Opinie

Dit verhaal won de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd 2022: ‘Ik ben het’ van Christine Geense

heeft dit jaar met haar verhaal ‘Ik ben het’ de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd gewonnen, waar NRC als partner aan verbonden is. Hieronder lees je haar winnende verhaal.

Foto Frank van Delft
Foto Frank van Delft

Ik ben het

Toen Lauren wakker werd, was ze ineens negentig jaar oud.

Al had ze wat haar betreft ook honderd kunnen zijn, of achtenzeventig – haar precieze leeftijd ontdekte ze pas dagen later op het etiket van een pillendoosje.

Ze merkte het aan de manier waaróp ze wakker werd. Alsof ze boven kwam drijven vanuit een diepte die van plan was geweest haar onder te houden. Ze voelde het aan de vertraging waarmee haar lijf de wens van haar hoofd om uit bed te komen volgde. En tenslotte zag ze het, in het felle tl-licht van de badkamerspiegel: de verticale groeven over haar wangen, haar oogleden als schaduwdoeken boven een waterige blik.

Natuurlijk was ze in paniek, wat denk jij. Ze was naar bed gegaan als een dertigjarige. Een uur te laat, zoals gewoonlijk, en met het gevoel dat ze iets vergeten was. Ook zoals gewoonlijk.

En nu was ze gek geworden.

Niet gek, hield ze zichzelf voor. Ze bracht haar gezicht dicht bij de spiegel, bewoog met haar duimen haar laaghangende oorlellen. Een soort neurologische disconnect. Dat was het. Ze moest een paar keer over het scherm vegen voor ze haar telefoon ontgrendeld had.

Sarah nam met vragende stem op.

‘Hee, ik ben het,’ zei Lauren, en ze schrok van het schrapende geluid dat uit haar keel kwam.

‘Met wie spreek ik?’ vroeg Sarah.

‘Hoor je mij?’ vroeg Lauren.

‘Ja, ik hoor u.’

Lauren haalde haar telefoon van haar oor, keek ernaar, draaide ’m rond in haar handen. Dit was toch haar telefoon? ‘Mevrouw?’ hoorde ze, voordat ze na hard en herhaaldelijk drukken eindelijk wist op te hangen.

Ze moest naar Sarahs verjaardag.

De kleren van gisteren hingen over een stoel. Ze trok ze aan en ging voorzichtig de trap af, met beide handen aan de leuning. Ze raapte gauw wat spullen bij elkaar, trok haar leren jack aan en stapte naar buiten. Op de stoep voor haar deur lag een laagje verdorde bloesems. Een bezorgscooter scheurde rakelings langs.

Ze pakte haar fiets en probeerde weg te komen. Maar ze durfde haar voet niet los te maken van de grond. Bij elke hobbel dacht ze dat ze ging vallen. Ze parkeerde haar fiets op de hoek en vervolgde haar weg lopend in kleine, vastberaden stappen.

*

Het park lag aan een drukke weg nabij een evenzo druk kruispunt. Ze was nog maar net begonnen met oversteken toen het groene licht begon te knipperen. Een hand omvatte haar elleboog. ‘Pas op hoor, mevrouw,’ zei een jongensstem – samen waren ze in een paar stappen aan de overkant – ‘want ze rijden hier zó over u heen.’ De jongen glimlachte haar beleefd toe. Hij was geen jongen, zag ze nu, maar een man van haar leeftijd. Lauren bedankte hem. Hij tikte met twee vingers tegen zijn slaap en liep soepel weg.

Bij de zuidingang van het park ging ze even zitten op een bankje. Alles deed zeer: haar longen, haar onderrug. Maar vooral haar voeten. Met moeite trok ze haar hoge All Stars uit, wreef over haar opgezette enkels.

Het duurde niet lang of er scharrelden kippen om haar heen. Zo meteen zouden de duiven komen, misschien ook de halsbandparkieten. Ze zat hier liever niet, precies om die reden: hier zaten alleen oude mensen die met hun kruimels een compleet verkeerd ecosysteem in stand hielden.

*

Iemand had de ballonnen omgedraaid waardoor er nu ’23’ stond. Haar vrienden zaten aan de rand van het veld, picknickkleden uitgespreid over het gras. Ze schuifelde langzaam op hen af – haar lichaam had steeds meer moeite haar hoofd bij te benen. Stephens bulderende lach rolde haar tegemoet. Sarah kroop over het gras richting een koelbox. Lauren bleef vlak voor de koelbox staan. De gesprekken op de kleedjes verstomden.

‘Hallo,’ zei Sarah vriendelijk.

Lauren keek de groep rond. Ze wilde iets zeggen, ze wilde haar naam noemen, ze wilde hun namen noemen, maar op dat moment realiseerde ze zich met een misselijkmakende paniek dat ze niet meer al hun namen wist.

‘Kan ik u helpen?’ vroeg Stephen, de stilte doorbrekend.

Ze miste hem zo ontzettend.

‘Ik kom voor het feestje,’ zei ze.

Iedereen keek van haar naar Stephen en weer terug en naar elkaar. Ze voelde de verwarring, de opgelatenheid – het was als een golf die stuksloeg op haar middenrif. Ze liet zich op de koelbox zakken.

