Foto Dieuwertje Bravenboer

Interview

‘Ik denk nog steeds weleens dat ik niet kan stoten’, zegt EK-ganger Jessica Schilder

Interview EK atletiek Kogelstootster Jessica Schilder, die vorige maand brons won op het WK en nu meedoet aan het EK, voelde zich lang buitengesloten. „Mijn ouders waren bang dat ik gepest zou worden door mijn sport.”

Kogelstootster Jessica Schilder (23) is een imposante verschijning. Brede schouders, sterke benen. Maar als je haar spreekt valt vooral haar zachtheid en bescheidenheid op. „Ik denk nog steeds weleens dat ik niet kan stoten”, vertelt ze aan een picknicktafel op het grasveld van sportcentrum Papendal. „Dat ik maar wat aanmodder. Tijdens het WK zei een stemmetje in mijn hoofd: wat doe ik hier? Hoe gáát het ook alweer?

In het Amerikaanse Eugene, vorige maand, schreef Schilder geschiedenis door als eerste Nederlandse een WK-medaille te winnen bij het kogelstoten in de buitenlucht. Haar worp van 19,77 meter was goed voor brons. Komende week bij het EK in München hoopt ze het succes verder uit te bouwen. Ze voelt zich, zegt ze, misschien wel beter dan ooit.

Je groeide op in Volendam.

Ze lacht. „Jaaaaa?”

Waarom lach je?

„Een uitstekende vraag om mee te beginnen, maar wel een lastige.”

In welke zin?

„Het is een prachtig dorp, maar wel een dorp waar je in moet passen. Als je er niet in past ben je al gauw een buitenbeentje.”

Was jij een buitenbeentje?

Ze knikt. „Het uitgaansleven laat zich moeilijk combineren met het leven van een topsporter. En ik was al jong topsporter, op mijn dertiende werd ik Nederlands kampioen. Ik was als puber niet in bars te vinden, maar op de atletiekbaan. Zat niet tot ‘s nachts te gamen, zoals mijn leeftijdsgenoten. Die vonden mij een nerd, omdat ik niet kon meekomen in gesprekken.”

Voor een tiener kan dat heel pijnlijk zijn.

„Absoluut. Maar ik wist: dit is wat ik wil en dus neem ik dat op de koop toe. Ik was best hard voor mezelf.”

Werd je gepest?

Ja, in de zin van buitensluiten. Pas toen ik forser werd, spierballen kreeg en voor het eerst Nederlands kampioen werd, hield het pesten op. Toen oogstte ik bewondering.”

Zoete wraak?

„Ik vond het fijn dat het stopte.”

Voor je ging kogelstoten zat je een tijdje op ballet.

„Ik was vijf, mijn vriendinnen zaten op ballet. Toen ze op hun zevende overstapten naar atletiek, ging ik mee. Er waren twee vrije plekken, die na een wedstrijd werden toegewezen: discuswerpen en kogelstoten. Ik kon aardig discuswerpen, maar heb me ingehouden, omdat ik meer van kogelstoten hield. Dat pakte goed uit.”

Lees ook: negen sporten, bijna 5.000 atleten. Waarom zijn er zoveel EK’s tegelijkertijd? Vier vragen en antwoorden.

Wat bevalt je aan de kogel?

„Kogels zijn zwaarder, daar kan je meer kracht in stoppen en dat vind ik fijn. Je kan echt zien waar de kogel landt en vaak gaat het om centimeters. Dat maakt het spannend.”

Topsport is emotie. Volendammers zijn vrij nuchter. Gaat dat samen?

„Dat ik aan topsport deed was geen issue, maar mijn ouders hadden wel liever gezien dat ik een vrouwelijker sport had gekozen. Sprinten of tennis – zoiets. Ze zaten niet echt te wachten op kogelstoten.”

Want te mannelijk?

„Ja. Ze wilden dat ik een meisje-meisje was. Terwijl dat niet in mijn karakter zit. Ouders hebben een beeld van hun kind en als dat anders uitpakt valt het tegen.”

Je had niet de neiging aan hun ideaalbeeld te willen voldoen?

„Ik heb het geprobeerd, maar al snel kwam ik erachter: hier word ik niet gelukkig van.” Ze zwijgt even en kijkt naar de groep kinderen die langzaam onze kant opkomt. „Ze waren wel blij en trots als ik een kampioenschap won, maar…”

…liever een ander kampioenschap.

Ze knikt. „Ze willen het beste voor hun kind.”

Waren ze bang voor wat bewaarheid werd: dat je een buitenbeetje was in Volendam?

„Misschien wel. Het was beschermend bedoeld: straks wordt ze nog gepest.”

Ze vertelt dat het steeds moeilijker werd: sportieve groei in een omgeving waar je je niet echt thuis voelt. Ze won – vaak zelfs – maar het keurslijf ging wel ten koste van haar levensgeluk.

