Bidden om regen

Uit het archief Er wordt vaak verwezen naar de zomer van 1976. Titia Ketelaar las in het NRC archief hóe heet en hoe droog die was.

Beeld NRC

Het is droog en warm in Nederland. Zo droog dat het zeewier in het Zeeuwse Ossenisse niet meer klapt als je er op gaat staan. Zo warm dat in „het duurdere gedeelte van Amsterdam-Zuid (tandartsen en specialisten)” in de tweede week van juli drie mannen worden gesignaleerd „die inkopen deden slechts gekleed in sandalen en Bermuda-shorts”.

Welkom in de zomer van 1976, het jaar waarin droogte- en warmterecords werden verbroken. Op een winter met storm, sneeuw en vorst volgden de allerdroogste aprilmaand ooit, de allervroegste regionale hittegolf ooit, en drie hete zomermaanden met tien achtereenvolgende tropische dagen.

Het is zo heet dat het asfalt smelt, er tropenroosters worden ingevoerd, en er niet alleen bos-, maar ook gazonbranden ontstaan. De afgelopen weken werd vaak naar die zomer verwezen.

Het eerste stuk dat de NRC-lezer tegenkomt over de droogte, is een artikeltje over een grootscheepse reddingsactie van de brandweer van Ede om de zevenhonderd reeën, herten, moeflons en wilde zwijnen aan water te helpen: „Omdat er in de meeste vennetjes geen druppel water meer te vinden is zijn met tankautospuiten grote hoeveelheden water aangevoerd. Het karwei wordt in de avonduren uitgevoerd, omdat de Edese brandweer, net als de andere korpsen in bosrijke gebieden, overdag de handen vol heeft met bewaking. De kans op bosbranden is nu zeer groot.”

Hulp krijgsmacht

De alarmerende berichten volgen steeds sneller op elkaar. Al meldt de krant eind juni dat „alleen Limburg zich zorgen maakt over de lage waterstand van spaarbekkens en het publiek tot zuinigheid maant”. De Bescherming Bevolking is dan al ingezet om besproeiingsapparatuur te leveren aan boeren – maar die krijgen zo’n installatie „hooguit een of twee dagen, voor ongeveer dertig gulden per uur”.

Een week later besluit minister Henk Vredeling (Defensie, PvdA) dat de krijgsmacht gaat helpen bij de bestrijding van de droogte in de landbouw. Maar de schade is groot, al krijgen boeren compensatie. Die is er niet voor sporters: omdat voetbal- en hockeyvelden niet mogen besproeid, wordt de competitie tot half september uitgesteld.

Andere hulp komt van de bisschoppen. Zij roepen half juli gelovigen op te bidden voor regen. Het helpt – heel even. De weerkundig medewerker van NRC meldt dat „de eerste regen van betekenis sedert lange tijd vorige week mens, dier en plant [heeft] verfrist. Maar daarmee is de droogte niet geëindigd: na het droge tijdvak dat bijna een half jaar in beslag heeft genomen, is er meer nodig dan er tot nu toe is gevallen om de ergste nood te lenigen.”

De gevolgen van de droogte zijn groot. In Ossenisse tekent de verslaggever op dat de herfst midden in de zomer is begonnen: „Op het veld zijn het bietenloof en de bonen verschroeid, het wordt gemaaid, een aanvulling op het schamele wintervoer voor het vee. (..) De eens zo groene dijk, voedselbron voor koeien en schapen, slingert zich als een gele grillige banketstaaf langs de oever van de Westerschelde.”

De campingbaas ziet het bij een „versgetapte Stella” somber in: „We kunnen nog zulke mooie computers maken, maar tegen de natuur kunnen we niets beginnen.”