Teleurstelling in de macht van de tv: ‘We dachten dat we armoede konden aanpakken’

Koos Postema Oud-presentator Koos Postema, die deze week negentig wordt, vergelijkt de televisie uit zijn tijd met die van nu.

Televisie-icoon Koos Postema.
Televisie-icoon Koos Postema. Foto Daniel Niessen

‘Zie je dat?’ vraagt Koos Postema. Hij wijst naar de vijver in de voortuin van het seniorencomplex in Soest, waar hij sinds een jaar woont. „De fontein is nu even uit. Weet je waarom? Anders hebben sommige bewoners er last van tijdens hun middagslaapje.” Hij grijnst, knipoogt. Ja, zo gaat dat in een seniorenflat.

Hier verglijdt het leven in een ander tempo dan buiten. En er gaan ook regelmatig mensen dood. Dan staat hij naast alle anderen in de hal in het gelid, om een medebewoner plechtig uitgeleide te doen. „Laatst begon er bij zo’n gelegenheid opeens iemand viool te spelen. En goéd! Nota bene een serveerster uit het restaurant. Ik complimenteerde haar na afloop. Ja, zei ze, veertig jaar Metropole Orkest”. Hij kwam hier vroeger vaak langs met de auto. En soms zei zijn vrouw Ineke dan: „Dat lijken me mooie appartementen. Zullen we daar ’ns gaan kijken?”. En steevast antwoordde hij dan: „Nee”. En nu woont hij er toch. Alleen. Want Ineke overleed twee jaar geleden.

Zijn leven is sindsdien totaal veranderd. „Het is een stuk minder leuk geworden”. Maar ja, dat overkomt je als je negentig wordt. Bijna alle mensen van zijn generatie met wie hij ooit gewerkt heeft zijn inmiddels ook al dood. Postema is zo ongeveer de laatste ooggetuige van zijn tijd geworden. „Ik ben nog een middag bij Aad [van den Heuvel] geweest, kort voor zijn dood. Hebben we een eindje gevaren op de Vecht. Heerlijke middag. Moeten we vaker doen, zeiden we nog tegen elkaar. Maar ja, vlak daarna moest hij naar het ziekenhuis. En toen: boem. Dood. Zo gaat dat op onze leeftijd.”

De televisie, waar hij dik veertig jaar voor werkte, volgt Postema nog steeds op de voet. En hoewel hij al jaren geen programma’s meer maakt, kijkt hij nog steeds vooral als máker. „Ik denk automatisch: Wat doet hij het goed, en hij niet. Laatst zat ik naar de Canal Pride te kijken. Dan valt me direct op dat die twee presentatoren [Rik van de Westelaken en Splinter Chabot] vooral met elkaar bezig zijn en veel minder met die boten. Daar zou ik als regisseur iets van gezegd hebben.”

U presenteerde in de jaren zeventig Een Groot Uur U, met voor die tijd controversiële onderwerpen als abortus, sterilisatie, pedofilie of homoseksualiteit. Toen hadden jullie een Canal Pride ondenkbaar gevonden.

„Ja, mooi is dat, hè? In dat opzicht is de maatschappij gelukkig een stuk verder gekomen.”

Waarom richtte u zich specifiek op dat soort onderwerpen?

„Wij hadden bij de VARA het gevoel dat we mensen moesten emanciperen. Daar waren we zelfs voor opgericht: de verheffing der arbeiders.”

Televisie was bedoeld om mensen op te voeden?

„Dat vonden wij in die tijd zeker. Als mensen het niet op school of van hun ouders geleerd hebben, dan leren wij het ze wel. Dat speelde in al die programma’s door. Wij behandelden bijvoorbeeld het onderwerp echtscheiding. Nu is scheiden heel normaal. Dat hoeft echt niet meer op televisie. Maar in die tijd lag dat anders. Als je wilde scheiden, moest je liegen tegen de rechter, zeggen dat je een ander had. Anders kreeg je geen toestemming. Daar maakten wij programma’s over, om mensen duidelijk te maken dat zoiets onzinnig was. Dat vonden wij als programmamakers onze táák. Wij wilden laten zien wat de oorlog in Vietnam aanrichtte en hoe erg de honger in Biafra was. In de hoop dat er dan misschien iets zou veranderen.”

Televisie zou de wereld verbeteren?

