In de gaten gehouden door een hogere kookinstantie

Marjoleine de Vos

Wanneer je tegen jezelf praat en hoe dan, daar had ik het laatst met iemand over. En wanneer is het ‘tegen je zelf’? Als het slot van de fiets moeilijk doet en je zegt ‘rotding!’ praat je dan tegen jezelf of tegen dat slot, of tegen de wereld in het algemeen? Of praat je überhaupt niet, dat is ook nog een mogelijkheid, dat je iets zegt dat niet communicatief bedoeld is.

De ijskast open doen, niet meer weten wat je er ook weer uit wilde pakken en dan hardop zeggen: „Wat wilde je nou?” lijkt wel praten tegen jezelf. Maar ik houd het niet voor onmogelijk dat je dat zinnetje eigenlijk uitspreekt voor een onzichtbare toeschouwer die je ervan probeert te overtuigen dat je weliswaar niet meer weet waarom je in de ijskast keek, maar dat je niet zo’n sukkel bent dat je niet weet dat je dat nu even kwijt bent. Dat ‘ze’ ‘daar’ niet denken dat je seniel bent geworden.

Ik las een heel herkenbare beschrijving van een man die altijd heel oppassend is in het verkeer, die vriendelijk voorrang verleent óók als die ander het eigenlijk niet goed doet en die zich daarbij verbeeldt dat hij gezien wordt door Trafficgod. Stond in een boek van de altijd verrukkelijke Ann Tyler, Redhead by the side of the road. De man stelt zich Trafficgod voor als een soort bureau, waar mannen in overhemden met korte mouwen op schermen zitten te kijken en goedkeurend knikken omdat hij zo beleefd is.

Misschien heb ik zoiets als Keukengod. Een soort hogere kookinstantie die precies weet hoe de dingen moeten en die tevreden is als ik het goed doe. „Even het groen van het kroontje uit de tomaat gesneden, keurig”, knikt Keukengod, die misschien een godin is. Hoewel, het is meer een gemengd kantoor, soms hoor ik duidelijk ook mannenstemmen.

Ik moet de lui van Keukengod tevreden stellen, want ze zijn lang niet altijd zo in hun sas met mij. Dus ik laat ze weten dat ik best weet dat ik stom in de weer ben, als ik stom in de weer ben. Laatst bijvoorbeeld, ik moest knoflook en uitjes bakken om daar vervolgens nog wat witte vermouth bij te doen en wat deed ik: ik gooide de gehakte loken tegelijk in de koekenpan. Vóór bureau Keukengod iets kon opmerken zei ik daarom zelf maar: „Hoe lang kook je nou? Je wéét toch dat de knoflook zo gaat verbranden?”

Keukengod vond het onbedaarlijk stom, maar was blij dat ik het tenminste zelf inzag.

Ik bakkelei ook wel met het bureau. Ik wilde een aardbeientaart bakken en bedacht dat ik daar heel goed behalve een laagje banketbakkersroom ook een laagje notenpasta in kon doen. „Geen fantasieën met taarten!” waarschuwde Keukengod. „Meestal zijn ze goed zoals ze zijn en jij en taart, dat is geen goed huwelijk.” Ik hield vol, want het ging hier niet om het verschijnsel ‘deeg’ dat zich bij de geringste afwijking van de eeuwenoude receptuur meteen hevig tegen mij verzet, maar gewoon om een smaakcombinatie. „Vooruit dan”, zei Keukengod.

Merkwaardig genoeg bleek ik nog maar één springvorm te hebben en die lag bij iemand die ik gemeend had met een taart te moeten verrassen. Daar liet ik me natuurlijk niet door tegenhouden. „Ik neem een boterkoekvorm”, zei ik. Hardop. „Prima”, zei Keukengod. Maar in plaats van dat ze dan even het advies geven om daar bakpapier in te doen zodat ik de taartbodem zonder brokken uit die niet-springvorm zou weten te krijgen…

De taart als een soort bouwpakket in elkaar gezet. Mét notenpasta. Zwijgend.