Mijn opa, de leeuwentemmer

Schrijfwedstrijd In de warme zomer van 1959 werd de stoutmoedige grootvader van Cyrano plots bang. Met tragisch gevolgen. Het laatste winnende verhaal van NRC’s Zomerschrijfwedstrijd, door .

Illustratie Myrthe van Heerwaarde

Ik ben geboren in Bergerac – het stadje in de Dordogne, de streek die al oud was toen Jezus nog moest worden geboren – en werd tot vervelens toe ‘Cyrano’ genoemd.

Mijn opa had een circus, althans dat maakte ik ervan, in elk geval werkte hij als leeuwentemmer. Met zijn ‘majestic roaring number’ moet hij elke hoofdstad in Europa vanuit de piste tot opwinding hebben gebracht.

Hij was een korte, robuuste man met stekeltjeshaar en altijd opgestroopte mouwen waaruit stevige armen met driftige knuisten staken, die weinig aansporing nodig hadden om een dreun uit te delen. Maar voor z’n leeuwen was hij goed. En voor mij ook.

Kuif

Dat stekeltjeshaar kwam, vertelde hij, omdat als hij z’n hoofd in de opengesperde muil van Brutus, de grootste der leeuwen, stak, die soms stukjes van z’n kuif had afgeknabbeld – niet uit agressie, maar uit liefde om te spelen.

Dat hoofd in die leeuwenbek was nog maar een bijzaakje in wat hij zoal met zijn roofdieren uitspookte. Opa leverde spektakel. In zijn mooiste tijd had hij een nummer gehad met zowel leeuwen als tijgers – het moeilijkste wat er bestaat, want beide diersoorten zijn niet dol op elkaar, en er sluimerde altijd oorlog. De enige manier om de rust te bewaren, was door zelf de absolute meester in de piste te zijn.

Maar hij werd oud, net als zijn leeuwen. In Bergerac waren ‘we’ blijven plakken nadat, op de dag van mijn geboorte, een van de leeuwen opa had gebeten. „Dat is voor het eerst in 63 jaar!” had opa uitgeroepen bij de stadsdokter, die de jaap in zijn bovenarm dichtnaaide, terwijl opa om de pijn te verbijten een dik stuk touw tussen z’n tanden klemde.

Elke dag reed opa op een Solex naar de stad om bij slagers vleesrestanten en botten te halen

Het was de zomer van 1959, die prachtige zomer toen de zon in het blauw vastgemetseld leek te zitten. De drie oude leeuwen zaten puffend opgesloten onder het geboomte. Elke dag reed opa op een Solex naar de stad om bij slagers vleesrestanten en botten te halen. Ik, al bijna vijf, was met twee emmertjes water tussen verbogen tralies de kooi binnengekropen naar die zonhoofdige dieren, met hun imposante manen en muilen vol ivoren uitsteeksels. Ze begroetten me als een weergekeerde vriend. Nu, jaren later, kan ik nog de leeuwengeur ruiken, de warme ademhaling voelen uit hun geopende bekken.

Maai met de klauw

Net kwam opa aanrijden op zijn Solex. Geschrokken stapte hij, zonder z’n machtige zweep, de kooi in. De leeuwin die hem ooit had gebeten, had mij tegen zich aan getrokken en toonde weinig bereidheid mij af te staan. Een maai met een klauw deed opa terugdeinzen. Vaak had hij gezegd dat het pas gevaarlijk wordt wanneer leeuwen angst bij je bespeuren.

En hij wás bang geworden. Wie juist aan kwam lopen, was Tobias, de ook al bejaarde clown. Doortastend reikte hij opa het jachtgeweer aan dat altijd in de buurt van de leeuwen klaarstond. „Schieten”, zei hij zacht. Maar opa kon het niet.

En toen deed Tobias het. Met één schot raak.

Ik had nog nooit een volwassene zien huilen; al draaide opa zijn hoofd weg, van zijn rug droop het verdriet.

Zeker een week heeft hij mij geen aandacht geschonken. Maar op een dag tilde hij me op en droeg me naar de leeuwenkooi. Waar er één ontbrak. Ooit zou ik de lacune opvullen. Dat wist hij zeker. „Leeuwen houden van jou, zoals ze dat ooit van mij deden.”

Het is niet gelukt. De zomer snelde weg. Opa ging dood, ik erfde zijn zweep, maar de leeuwen werden verkocht.

En ik werd clown. Met een Solex, heimwee naar de geur van leeuwen en met de naam Cyrano.