Foto Khalid Amakran

Interview

Ton van de Langkruis: ‘Als iedereen het eens is, gebeurt er geen zak’

Schrijvers Ton van de Langkruis zocht het ongemak op toen hij directeur was van literair festival Writers Unlimited. „Breng visies en mensen samen en dan komen we er wel uit.”

Als echte Hagenaar is Ton van de Langkruis (65), voormalig directeur van internationaal literatuurfestival Writers Unlimited, nooit weggegaan uit de stad. Hij praat zacht en kiest zijn woorden weloverwogen, maar als hij over de stad vertelt, klinkt het enthousiasme in zijn stem door. „Als ik in een witte provinciestad ben, duurt het even voor ik door heb dat er iets raars aan de hand is: ‘Verrek, deze mensen lijken allemaal op mij.’ Ik ben zo gewend aan diversiteit. Ik vind het een enorme verrijking. Je loopt door de stad en hoort vijf talen.”

Vijftig jaar geleden, in zijn jeugd, was dat wel anders. Begin jaren zestig was Den Haag een voornamelijk witte stad. Maar na de onafhankelijkheid van Indonesië werd de stad ook wel de ‘Weduwe van Indië’ genoemd. Indië werd vanuit Den Haag bestuurd en duizenden koloniale ambtenaren vestigden zich er – er woont nog altijd een grote Indische gemeenschap. „Dan komt er ineens een jongetje naast je zitten dat er anders uitziet, anders ruikt, anders praat. Dat is interessant, spannend, daar ben je nieuwsgierig naar.”

Hij was nog maar een jaar of twaalf, maar besefte door die nieuwe klasgenoten wel dat er iets anders was. Later kwam Indië opnieuw op zijn pad. „Mijn schoonmoeder is opgegroeid in Nederlands-Indië en zo kwam ik in aanraking met het verhaal van de koloniaal.” Hij ontdekte dat hij in kranten en in de literatuur een eenzijdig beeld las, dat er gaten in zaten die alleen opgevuld konden worden door te luisteren naar mensen uit Indonesië. „Toen speelden dezelfde discussies als nu, over politionele acties en oorlogsmisdaden.”

Hij besloot het Indonesische perspectief via de kunst samen te brengen met het Nederlandse. Zo ontstond in 1995 de eerste editie van wat nu Writers Unlimited is. Het heette toen nog festival Indië-Indonesië, met als slotavond ‘De Indische Winternacht’. Onder de naam Winternachten groeide het uit tot een van de grootste literaire festivals in Nederland. Schrijvers uit de hele wereld praten er over maatschappelijke en politieke thema’s, met grote aandacht voor vervolgde schrijvers, vrijheid van meningsuiting en ongelijkheid.

Van de Langkruis was er 25 jaar directeur. Hij vond het belangrijk mensen bij elkaar te brengen en in gesprek te laten gaan, zegt hij. „Breng visies en mensen samen en dan komen we er wel uit. Dat klinkt naïef, maar zo werkt het wel. De schrijvers uit Nederland en Indonesië die samengebracht werden, waren verrukt: misverstanden werden opgehelderd en er ontstond een gezamenlijk beeld van de geschiedenis. Je hebt natuurlijk altijd mensen die dat andere perspectief niet willen zien, zoals de oud-strijders, maar ook genoeg mensen die dat wel willen.”

Deuren opentrappen

Na die eerste editie over Indonesië volgden jaren waarin koloniale gebieden als Zuid-Afrika en de Antillen centraal stonden. Daarna volgde de rest van de wereld. Belangrijke voorwaarde was dat niet-westerse stemmen gehoord werden en dat waren niet altijd schrijvers die ook in Nederland vertaald worden.

Elk jaar had een actueel politiek of maatschappelijk thema. „Na de moord op Pim Fortuyn moesten we het hele programma omgooien. Er kwam een nationale bewustzijnsvernauwing op gang en daar moesten we tegenin, vond ik. Ik dacht: als dit land de deuren dichtdoet, moeten wij ze opentrappen. We besloten zo groot mogelijke culturele verschillen samen te brengen en het gesprek aan te gaan.”

Als voorbeeld noemt hij een programma waarin twee Papoea-voormannen in ballingschap, die zich los van elkaar inzetten voor een onafhankelijke toekomst van West-Papoea, hun jarenlange onenigheid op het podium bijlegden. „Wij brachten ze bij elkaar aan tafel, er vond een verzoening plaats, ze schudden elkaar de hand.”

Hij was steeds op zoek naar ongemak, zegt hij, want „als iedereen het eens is, gebeurt er geen zak”. Hij noemt ongemak ‘heilzaam’; het maakt mensen onrustig, maar dwingt ze ook om anders naar zaken te kijken. Daarbij moet hij denken aan een gesprek tussen de Marokkaans-Nederlands-Franse schrijver Fouad Laroui, de Chinese schrijfster Xue Xinran en de Indiase schrijfster Tarun Tejpal. Laroui ging de westerse verlichtingsidealen verdedigen en Xinran en Tejpal herinnerden hem, en de zaal, eraan dat er nog een heel andere wereld buiten het Westen is.

