag er gesproken worden.” Hij is blij als reizigers elkaar op hun gedrag aanspreken. Normaal halen ze hem er meteen bij. En die man had ons toch niet aangeraakt?

Ik denk aan de conducteur laatst in de trein van Amsterdam naar Den Haag die wat ging doen aan het grote aantal reizigers dat met een tweedeklasticket in de eerste klas zit. Hij riep om dat hij zo kwam controleren. Verkeerd kaartje? „U heeft nu de kans om u te verplaatsen.” Drie vrouwen in de eersteklas sprongen op, maar pas toen hij de coupé binnenkwam. „Blijft u nu maar zitten”, zei hij tegen ze en ik zag ze denken: hij ziet het door de vingers. Maar nee, nadat hij alle andere reizigers gecontroleerd had, schreef hij zwijgend drie bekeuringen uit.

Als je mij laat kiezen tussen de preciezen en de rekkelijken, dan kies ik voor de rekkelijken. Maar ik heb gemakkelijk praten. Ik hoef de orde niet te handhaven. De conducteur in de trein naar Eindhoven zegt dat hij op sommige trajecten geen controles meer doet. En zint dat de bazen op het hoofdkantoor niet? Jámmer. Zij worden niet in het gezicht gespuugd. Ja, hij gaat deze week staken.

Bij het overstappen op de bus naar Boxtel (werkzaamheden aan het spoor) vraag ik aan de reus waarom hij het zo erg vond, dat gepraat van mijn zus en mij. „Stelletje gekken”, zegt hij, hijgend voor ons uit strompelend. „Jullie houden je niet aan de regels.” In Boxtel deelt de NS flesjes water uit. Hij propt er twee in zijn tas. Mijn zus neemt de trein naar Amsterdam, ik die naar Den Haag en ik ga in zo’n kleine stiltecoupé zitten, alleen, bij het raam. Wat gebeurt er? De reus stapt in. Hij gaat bij de deur zitten. Hij kijkt naar mij en mijn telefoon, bij voorbaat woedend. Hij hóópt gewoon dat ik geluid ga maken. O, jongens, wat was het noodnummer van de NS ook alweer.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt in de zomer een aantal keren de vaste columnisten op deze plek