Hollandscheveld.

Foto Sake Elzinga

Het boerendorp met nog maar twee boeren

Hollandscheveld In de decennia vóór de stikstofcrisis verdwenen er al honderdduizenden boeren. De overheid drong aan op schaalvergroting, alleen de grote bedrijven bleven over. Die overheid vindt dat het nu minder moet. „Waar houdt het op?”, vraagt een boer zich af in het Drentse Hollandscheveld – het dorp waar in 1963 de eerste Boerenopstand plaatsvond.

Hans Mol is een indiaan. Zo voelt dat althans, vertelt hij aan de keukentafel in zijn boerderij. „Indianen waren een trots volk, ze pasten zich niet aan. Het was gewoon asociaal hoe de blanken de indianen behandeld hebben, já toch. Met de boeren nu, dat is vergelijkbaar met de indianen. In feite wel. Ons gebied wordt afgepakt met de onteigeningen. Is dat geen goede vergelijking dan? Het komt toch overeen?”

Op de grond die door zijn opa is gekocht en in de stal die door zijn vader is gebouwd houdt Mol melkkoeien, 25 in totaal. Hij wijst naar de kudde verderop in het weiland. Sommige koeien stammen nog af van die van zijn opa.

Dan wijst hij naar de huizen in de straat. Daar zat een boer, daar ook, in die stal stonden koeien.

Hij vertelt hoe het vroeger was, dat overal aan de Zuideropgaande in het Drentse dorp Hollandscheveld boeren zaten. Huis aan huis, overal stonden de melkbussen aan de straat. Had de boer hulp nodig, dan sprong de buurman bij. Was de boer ziek, dan melkte de buurjongen de koeien.

En nu, zegt Hans Mol, „ben ik hier de laatste indiaan”.

Een moeras met wat dorpjes, meer troffen de veenarbeiders die in de zeventiende eeuw naar het gebied rond Hoogeveen kwamen niet aan. Als een van de laatste gebieden van Nederland werd het veen ontgonnen. Er werden kanalen en sloten gegraven, het water liep weg. Eind negentiende eeuw hadden mensenhanden moeras veranderd in grasland. De kanalen bepalen nu nog de inrichting van het landschap, als wegen.

In de decennia daarna vulden de straten zich met melkbussen, werden de stukjes land achter de huizen begraast door koeien en varkens. De veenarbeiders werden fabrieksarbeiders of boer.

Precies weet hij het niet, maar het moet rond die tijd zijn geweest dat de voorouders van Jans Guichelaar (41 jaar) zich in Hollandscheveld vestigden. Misschien dat ze het land nog hebben ontgonnen. Misschien ook niet. In ieder geval kochten ze rond 1900 de grond waar zijn opa geboren werd, zijn vader, hijzelf en waar zijn zoontje opgroeit.

En precies weet hij het evenmin, Johan Bakker (38), de buurman van Guichelaar. Maar toen de Hoogeveense Courant hem laatst had geïnterviewd over de omgekeerde vlag voor zijn huis en schreef dat hij vierde generatie boer was, toen had zijn vader gezegd: nee Johan, wij zijn de vijfde of zesde generatie boeren.

Zeker is dit: de melkkoeien van Bakker en Guichelaar lopen op dezelfde grond als waar de melkkoeien van hun voorouders liepen.

Zeker is ook dit: Bakker en Guichelaar zijn de laatste twee fulltime boeren van Hollandscheveld.

Omwenteling

Er is niet één moment waarvan je kunt zeggen: toen begon het. Het was al lang gaande voordat er stikstofkaartjes waren en kritische depositiewaardes en het halve dorp de omgekeerde vlag ophing. Dat is hoogstens de recentste stap in een omwenteling die al tientallen jaren gaande is. Misschien wel de laatste stap.

Oudere bewoners van Hollandscheveld zagen het gebeuren, maar het ging traag, en elke ontwikkeling leek een logisch vervolg op de vorige. Pas later zag je dat het allemaal met elkaar te maken had. Hóé het met elkaar te maken had.