Dat ze ooit het mondiale podium kon halen voelde ze wel. Zeker toen haar oud-coach Hans Arnhard haar aanraadde de zogenoemde aanglijtechniek voor de draaitechniek in te ruilen. „Die techniek zorgt voor iets minder stabiliteit”, legt Schilder uit. „Maar als het wel goed uit de verf komt, kun je zo een meter verder komen.”

Ik voelde me eenzaam als ik in mijn eentje een pan vol eten zat weg te werken

Ze vertelt dat Arnhard er een Oost-Duitse manier van trainen op nahield: hard en streng. Daarmee loodste hij haar vorig jaar naar de Olympische Spelen (waar ze niet de finale haalde) en het EK Onder 23 (waar ze goud won), maar steeds vaker vroeg zij zich af of zij niet aan iets nieuws toe was. „Ik wilde meer genieten.”

Een ander probleem was dat zij met haar 85 kilo voor een kogelstootster vrij licht is. Misschien wel twintig kilo lichter dan haar grootste concurrenten. Een probleem, want in het kogelstoten geldt: massa is kassa. Je gebruikt je gewicht om de kogel weg te duwen. „Mijn ouders pushten me om meer te eten”, vertelt ze. „Het was goed bedoeld, zo kon ik sportief vooruit komen, maar het werkte niet omdat er druk op lag. Ik voelde me eenzaam als ik in mijn eentje een pan vol eten zat weg te werken.”

Neem je het je ouders kwalijk?

„Nee. Mijn ouders wilden het beste voor me en zonder hen had ik het nooit zo ver geschopt.”

Je hebt weleens tot ’s avonds laat pasta in je mond zitten proppen, tot je bijna niet meer kon.

Beslist: „Dat zal nu niet meer gebeuren. En als het zou gebeuren zou het vrijwillig zijn, omdat ik honger heb. Niet meer omdat het moet.”

Wat is er veranderd?

„In september vorig jaar ben ik van Volendam naar Papendal verhuisd, waar ik met een andere coach samenwerk: Gert Damkat. Gert heeft ervoor gezorgd dat ik meer mezelf ben geworden en meer ben gaan genieten.”

Hoe?

„Hij vindt mijn mening net zo belangrijk als de zijne. Neem die draaitechniek, daar hebben we tot twee dagen voor mijn WK-kwalificatie samen aan gesleuteld. Het liep niet en daar werd ik zenuwachtig van. Gert kwam met oplossingen, ik ook en op een gegeven moment ging de knop om. We waren zó opgelucht.”

Je bent gevoelig voor hoe je benaderd wordt?

Begint te giechelen. „Dat kan wel kloppen.”

Dat is goed van jezelf te weten, want zeker in jouw sport gaat het om details.

Ze knikt. „Om millimeters zelfs.”

Hoe kwam je erachter dat je zo gevoelig bent?

„Gert zei het tegen me. ‘Jouw lichaam zit anders in elkaar dan dat van de atleten die ik hiervoor trainde.’”

Je lichaam?

„Als kogelstoter moet je een bepaald gevoel hebben bij het stoten. Als je dat niet hebt, schaats je op glad ijs. Je wil grip hebben en begrijpen wat je doet. Door mijn gevoeligheid heb ik meer grip dan gemiddeld, wat, als het goed uitpakt, die halve meter verschil kan maken.”

Ik stel me zo voor dat die gevoeligheid je ook in de weg kan zitten.

„Absoluut. Dat is me vaker overkomen, vooral als ik veel spanning voel. Dan gaat het tussen mijn oren zitten en zijn mijn prestaties ook een stuk minder.”

Je moet er dus voor zorgen dat je goed in je vel zit zodat je gevoeligheid in je voordeel werkt.

„Dat, ja.”

Op de Olympische Spelen presteerde je onder je kunnen. Speelde dit mee?

De groep kinderen slentert, druk pratend, voor ons langs. Jessica begint wat heen en weer te schuiven op de bank. „Dit vind ik lastig”, zegt ze. „Overprikkeling is echt een dingetje. Om die reden draag ik tijdens grote toernooien een petje. De setting alleen al, met al dat publiek, kan overweldigend zijn. Door zo’n petje zie ik het publiek niet. Ik begin ook altijd wat eerder met opwarmen dan mijn concurrenten. De ring is dan nog leeg, zo krijg ik hun energie niet mee. Ik zoek daar een hoekje uit waar ik me terug kan trekken tijdens het toernooi. In gedachten zet ik daar een wand omheen.”

Foto Dieuwertje Bravenboer

Krijg je hulp bij het omgaan met overprikkeling?

„Ik heb op Papendal een mental coach tot mijn beschikking. Zo weet ik nu bijvoorbeeld dat het mij veel stress bezorgt als ik de kwalificatie en finale op één dag moet doen. Daar bereid ik mij dan mentaal op voor.”

Mag ik nog even terugkomen op de Olympische Spelen?

„O ja. Ik liep vlak voor ‘Tokio’ een coronabesmetting op. Daardoor was het spannend tot de laatste minuut: kan ik meedoen of niet? Heel lastig, want ik droomde er als meisje al van om aan de Spelen mee te doen. Het voelde alsof mijn wereld instortte. Het is over en uit.”

