Thor is helemaal geen dondergod

Noorse religie Het optreden van Thor gaat nooit met onweer gepaard. Hoe komt de dondergod – met zijn onstuimige ogen, gewelddadigheid en onafscheidelijke hamer – dan toch aan die rol?

Illustratie Floor van het Nederend

Thor is de Oud-Noorse dondergod, dat is algemeen bekend. Op een geitenwagen schiet hij door de lucht, zwaaiend met zijn machtige hamer Mjölnir waarmee hij ieder conflict beslecht. Zijn naam Thor, of Donar, betékent zelfs donder en gaat terug op het Protogermaanse þunra. Sinds mensenheugenis draagt de vijfde dag van de week zijn naam: dónderdag. En sinds jaren is Thor een sympathieke held in Marvel-films, Love and Thunder heet de recentste episode.

En toch, in de oude Noorse verhalen over deze ‘dondergod’ komt nooit donder of bliksem voor. Niet in de ‘bijbel’ van de Noorse mythologie, de Edda (die rond 1220 door de christelijke IJslandse leider Snorri Sturluson is opgeschreven) en evenmin in andere middeleeuwse Noorse verhalen over Thor.

In de overgeleverde mythologische verhalen over Thor brengt hij meestal de oplossing, vrijwel altijd met geweld, maar nooit met hemelvuur. Neem dit typerende verhaal over een bouwer met zijn paard uit de Edda. Dat verhaal begint als de andere Noorse goden een smid (in werkelijkheid een reus, erfvijand van de goden) een fort laten bouwen in hun land, in Midgard. De afspraak is: als de bouwer het fort zonder hulp kan voltooien in één winter, krijgt hij de liefdesgodin Freya tot vrouw en ook nog de zon en de maan. Een vorstelijke beloning, maar de goden denken: zoiets lukt hem toch niet. Maar de bouwer blijkt een enorm paard in te zetten dat in een hoog tempo stenen aansleept, en dat verontrust de goden. De sluwe god Loki tovert zich om tot hengstige merrie en hij lokt het wonderpaard weg. (Uit deze geslachtsdrift wordt Sleipnir verwekt, het achtbenige paard van Odin).

Zijn magische hamer

Als de geheimzinnige bouwer dat bemerkt, wordt hij woedend. In paniek roepen de goden om Thor, die al die tijd met zijn magische hamer Mjölnir trollen bevecht in het oosten. Onmiddellijk komt Thor terug naar Midgard. „Thor betaalde het loon van de bergreus”, zo staat geschreven in de Edda, „maar die beloning was niet de zon of de maan. Hij plaatste zijn eerste hamerklap precies zo dat de schedel van de reus in kleine stukjes brak. Zo stuurde Thor hem diep weg naar Nevelheim.” Nevelheim is de ijzige donkere wereld van de doden.

Waar is hier de donder, waar het flitsende licht?

In een ander Edda-verhaal over Thor komt wel een donderend lawaai voor, maar dat is niet de donder. Het verhaal begint als Loki en Thor de nacht doorbrengen in een grote hal, maar dat blijkt de volgende ochtend de handschoen van een reus, Skrymir. Die ligt verderop met donderend geraas te snurken. Thor wil – zoals hij altijd doet – de reus aanvallen, maar Skrymir blijkt onkwetsbaar voor de klappen van Thors hamer. De reus schampert dat het voelt of slechts een eikeltje op zijn hoofd valt. Na allerlei verwikkelingen blijkt dat geweld echt geen zin heeft. Dan proberen Loki en Thor in een eet- en drinkwedstrijd van de reuzen te winnen. Maar ook dat mislukt. Daarna blijkt dat al die nederlagen het gevolg zijn van tovenarij en misleiding door de reuzen.

Kijk naar Thors attributen: zijn hamer, zijn ijzeren handschoenen, zijn territorium en zijn geiten: geen spoor van donder of bliksem

Om wraak te nemen voor die vernedering vermomt Thor zich als jongetje en nodigt hij de reus Hymir uit om te gaan vissen op zee. Thor roeit ver de zee op met Hymir. Met een ossekop als aas lokt Thor vervolgens de verschrikkelijke Midgard-slang omhoog van de zeebodem. Zo hard trekt de slang aan de lijn dat de sterke Thor met zijn voeten door de bodem van de roeiboot gaat – deze scene vormt een van de meest voorkomende heidense middeleeuwse afbeeldingen in Scandinavië. Als de slang zich terugtrekt, duwt Thor de reus Hymir achter hem aan de zee in. „Een grote daad”, heet dat in de Edda. Veel machtsvertoon, maar nergens onweer.