Hoe de kanalen werden gedempt en de schuiten plaatsmaakten voor auto’s en de paarden voor trekkers.

Hoe de overheid de boer die z’n schuld niet had betaald uit huis zette.

Hoe de acht bakkertjes die elke dag de deuren langsgingen met manden brood uit het straatbeeld verdwenen.

Hoe één van hen zo slim was een zelfbediening te openen, zo’n winkel die mensen nu louter kennen als ‘supermarkt’.

Hoe de ene boer z’n koeien wegdeed en zijn stukje land verkocht en in de fabriek ging werken en z’n buurman later hetzelfde deed.

Hoe je vanaf je bank thuis aan de Hollandscheveldse Opgaande steeds minder koeien voor het raam zag langslopen en steeds meer maïs zag groeien, totdat vooral de hoge groene bladeren met hun gele kolven het zicht vulden.

Hoe ze eerst klaagden als je een dakkapel op je huis wilde zetten, totdat er ineens een fabriek stond van veertig meter hoog en niemand meer beter wist dan dat het zo hoorde.

Hoe aan de rand van het dorp een industrieterrein kwam en straks, aan de andere rand, nog eentje.

De supermarkt. De fabriek. De industrie. De grotere stallen. De moderne tijd.

En dit: het verdwijnen van de boeren uit het boerendorp Hollandscheveld.

Het gedenkteken aan de Boerenopstand van 1963 in Hollandscheveld. Foto Sake Elzinga

In het Drentse dorp wonen nog twee fulltime boeren. Sake Elzinga

De varkensstal van Hans Koekoek had er eerder gestaan dan het huis. Eind jaren zeventig was hij hier begonnen, nabij de grens met Overijssel. Zijn opa was boer geweest, zijn vader, en altijd had hij geweten dat hij dat ook zou worden.

Geboren in 1951 omvat het boerenleven van Koekoek de tijd waarin de grote omwentelingen zich voordeden.

Zodat hij nu ook zegt, kijkend naar zijn laatste koeien: het is voorbij.

Vier dochters kregen Koekoek en zijn vrouw. Toen hun vijfde kind een jongen bleek, zei iedereen het direct: Hans, daar is je opvolger. Maar Koekoek zei: als de regels niet versoepelen, dan hoop ik niet dat hij boer wordt. En de regels zijn sindsdien alleen maar strenger geworden.

Hij had er nog tegen geprotesteerd. Toen de Mestwet in 1986 beperkingen oplegde aan het bemesten van zijn land moest hij ineens gaan bijhouden hoeveel hij wanneer had uitgestrooid over zijn land. Op de Landbouwschool had Hans Koekoek al gemerkt dat als hij zou doorleren hij vast ambtenaar zou worden. Nu voelde het alsof hij er alsnog een was geworden. Hij was ervoor naar de rechter geweest, want de Mestwet voelde onrechtvaardig. Die had gezegd: ik snap het, maar ik moet de wet volgen. Koekoek had het bedrijf wel voortgezet, in de goede jaren kon hij er goed van leven. Je bent boer, je blijft boer.

Zijn zoon is hovenier geworden. Hans Koekoek kan niet zeggen dat het pijn doet dat zijn bedrijf stopt. „Het was mooi geweest als een van de kinderen het hier deed. Maar dan wel normaal. Iedereen bemoeit zich ermee hoe het moet. Het wordt een dooie, onmenselijke situatie. Dan hoeft het van mij niet meer.”

Wel pijnlijk was hoe het een bekende van hem verging. Die had vroeger zo’n 400 zeugen en ging mee in de tijd. Op een gegeven moment had zijn zoon er 1.700. De oude boer woonde in een oude schuur op het erf. Het bedrijf leek goed te gaan, de familietraditie doorgezet. Maar toen Koekoek en zijn vrouw er laatst langsfietsten, bleek de stekker er toch uit getrokken. Dat je zo hard gewerkt hebt en dat het dan zó moet eindigen. Dat is Koekoek bespaard gebleven.

Dus zegt Hans Koekoek: was er maar wat beter naar mijn oom Hendrik geluisterd. Die zag het begin jaren zestig al: de schaalvergroting van de landbouw zou vooral verliezers kennen.