Iemand vroeg of het ging. Sarah gaf haar een plastic bekertje met water.

Lauren knikte. ‘Dit is zo weer over.’

Stephen hurkte naast haar neer. Het viel haar nu pas op dat hij dat leuke shirt aanhad waarvan ze dacht dat ze het ooit samen op een markt in Hanoi hadden gekocht. In werkelijkheid was dat in Lissabon.

‘Blijft u vooral rustig zitten,’ zei hij. Hij was altijd zo aardig. ‘Als we iets voor u kunnen doen, zeg het gerust.’

‘Ik lust wel een wijntje.’

Hij was geamuseerd, ze zag het. Hij schonk haar een bekertje in en ging terug naar zijn gesprek. En toen zat ze daar, op haar koelbox; met twee witte plastic bekertjes in haar handen die allebei zachtjes schudden.

Chipszakken gingen rond. Er was maar één iemand met een pakje sigaretten, maar dat mocht op. Een vriend appte last-minute af. Mensen vroegen waarom, informeerden naar andere bekenden, waar waren die eigenlijk?, en natuurlijk kwam Lauren zelf ook ter sprake: of ze wel was uitgenodigd (ja), of iemand haar onlangs had gesproken (alleen Sarah). Hoe het met haar ging. Misschien was dit het moment geweest waarop ze zichzelf kenbaar had kunnen maken, maar Lauren was te geïntrigeerd om het gesprek te onderbreken. Ze hoorde dat het wel oké met haar ging. Dat ze probeerde om weer in een ritme te komen maar dat ze het moeilijk had, het was nog niet verwerkt. Lauren luisterde aandachtig naar het verslag van haar leven; een verhaal dat accuraat was en respectvol en tegelijkertijd zo verstoken van een essentie dat het over een ander had kunnen gaan.

Ze bleef wachten op het juiste moment om in te breken, maar ze herkende het elke keer pas als het voorbij was.

Het gesprek ging over op iemand anders. Af en toe kwam Lauren overeind om iemand een blik bier uit de koelbox te laten pakken. Verder zat ze stil te luisteren. Ze hadden geen last van haar.

*

Sarah en een paar andere meiden stonden op. Ze moesten plassen. Dicht bij het kippenhok was een goed beschut stukje park, dat wist iedereen. ‘Wacht op mij!’ riep Lauren, en ze liep een stukje achter hen aan.

Maar ze stopten.

Dit was het punt waarop Sarah moest ingrijpen, dat snap je.

Sarah zei: ‘Misschien is het beter als ik een taxi voor u bel.’

‘Maar ik moet plassen.’

‘Ik kan u naar een café verderop brengen.’

‘Komen we dan wel terug?’

Sarah keek ongemakkelijk naar Stephen.

‘Ik ben Lauren,’ zei ze. Ze zocht in haar jaszak naar haar telefoon, voelde rond voor haar portemonnee. Die had ze toch meegenomen?

‘Laat mij maar,’ hoorde ze Stephen zeggen. ‘Kun jij verder met je verjaardag.’

Ze vond wel haar huissleutels. Die zwaaide ze nu driftig rond, als een rinkelend bewijsstuk.

Stephen nam Lauren zachtjes bij de arm en voerde haar via de oostkant het park uit, de straat over, het café in met de hoge opstap en de luide muziek. Hij had fijne, warme armen.

Niet lang nadat ze van de wc kwam stopte er een taxi voor de deur. Stephen zwaaide naar de chauffeur.

‘We hebben dat shirt samen in Hanoi gekocht,’ zei Lauren.

Stephen hielp haar voorzichtig de taxi in. ‘Ik ben nooit in Vietnam geweest, helaas,’ zei hij. Hij vroeg om haar adres en herhaalde het voor de chauffeur. Blanco. Alsof zijn fiets niet jarenlang tegen haar raam had gestaan.

‘Ik wil nog niet gaan, Stephen,’ zei ze.

‘Het spijt me,’ zei hij, en hij sloot zachtjes het portier.

*

Het was donker toen ze thuiskwam. Ze draaide de voordeur achter zich op slot, hing haar jack aan de kapstok. Ze knipte het licht aan. Midden in de hal stond een bureaustoel. Ze liet haar sleutels uit haar handen vallen. In plaats van een harde tik hoorde ze iets dofs.

Er lag tapijt op de vloer.

Toch wist ze dat ze thuis was. Ze herkende de geur.

Lauren schuifelde richting de stoel. Het was een traplift, zag ze. Het duurde een eeuwigheid voor ze boven was. Boven op de wasmachine in de badkamer vond ze een bril, naast een ketting met een noodknop. Ze merkte pas hoe moe haar ogen waren toen ze haar bril opzette. Ze liet zich met behulp van de beugels zakken op het toilet en plaste klaterend.

Ze kleedde zich om op de rand van haar verhoogde bed en liftte in badjas naar beneden. In haar woonkamer bekeek ze de schilderijen aan de muur, de foto’s op het dressoir, de televisiegids op een tafeltje recht onder een grote lamp naast de bank.

Ze zette de thermostaat wat hoger en ging zitten.

Ze was doodop, maar voorlopig zou ze niet slapen.