Het einde van je sportloopbaan?

„Ja. Dat klinkt dramatisch, maar zo voelde het wel. Alsof ik op zes plekken mijn been had gebroken en nooit meer zou kunnen lopen. Ik ben dankbaar dat ik er heb gestaan, maar ik zou het voor geen miljoen euro over willen doen.”

Omdat je er zo onder geleden hebt?

„Ik lijd er nog steeds onder. Als ik moet testen voor wedstrijden voel ik weer die angst voor de gevolgen van een positieve uitslag. De psychische gevolgen van zo’n test zijn bij mij heftiger dan de lichamelijke verschijnselen van corona. Dat merkte ik ook bij het WK. Ik had wat last van mijn longen, moest veel hoesten. Dan denk je al gauw: ik kan dat WK wel vergeten.”

Dat klinkt al beter dan: ik kan mijn carrière wel vergeten.

Ze lacht, hard. „Omdat ik wist dat er nog een EK achteraan komt.”

Wat zegt je mental coach ervan?

„Die snapt mijn zorgen en frustratie. Net als Charles van Commenée [hoofdcoach van de Atletiekunie]. Beiden maken grapjes als ik weer eens gespannen ben voor een coronatest. Ze zeggen ook dat ik nog jong ben en dat er nog genoeg mooie toernooien komen. ‘Eén WK meer of minder, wat zou het?’ Maar goed, op dat ene WK haalde ik wel brons hè.”

We hadden het eerder over je gewicht. Ga je daar nu anders mee om dan toen je nog bij je ouders woonde?

„Het bijzondere is dat ik nu vijf kilo lichter ben dan toen ik op Papendal aankwam, maar wél verder stoot.”

Dat staat haaks op het massa-is-kassa-principe.

„Ja, best opmerkelijk. Het blijft een feit dat de kogel verder gaat vliegen als je zwaarder wordt. Omdat je meer energie hebt en dus meer kracht. Maar de noodzaak om aan te komen is in mijn geval minder groot nu ik beter presteer dan ooit. Gert en de voedingsdeskundige worden niet boos als die weegschaal niet de goede kant op slaat. Ze zijn veel liever. We maken er zelfs grapjes over.”

Liever dan wie?

„Dan mijn ouders. Ik eet, maar niet zo veel. Ik denk dat ik hier een stem heb gekregen.”

Kan het zijn dat je verder stoot omdat je zo gelukkig bent hier?

Ze veert op. „Honderd procent! Het is een warm bad, ik voel me volledig geaccepteerd. Ik mag dan in een kamertje van negentien vierkante meter wonen, maar het is wel mijn kamertje. Als ik mocht kiezen zou ik altijd in het mooie, groene Arnhem blijven wonen.”

Waartoe ik in staat ben durf ik niet te zeggen, maar het doel is olympisch goud

Begrijpen je ouders dat?

„Pas toen ze merkten dat ik volwassener werd en grote stappen maakte in mijn sport. Nu zeggen ze: je bent beter af op Papendal.”

Haar doel is om de magische grens van twintig meter te doorbreken. Dat is een handvol vrouwen in de wereld gelukt, maar momenteel kunnen maar twee kogelstootsters het: de Amerikaanse Chase Ealey en de Chinese Gong Lijiao. „Ik weet niet of het dit jaar gaat gebeuren, maar dát het gaat gebeuren is zeker”, zegt Schilder.

Heb je jezelf verrast?

„Ja. Over de afstanden die ik werp, maar ook over de persoonlijke groei die ik heb doorgemaakt. Ik had niet verwacht dat ik de persoon zou worden die ik vandaag ben. Ik praat bijvoorbeeld veel makkelijker met mensen nu.”

Misschien heb je jezelf lang ingehouden, net als vroeger met dat discuswerpen.

„Uit angst voor het onbekende, dat zou goed kunnen.”

Wat is je ultieme droom?

„Meer dan twintig meter halen. Ik weet dat ik foutjes maak, dus er valt nog winst te behalen. In de voorbereiding op het WK zat ik bijvoorbeeld even in het gips, omdat ik een scheurtje in mijn voet had opgelopen. Dat hoort erbij, maar het mag niet nog eens gebeuren.”

Stel dat zich geen ongelukken voordoen, de pet goed staat, het hoekje is uitgekozen en je gevoeligheid in je voordeel werkt. Waar ben je dan toe in staat?

„Dat durf ik niet te zeggen, maar het doel is olympisch goud.”

Terwijl we naar het oefenveld lopen vertelt Jessica dat ze hoopt dat ze ooit de ruimte krijgt voor een duurzame relatie. Het leven van een topsporter vergt veel van een partner, beseft ze. „En ik ben nogal kieskeurig.”

Het klinkt alsof je uit ervaring spreekt.

„Sport is het belangrijkste in mijn leven. Als ik merk dat mijn vriend dat niet aankan, zet ik er vroeg of laat een punt achter. Het liefst wil je op mijn leeftijd wat ronddwarrelen, maar met topsport gaat dat niet.”