En zo gaat het maar door. Ook in andere oude Scandinavische bronnen over Thor. Zijn avonturen eindigen nooit met een donderklap maar vrijwel altijd met een vonkloze dreun met zijn hamer, meestal na een list. Zoals ook in het Oudnoorse gedicht Thrymskvida, dat werd opgeschreven in de dertiende eeuw. Daarin vermomt Thor zich zelfs als vrouw, om de reuzenkoning Thrym te verleiden die zijn hamer Mjölnir gestolen heeft. In het dramatische slot legt de bedrogen koning verliefd de hamer als bruidsgeschenk in de schoot van de verklede Thor, met ernstige gevolgen.

Thors hart lachte in zijn borst
toen hij – groot in moed – zijn hamer herkende.
Het eerst doodde hij Thrym, heer der monsters
en hij sloeg in op het hele reuzenras
Hij doodde ook de oude zuster van de reuzen
die hem gevraagd had om een geschenk van de bruid.
Slagen kreeg ze, in plaats van munten,
hamerdreunen, in plaats van stapels ringen.

Vrouwelijke doodsdemonen

De Britse historisch taalkundige Declan Taggart wijdde een paar jaar geleden een heel boek aan dit curieuze verschijnsel van een dondergod zonder bliksem of donder:How Thor Lost His Thunder. The Changing Faces of an Old Norse God (2018). Zijn conclusie: op basis van zijn naam moet je aannemen dat Thor óóit een connectie met donder heeft gehad. Maar de nu bekende verhalen over Thor zijn ontstaan in de alledaagse werkelijkheid van het Scandinavische heidendom in de Vikingtijd (achtste tot en met de elfde eeuw). En toen verwees de naam Thor volgens Taggart dus naar een god zónder enige associatie met donder. Taggart: „Op dezelfde manier als iemand kan praten over Karel Smid zonder zich een persoon voor te stellen die op ploegscharen staat te meppen.” Anders zou het in een Thor-verhaal toch echt wel eens gebliksemd hebben.

En kijk naar Thors attributen: zijn hamer, zijn ijzeren handschoenen, zijn territorium Thrudvangar (‘krachtland’) en zijn geiten Tanngrisnir (‘tandontbloter’) en Tanngnjostr (‘tandknarser’): geen spoor van donder of bliksem. Thors zonen heten Magni en Modi: kracht en toorn. Thor is een god van kracht, niet van donder en bliksem. Gek genoeg bliksemt het in Oudnoorse gedichten wél als de Walküren verschijnen, de vrouwelijke doodsdemonen die de gevallen helden van het slagveld ophalen. Maar die Walküren hebben weer weinig met Thor te maken en gelden meer als dienaren van Odin.

Geleerden uit vorige generaties pikten uit de etymologie op dat Thor een dondergod was

Jeremy Harte archeoloog en folklorist

Eén gedicht heeft Taggart gevonden waarin het líjkt te bliksemen rond Thor: de Haustlong, geschreven rond het jaar 900 door de ‘skald’ Thjodolf van Hvinir, die in dienst was van de Noorse koning Harald Veelhaar. Zeven strofes zijn ervan overgeleverd (als citaten in Snorri’s Edda). Thor vecht er wéér met een reus. De gevolgen van Thors hemelreis naar de strijd wordt met veel details beschreven. Thor vloog hoger dan de maan en „alle tempels van de haviken [= hemelen] verbrandden en de grond werd vernield met hagel… Ook de hogere hemel werd verbrand”. Best bliksemachtig, vindt ook Taggart, maar hij wijst erop dat deze passage onderdeel uitmaakt van een veel bredere beschrijving van de vernietiging die de ontketende Thor veroorzaakt. „Svolnir’s weduwe [= de aarde] werd uit elkaar getrokken… de bergen schudden en rotsen barstten uit elkaar.” De bliksem blijft vaag en is hier ook zeker niet de kern van Thors hemeltocht, oordeelt Taggart.

Het bliksemloze beeld van de god Thor kán het gevolg zijn van een toevallige eenzijdigheid in de overgebleven bronnen uit de Vikingtijd – waarvan de belangrijkste ook nog eens uit de tijd erna stammen. Taggart: „In theorie zou in verdwenen varianten van al deze verhalen Thor wél standaard kunnen zijn uitgerust met donder en bliksem, waarbij de hemel juist wél altijd kraakte en oplichtte als Thor met zijn hamer zwaaide en waarin hij de hamer als bliksem op zijn vijanden wierp.” Waarschijnlijk acht Taggart dat niet, want in de wel overgeleverde verhalen is het beeld van Thor behoorlijk consistent, vol vaste attributen. Hij verschijnt nooit zonder zijn onstuimige ogen, zijn gewelddadigheid, zijn boosheid en enorme kracht en zijn onafscheidelijke hamer. Zelfs de geiten ontbreken zelden.