‘Vrije boeren’

Even was Hollandscheveld het middelpunt van de wereld, of in ieder geval van het zuidwesten van Drenthe, toen in 1963 de oprukkende overheid de vrije boer in het vizier had. En de boer besloot terug te vechten.

Tientallen jaren lang hadden boeren in Hollandscheveld en omstreken zich bijzonder weinig aangetrokken van het overheidsbeleid met betrekking tot de landbouw, voor zover dat er was. Een schriftje waarin werd bijgehouden wanneer welke koe gedekt werd en wanneer welk varken, dat was het vaak wel. Huis aan huis zaten ze, straat na straat. De boeren hadden vijf koeien, soms tien, wat kippen, een varken, verbouwden wat groente. Vaak konden ze ervan rondkomen. Soms moesten ze erbij werken in de conservenfabriek in Hoogeveen. In ieder geval waren ze boer.

Ze noemden zich de ‘vrije boeren’, vrij als in vrij van de overheid en vrij van alle beklemmende regels die het Landbouwschap begon op te leggen. Van die organisatie, die zowel belangenbehartiging deed als de regels maakte, moesten alle boeren lid zijn. De nazi’s mochten Nederland dan verlaten hebben, het idee van zo’n productschap, opgelegd door Seyss-Inquart, had de Bevrijding overleefd.

Daar moest je net in Hollandscheveld mee aan komen, waar tijdens de oorlog behalve drie oorlogsmisdaders ook verzetslui waren geweest. Dus toen het Landbouwschap het lidmaatschapsgeld wilde opeisen begon het te borrelen. Boeren hadden simpelweg geweigerd mee te betalen aan het Landbouwschap. Wie kon een vrije boer opleggen wat hij moest doen én daar geld voor vragen?

Bij boer Klaas Hartman aan de Hollandscheveldse Opgaande ging het om een schuld van zo’n 140 gulden bij het Landbouwschap, zelfs met het geld van nu nog geen 500 euro. Genoeg om de boer uit z’n boerderij te zetten, vond het Landbouwschap.

Wat volgde is wat later de ‘Boerenopstand’ of de ‘opstand der braven’ is gaan heten. Op de ijskoude ochtend van 5 maart 1963 kwam de deurwaarder, met in zijn gevolg de politie, langs met een bevel tot onteigening van Hartmans boerderij. Duizenden boeren waren naar Hollandscheveld gekomen om dat te voorkomen.

Ontruiming van de boerderij van boer Hartman in Hollandscheveld in 1963. Foto ANP

Er werden sneeuwballen gegooid, de politiepaarden galoppeerden door het weiland, agenten liepen met getrokken geweren door de straten. De Maagdenhuisbezetting van 1969 mag dan tekenend zijn voor de nieuwe tijd, hoe zes jaar eerder de gereformeerde boeren in een Drents dorpje het gezag hadden getart was dat minstens net zozeer.

Maar aan het einde van de dag was de boerderij van Hartman wel leeggehaald.

Hans Koekoek, elf jaar oud, was er niet bij. Hij moest naar school. Zijn oom Hendrik Koekoek was er wel, ze noemden hem de voorman van de kleine boeren, ja, van de opstand zelfs. Hij werd er zo beroemd mee op het platteland dat hij twee maanden later met zijn Boerenpartij verkozen werd in de Tweede Kamer. Achttien jaar lang zat hij er, langer dan de meesten. Maar toen hij in 1987 overleed weigerde de Kamer hem te herdenken.

Het verhaal van de tweede helft van de twintigste eeuw is er een van schaalvergroting, van méér, méér, méér, van een steeds intensievere landbouw. Totdat in de 21ste eeuw bleek dat er grenzen zaten aan wat de aarde aan kan. Dat zulke landbouw de natuur kan verdorren, dat het biosystemen kan vernietigen. Dat de overheid krimp in plaats van groei gaat aanjagen.