„Dat gevoel hadden we zeker. Als je laat zien dat mensen in armoede leven, dan wordt dat vast wel aangepakt. Dat bleek niet zo te zijn. Die macht bleek de televisie helemaal niet te hebben. Het is een prachtig medium, maar de honger krijg je er de wereld niet mee uit. Daar hebben we ons behoorlijk op verkeken.”

Je kunt uw carrière ruwweg in drie blokken onderverdelen: de jaren zestig met Achter het Nieuws, de jaren zeventig met de Grote Uren U en de jaren tachtig met Klasgenoten. Wat was de mooiste periode?

„In alle periodes zaten fijne hoogtepunten. Die Klasgenoten waren in feite kleine documentaires, tijdsbeelden waarin je hele milieus leerde kennen. Gerard Reve met zijn klasgenoten uit Betondorp. Enorm robuuste mannen die plat Amsterdams spraken, en bijna allemaal gewerkt hadden bij de Amsterdamse Droogdokmaatschappij. Met daartussen een van de grootste schrijvers van na 1945. Als klap op de vuurpijl kwam ook nog hun oude meester binnen; zo’n Amsterdamse schoolmeester uit de vorige eeuw. Die man zei: ‘Dat je zó over de liefde durft te schrijven, Gerard. En je kon vroeger nog wel van die mooie opstellen maken.’ Waarop Gerard hem aankeek en gedwee zei: ‘Ja meester’.”

Postema moet er nog om schateren. „Schitterend was dat. Of neem de gymnasiumklas van Seth Gaaikema, die maar liefst zes hoogleraren had voortgebracht. Er was een mevrouw bij die het slechts geschopt had tot een doctoraal Frans. Die durfde haar mond in dat gezelschap bijna niet open te doen.”

Maar zijn vakmanschap kon hij misschien toch het beste laten zien in Een Groot Uur U. „Die educatieve kant was voor mij heel belangrijk. Dat mensen er iets aan hádden. Er werd enorm op gereageerd. Nadat we een uitzending maakten over sterilisatie bij vrouwen, schreven mensen: en die mannen dan? Hoorden we van onze correspondent in Engeland dat er daar al aan de lopende band kleine knipjes in de balzak werden gemaakt. Dat werd dus onze volgende uitzending: sterilisatie bij mannen. Nadien hoorden we dat honderden mannen zich bij Nederlandse ziekenhuizen hadden gemeld voor zo’n ingreep. Bleek zo’n uitzending dus enorm veel effect te hebben.”

Toch was u meer presentator dan journalist.

„Dat is zeker waar.”

Waarom was u goed in uw vak?

„Ik kan met iedereen praten. Ik belazer mensen niet, neem ze serieus. Daardoor vertrouwen ze me vanaf de eerste minuut. En ik kan goed binnenkomen in de huiskamer. Ik kan mensen binnenleiden in het tijdperk van zo’n klas. Ook als het om nieuwsonderwerpen ging. Niet beginnen met cijfers: ‘In Nederland hebben tienduizend mensen last van…, waarvan achtduizend…’ Nee, beginnen met een anekdote. ‘Henk is al twintig jaar ziek. Tijdens zijn werk in de fabriek kwam hij zonder dat hij het wist jarenlang in aanraking met…’ En eenvoudige vragen stellen, zeker bij medische onderwerpen. ‘Wat doet u dan? Hoe kun je dat genezen?’”

Lees ook: Paul Witteman is een bange poeperd

Werd er vroeger betere televisie gemaakt?

„Welnee. Ik zie ook nu vaak prachtige dingen. Al zie ik wel steeds minder mensen voor wie ik de tv aanzet. Zoals vroeger bij Van Dis of Witteman. Zie jij nog verslaggevers in de traditie van Aad van den Heuvel? Nieuwsuur vind ik heel goed. Ik ben een fan van Mariëlle Tweebeeke. Maar de meeste talkshows hoeven van mij niet. Dat programma om zeven uur is echt vernietigd door de mensen die daar neergezet zijn. Onbegrijpelijk. Als je eerst Matthijs [Van Nieuwkerk] hebt gehad – die er tien jaar over gedaan heeft om zo goed te worden – moet je daar niet deze mensen laten presenteren. Dat is zo’n schrijnend contrast.”

Aanvankelijk zat daar Renze Klamer.