„Ik wilde zulke onderwerpen met schrijvers bespreken, omdat fictie de beste manier is om de werkelijkheid weer te geven. Schud de kussens maar op. Gooi al die vanzelfsprekende waarheden maar in de lucht en zie dan of ze nog op dezelfde plek landen.”

Foto Khalid Amakran

Tegenstellingen

Sommige gesprekken waren ontoegankelijk vanwege het taalverschil, maar voor hem lag daarin juist de charme. „Het vraagt zowel van de auteurs als van het publiek inspanning. Soms ontstond er een komedie van misverstanden. Maar die was nuttig, omdat de opdracht in het gesprek was: ‘We willen een vraag beantwoorden, en om dat voor elkaar te krijgen, moeten we elkaar begrijpen, anders lukt het niet.’ Die inspanning was voor mij het allermooiste om te zien.”

Verbinden gaat niet vanzelf, daar moet je moeite voor doen. De laatste jaren zocht hij met het festival verbinding met andere delen van de stad, met speciale programma’s voor de bewoners, waaronder die van de Schilderswijk. In de gesprekken die hij met mensen daar voerde, zegt hij, kwam hij erachter dat die niet voor zichzelf opkomen. „Je merkt dat ze het druk hebben met het hoofd boven het water houden. Er heerst een leven-en-laten-levenhouding. Maar juist omdat er zoveel verschillende gemeenschappen zijn, geven mensen elkaar de ruimte om niet voortdurend te botsen. In een diverse omgeving is het van belang om je te verplaatsen in het perspectief van anderen.”

In 2020 verraste Van de Langkruis tijdens zijn openingsspeech met de mededeling dat hij zou stoppen als directeur. Hij verwees naar heftige discussies met redactieleden van het festival; een van die medewerkers had op Twitter gemeld dat ze uit protest tegen de voordracht van witte Zuid-Afrikaanse dichter Antjie Krog de zaal had verlaten. „Ik geloof dat ik het niet meer begrijp”, was zijn reactie toen. „Dat denken in tegenstellingen hoort kennelijk heel erg bij deze tijd. Ik kan daar niet in meegaan, dus besloot ik: ik moet niet alleen aan de zijlijn gaan staan, maar het stadion uit.”

Foto Khalid Amakran

Hoe kijkt hij daar nu op terug? „We zitten in een tijd waarin we onder het mom van inclusie elkaar uitsluiten. Ik begrijp dat als je als groep wilt emanciperen, je de groep definieert – en dat doe je door ook mensen uit te sluiten. Maar dat wil niet zeggen dat iemand die niet bij jouw groep hoort, je niet wil steunen. Mag een witte man een roman van een zwarte vrouw vertalen? Ik vind het een interessante discussie. Is wel eens geprobeerd om verschillende mensen een roman te laten vertalen, als een soort blinde test?”

Verantwoordelijkheidsbesef

Waar het in dit soort discussies meer om gaat, leg ik hem voor, is dat zwarte en biculturele mensen minder kansen krijgen. „Daar ben ik het helemaal mee eens. Maar als het gaat over wit versus zwart, dan vind ik dat echt een ander verhaal. De schrijver is bij uitstek iemand die zich kan inleven. Dat maakt schrijvers zo goed, die kunnen een personage neerzetten dat ze zelf niet zijn. Voor vertalers geldt dat ook. Dat gaat om vakkennis, inlevingsvermogen.”

Dat er in deze tijd minder ruimte is voor een witte man aan het hoofd van een diverse organisatie, neemt Van de Langkruis voor lief. „Je ziet de wisseling van de wacht op alle niveaus. Als man heb je iets minder kans, want er moet iets rechtgetrokken worden. Zolang de argumenten maar goed zijn. De verhouding moet in balans zijn met de omgeving – en als die scheef is, moet dat gecorrigeerd worden. Ik ben er 25 jaar mee bezig geweest een afspiegeling van de samenleving te zijn. Dat kan niet als je sektarisch in een clubje zit. Tenzij je besluit: ik ben een witte-oude-mannenclub. Maar dat kan niet als je overheidsgeld wilt en als je verantwoordelijkheidsbesef hebt.”

Maar je moet waken voor uitsluiting, vindt hij. In een diverse organisatie kan het voor het perspectief juist belangrijk zijn om wél een witte man erbij te halen, zegt hij. „Dat uitsluitingsmechanisme doet niemand goed. Ik denk dat die emancipatie pas op gang komt wanneer degenen die er niet bij horen, meehelpen.”

Sinds zijn vertrek bij Winternachten adviseert hij culturele organisaties over onder meer diversiteitsbeleid. „In het debat wordt een heel duidelijke scheidslijn getrokken tussen wat goed is en wat niet. Was het maar zo simpel”, verzucht hij. De belangrijkste les die het festival hem leerde staat daar haaks op: „Kies niet te snel en wacht met je oordeel, je weet niet eens wat je niet weet.”