Hernoeming van Jupiterdag

Dat Thor als dondergod nu tóch het dominante beeld is geworden, moet dus haast wel een latere constructie zijn, waarschijnlijk gebaseerd op de betekenis van naam en ook op een gelijkstelling van Thor aan de Romeinse dondergod Jupiter – een gelijkstelling die in de Middeleeuwen zelfs leidde tot de hernoeming van de Romeinse Jupiterdag (Dies Jovi, in het Frans: jeudi) tot donderdag. De Britse archeoloog en folklorist Jeremy Harte vatte in een recensie van Taggarts boek deze toestand als volgt samen: „Geleerden uit vorige generaties pikten uit de etymologie op dat Thor een dondergod was. Uit antropologie [van andere volken] dachten ze wel te weten wat een dondergod was. Ze behandelden zo het raadsel van de oude Noorse literatuur met het zelfvertrouwen van iemand die alleen het plaatje op het deksel van de pot had gezien.” Dáárom bliksemt het nu in de Thor-films van Marvel dat het een lieve lust is, en wordt hij in vrijwel alle overzichten simpelweg de dondergod genoemd.

Taggart is niet de eerste die vergeefs zocht naar de donder van Thor. De Oostenrijks-Duitse germanist Rudolf Simek schreef al in zijn Die Wikinger (1998) dat naast zijn naam alleen nog Thors hamer wijst op een ver verleden als dondergod. Want die hamer was volgens Simek ooit een bijl, die vaak geldt als symbool van bliksem. „Dat aspect is echter reeds in de Vikingtijd in vergetelheid geraakt”, schrijft Simek.

En die donderdag dan? Die Romeinse Jupiterdag werd al in een vroeg stadium overgenomen door Germaans-sprekende volkeren in Noord-Europa en omgedoopt tot de Donarsdag – naar hun eigen dondergod. Volgens Simek gebeurde dat op zijn laatst in de Laat-Romeinse tijd, de vierde en vijfde eeuw. Toen werden er kennelijk nog wel verhalen over Thor verteld waarin de hemel oplichtte als hij verscheen.

In de bossen leefden herten en vogels, en ook elfen, geesten en andere onzichtbare krachten

Neil Price archeoloog

De archeoloog Neil Price publiceerde in 2020 een groot overzichtsboek over de Vikingtijd, Children of Ash and Elm. A History of the Vikings). In een e-mail prijst Price Taggarts boek, maar het gaat hem toch te ver om Thors associatie met de donder helemáál te schrappen. Juist omdat er zoveel onzeker is over Thor, lijkt zijn naam toch wel een duidelijke aanwijzing, vindt Price. „Er zijn zoveel theorieën over Thor. Er is ook een geleerde die in hem een god van de wind ziet in plaats van de donder. Een ander benadrukt juist weer de regen, en die lijst gaat eindeloos verder.”

Price vindt het belangrijker dat de Noorse goden in die tijd niet gezien werden als goden met één specifieke verantwoordelijkheid. „Helemaal niet zelfs. Ook andere goden konden het weer beïnvloeden. En er waren bijvoorbeeld veel oorlogsgoden, inclusief Thor. Maar ieder werd dan weer verbonden met een net iets ander aspect van agressie, vechten en succes.”

Sowieso is het onwaarschijnlijk dat de haast bureaucratische indeling van de godenwereld uit de schoolboekjes, met voor iedere god een eigen afgebakende taak, ooit ergens werkelijkheid is geweest. Over de Noorse religie zegt Neil Price: „Ik denk dat de religie van de Noorse cultuur helemaal geen religie was zoals we dat nu zien, met een gestructureerde set van geloofsovertuigingen en plichten, vastgelegd in heilige boeken. Godsdienst was toen veel meer een diep ingebed gevoel van hoe de werkelijkheid en de dingen in elkaar zaten, onlosmakelijk verbonden met alles. In de bossen leefden herten en vogels, en ook elfen, geesten en andere onzichtbare krachten die het land bevolken – allemaal onderdelen van het grote geheel.” Godsdienst was „een verknoopt web van spirituele opvattingen en praktijken, met grote regionale verschillen”.