„Moet je ook niet doen. Vervelende, zelfingenomen jongen. Spreekt me totaal niet aan.”

Zijn er te veel talkshows?

„In elk geval zijn er te veel presentatoren. Vijf duo’s bij Op1 werkt echt niet. Vooral die vrouwen vallen me enorm tegen. Die mannen zijn wisselend. Tijs van den Brink vind ik een goede jongen. Erg bescheiden, te bescheiden voor televisie. Maar hij kan goed interviewen. Sven Kockelmann zou beter kunnen worden. Hij is er nu nog niet, maar dat kan komen. Maar met iemand als Jort Kelder heb ik helemaal niks. Die stelt een vraag en gaat vervolgens in zijn eigen camera zitten kijken. Dat is van zo’n onvoorstelbare ijdelheid… Weet je wié ik goed vind? Die Beau van Erven Dorens. Enige man, een charmeur die werkelijk contact met mensen weet te maken. Ik zie hem praten en voel dat zijn betrokkenheid echt is.”

Jeuken uw eigen handen nog weleens?

„Nee hoor. Dat moet je op je negentigste niet willen. Al begrijp ik niet dat niemand zo’n formule van Een Groot Uur U weer eens oppakt. De basis van ‘kunt u mij nog ‘ns uitleggen hoe dat zit’ blijft ijzersterk.”

Zijn vrouw volgde zijn werk al die jaren op de voet. Kritisch, maar betrokken. „Ineke zei nooit: ik zou het zó doen”. Ze kwamen elkaar tegen op de onderwijzersopleiding in Rotterdam. Zij was zestien, hij achttien. „En ik vond haar direct leuk”. Zeventig jaar waren ze samen. Prachtige jaren, zegt hij. Totdat ze een nieuwe heup kreeg. Kort na de operatie traden er complicaties op, en kreeg ze een ernstige infectie. „Het is nog steeds onvoorstelbaar”, zegt hij, hoofdschuddend. „D’r hele leven lang was ze zo sterk. Altijd bezig in de tuin. Schilderen, tennissen. En ineens was ze er niet meer.” Over de dood hadden ze het nooit samen. Waarom zouden ze ook? ‘We waren van plan om nog lang te blijven.’

Als je zo lang samen bent, raak je met elkaar vergroeid. Lukt het om weer die ene alleen te worden?

„Dat is moeilijk, heel moeilijk. Het gemis is kolossaal. Ik ben van nature een kletskous. Ineke was heel stil en bescheiden. Vaak zat ze op haar kamer te schilderen. Dan hoorde of zag ik haar urenlang niet, maar wist ik wel dat ze er wás. Nu weet ik dat ik haar ook daar niet meer zal vinden. Dat was in het begin zo moeilijk. Ik dacht steeds: waar is ze? Terwijl ik heus wel wist dat ze er niet was. Ik droom vaak over haar. Niet dat we dan hele gesprekken hebben. Maar dan ís ze er gewoon. Ik zie haar in het huis, zie haar zitten op de bank. Vervolgens word ik wakker en is ze weg. Dat blijven verdrietige momenten.”

Daarom was het een goed idee van zijn dochters dat hij na haar overlijden niet in het oude huis zou blijven wonen. „Want daar was ze er de hele dag zo enorm niét. Het is één voortdurend verdriet. En toch lachen we ook wat af, hoor. Dan zeggen mijn dochters: Ja, nu durf je wel hè, nu Ineke er niet bij is…” Aan zijn eigen dood denkt hij nauwelijks. Goed, hij is niet gek. Hij weet dat het zomaar kan gebeuren. Hij krijgt steeds meer last van kwaaltjes. Onlangs had hij nog een ontsteking aan zijn grote teen die maar niet overging. Uiteindelijk bleek er niets anders op te zitten dan dat die teen geamputeerd moest worden. „Tegen betaling mag je het zien.” Maar verder voelt hij zich goed. „Ik lust alles nog.”

Hij denkt er al helemaal niet over na hoe hij straks de geschiedenis in zal gaan. „Van die programma’s blijft niets hangen. Daarvoor is televisie een veel te vluchtig vak. Dat vind ik ook helemaal niet belangrijk. Ze hoeven straks niet te zeggen: ‘Wat was die Postema een goede programmamaker’. Ik heb veel liever dat ze zeggen: ‘Wat was die Koos een aardige kerel’.”