Opinie

Hoe slecht de situatie in Afghanistan ook is, opgeven is geen reële optie

Taliban

Commentaar

De inname van Kabul door de Taliban op 15 augustus vorig jaar markeerde een gevoelige nederlaag voor het Westen. Twintig jaar lang hadden de Verenigde Staten en hun bondgenoten immers niet alleen geprobeerd te voorkomen dat Afghanistan opnieuw een springplank zou worden voor islamitische terroristen maar ook om daar een functionerende democratie op poten te zetten. Het was veelzeggend dat Al-Qaida-leider Ayman al-Zawahiri zich weer veilig in Kabul meende op te kunnen houden, toen hij daar eind vorige week door de VS via een drone-aanval werd geliquideerd. Dergelijke standrechtelijke executies mogen dan bij de realiteit van het hybride slagveld in Afghanistan zijn gaan horen, arrestatie en berechting zijn altijd te prefereren. Dat Washington hiermee de terroristische dreiging vanuit Afghanistan drastisch heeft verminderd doet hieraan niets af.

De poging om Afghanistan naar westers model om te vormen mislukte jammerlijk. Misschien was die ook wel vanaf het begin tot falen gedoemd omdat er te weinig rekening werd gehouden met de Afghaanse cultuur en tradities. Corruptie kreeg bovendien vrij baan. Grootste verliezer van dit experiment was uiteindelijk de Afghaanse bevolking. Die belandde in een zelfde streng islamitisch korset als tussen 1996 en 2001, toen de Taliban voor het eerst aan het bewind waren. De aanvankelijke hoop dat ze soepeler waren geworden vervloog al snel en dat gold ook voor de blijdschap dat de slepende oorlog eindelijk voorbij was. Onder de Taliban, die meer kaas hebben gegeten van guerrillastrijd dan van landsbestuur, verpauperde het toch al arme land snel verder. De Taliban interesseerde dat niet erg. Tekenend is dat de leiders in een beleidsdocument in mei aangaven dat hun eerste zorg niet zozeer de Afghanen geldt als wel God en het hiernamaals.

Vrouwen en meisjes werden het hardst getroffen door de terugkeer van de Taliban. De relatieve vrijheid die ze hadden gehad om zich te ontplooien verdween grotendeels. Vrouwen gaan nu weer verplicht in boerka, de alles bedekkende gewaden met slechts een tralievenstertje van textiel om door te kijken, over straat. Meisjes mogen niet langer naar de middelbare scholen of de universiteit. Onderzoeken wijzen uit dat een kwart van de meisjes tekenen van depressie vertoont. De seksen worden dikwijls weer van elkaar gescheiden, onder meer in parken die beurtelings voor mannen of vrouwen open zijn. Het ministerie voor Vrouwenzaken werd afgeschaft en vervangen door het ministerie voor de Bevordering van Deugd, een soort zedenpolitie met zesduizend agenten in het veld.

Ook materieel kregen veel Afghanen het hard te verduren. Feitelijk lag het vorige regime al jaren aan een buitenlands infuus. Zo’n 75 procent van de begroting bestond uit buitenlands hulpgeld, wat de levensvatbaarheid niet bevorderde. Na de komst van de Taliban vorige zomer viel dat grotendeels weg. Geen enkel land erkende de nieuwe regering, zelfs Pakistan en de streng islamitische staten in de Golf niet. Veel landen hoopten zo een drukmiddel in handen te houden om concessies van de Taliban af te dwingen.

De economie zakte deels in. De Verenigde Naties schatten dat zo’n twintig miljoen Afghanen nu kampen met voedselschaarste, ongeveer de helft van de bevolking. Droogte bemoeilijkt de situatie verder. De gezondheidszorg is ingestort. De BBC ontdekte onlangs in de afgelegen provincie Badakhshan dat het aantal miskramen daar is verdubbeld, mede door gebrekkige voeding. In ziekenhuizen ontbreken medicijnen en delen patiënten noodgedwongen het bed met anderen.

De buitenwereld lijkt de Afghanen intussen aan hun lot over te laten. Heeft het Westen, redeneert men, niet twee decennia hard geprobeerd dat land te helpen en wat kwam er van terecht? En zijn er ook niet andere plaatsen waar hulp op het moment dringend nodig is en waarmee een sterkere band is, in het bijzonder Oekraïne?

Zo’n enigszins cynische benadering doet niet alleen de Afghaanse bevolking te kort, die zelf ook niet koos voor het huidige regime, maar verloochent ook de eigen waarden en eerdere inspanningen. Dat geldt voor de Amerikanen maar eveneens voor Nederland.

In een recente toespraak tot Afghanistan-veteranen wees koning Willem-Alexander daar terecht op. „Het werk aan vrede, veiligheid en ontwikkelingskansen kent geen garanties op succes”, zei hij bij die gelegenheid. „Maar stel dat niemand dit werk meer zou willen doen, wat zou dat betekenen voor onze toekomst?” En de koning memoreerde de les die overste Gijs Tuinman, een van de dragers van de Militaire Willems-Orde, meegeeft aan zijn kinderen: „Nooit, maar dan ook nooit opgeven. Hoe slecht de situatie ook is.”

Lees ook: Vrouwen in Afghanistan: zo willen we echt niet leven