In Hoe God verdween uit Jorwerd beschreef Geert Mak de rappe opkomst van de melkmachine. In 1950 waren er in heel Nederland nog geen vierduizend. In 1960 zeker veertigduizend. „Binnen drie decennia daalde het werk dat aan een gemiddelde melkkoe besteed moest worden met meer dan tachtig procent.”

Het waren de jaren van de bevolkingsgroei en de grote sprong voorwaarts in welvaart. De mens werd consument, wilde een autootje, een tv. De monden moesten gevoed worden. Goedkoop, vond de overheid. De bakker en de groenteman werden ingeruild voor het schier oneindige aanbod van de supermarkt.

Je kon twee kanten op als boer. Je kon erin meegaan, met de efficiëntieslagen en rationalisaties en vergroting die de overheid eiste en fors subsidieerde. In enkele jaren kon je bedrijf hard groeien, met steeds meer koeien of varkens, steeds hogere omzetten – en steeds smallere marges. De bank hielp je er maar wat graag mee.

Je kon het ook niet doen. Toen ze op de landbouwschool tegen Hans Koekoek zeiden dat je zeker 120 varkens moest houden, dacht hij al: van m’n leven niet. Meer dan honderd heeft hij er nooit gehad. Door in goede tijden vrijwel niet te groeien maar te sparen kon het toch uit.

Om hem heen zag hij de boeren die wél intensiveerden, die wél elk jaar groeiden. Maar ook zij zijn inmiddels vrijwel allemaal gestopt.

Intensieve landbouw

Begin jaren zestig telde Drenthe nog zo’n 16.000 rundveehouders. Begin deze eeuw waren het er 2.515. In 2021: 1.315. In de gemeente Hoogeveen, waar Hollandscheveld onder valt, halveerde het totale aantal boerenbedrijven sinds de eeuwwisseling: van 335 naar 164. Het aantal rundveebedrijven kromp nog harder: van 211 naar 89. Maar het aantal runderen bleef vrijwel gelijk.

Voor de burger zit daarin het succes van schaalvergroting: die betaalde voor z’n slavink en kilo gehakt minder geld. Voor het klimaat zat daarin de tragedie: intensieve landbouw stoot veel broeikasgassen uit. En de boer produceerde meer met kleinere marges. Een derde van de boeren verdient minder dan het minimumloon.

Bij hem thuis schermt boer Hans Mol met twee handen één kant van zijn gezicht af en fluistert: „Ze hebben zich laten verleiden. Ze hebben zich laten ver-lei-den.”

Door de politiek, die het allemaal prachtig vond, zulke hoogefficiënte landbouw met hun goedkope vlees, aardappelen en groenten. Miljarden euro’s aan subsidies en belastingvoordelen kreeg de agrarische sector. De béste boeren van de wereld, pochten bestuurders. Door de bank, die het natuurlijk prettig vond dat zeker de helft van het boerenbedrijf van hén was.

Zelf ging Mol er nooit in mee. Ze moeten het zelf weten hoor. Maar híj zou het niet willen. Op zondag: ’s ochtends een uurtje melken, ’s middags een uurtje melken. Hij heeft een zondag, hij lééft. Met zijn jongens, de kinderen, zijn vrouw. Een leuke vrouw, vindt hij zelf, daar moet hij tijd voor hebben. De grote boeren, die hebben altijd wat. Altijd het vee, altijd het personeel, gedoe, gelazer. Nee, nooit. Hans Mol vindt het heerlijk. Hij kan het allemaal zelf doen.

De boekhouder zei tegen mij toen ik het bedrijf overnam: je houdt het geen vijf jaar vol. En sowieso geen tien. Ik ben 26 jaar verder

Hans Mol melkveehouder

Je hebt er weleens over nagedacht te stoppen, zegt zijn vrouw. Maar de vraag wat hij dan moest gaan doen konden ze nooit beantwoorden.

„De boekhouder zei tegen mij toen ik het bedrijf overnam: je houdt het geen vijf jaar vol. En sowieso geen tien. Ik ben 26 jaar verder. Ik zeg je: je bent boer of je bent het niet. In de slechte jaren zeiden veel boeren: ik red het niet meer. Ik heb het nooit gemerkt. Heb het wel ’ns gedacht, om te stoppen, maar kreeg het niet over m’n hart. Ga je naar het vee en denk je: prachtig, prachtig.”

Mol is wat andere boeren een ‘hobbyboer’ noemen. Zijn 25 koeien melkt hij elke ochtend en avond. Hij koopt fosfaatrechten voor ze in. Hij houdt de mestboekhouding bij. Als mensen vragen wat hij is, geeft hij hetzelfde antwoord dat zijn vader en zijn grootvader gaven: boer.

Maar ervan eten kunnen hij, zijn vrouw en hun negen kinderen niet. Dus werkt hij ernaast voor een baas, hij neemt grondmonsters. Dat zet het eten op tafel. Vandaar: hobbyboer.

In wezen is er op zijn erf al decennia amper iets veranderd. De koeien melkt hij zelf, net als zijn vader, in de grupstal. Daarin staan de koeien naast elkaar vastgebonden. Uit het oogpunt van dierenwelzijn, de koe kan immers niet vrij bewegen, worden die stallen niet meer gebouwd.

Terwijl er zoveel veranderd ís. Boer Koekoek heeft het allemaal zien gebeuren. „Mijn vader had zwaarder werk dan ik. Maar als hij in huis was, dan was hij klaar. Nu zit je met de administratie, de registraties, de mestboekhouding. De computer. Ja, het is allemaal makkelijk. Maar hoelang zit je erachter?”

In de koeienstal pakt Jans Guichelaar zijn iPhone uit zijn broekzak. Pincode, een keer naar rechts swipen, rechtsboven op het scherm: de app ‘Time-for-Cows’. Hij klikt op de bovenste naam, Marijke-14, en de app laat alle informatie zien die Guichelaar op een woensdagmorgen rond half twaalf zou kunnen willen weten over koe Marijke-14.

Hoeveel liter ze vanochtend gegeven heeft (iets minder dan gemiddeld) en hoe laat (rond zeven uur ’s ochtends). Hoeveel weken drachtig ze is en wanneer ze naar wat Guichelaar de kraamafdeling noemt moet. Hoeveel eten de robot heeft bedacht dat Marijke-14 mag krijgen wanneer ze haar kop in de voederbak steekt. Ergens in de stal of in de wei, de koeien mogen zelf kiezen, loopt ze rond. De halsband om haar nek bevat alle informatie die de computer en Guichelaar moeten weten. Het melken en voeden gaat met een robot, de hele dag door.

Miljonairs

Maar denk niet dat het boerenwerk makkelijk is. Aan de keukentafel, met zicht op een computerscherm dat vier camerabeelden uit de stal en van het erf laat zien, leggen Guichelaar en buurman Johan Bakker het uit.

„Ze zeggen dat wij de beste landbouw ter wereld hebben. Onze kennis en kunde! Dat is ook zo. Maar als ik zie wat wij tweeën móéten weten aan regelgeving, dat is gigantisch. En dan proberen ze je ook nog voor gek te verklaren. Dat kan niet”, zegt Guichelaar.

„Ze zeggen dat wij allemaal miljonairs zijn. Dat is echt kantoorpraat. Je bent wel miljonair, maar je hebt geen cent op de bank. Het gaat van generatie naar generatie, het geld komt nooit op tafel”, zegt Bakker.

En dan nog: áls je alles zou verkopen, dan ben je misschien wel miljonair, maar geen boer meer.

Als enige twee boeren van Hollandscheveld werken ze fulltime op de boerderij. Guichelaar pas sinds 1 januari, toen hij het bedrijf overnam van zijn ouders. Hij heeft er nog een nulurencontract bij het grote agrarische bedrijf Agrifirm bij. Ook Bakker heeft er lang naast gewerkt.

Hun koeien lopen buiten. Ze produceren duurzame melk en de bedrijven werken, zoals hun afnemer Albert Heijn het eist, klimaatneutraal. Dat betekent: 18.000 liter melk per hectare grond per jaar. Dan neemt het gras net zo veel op als je uitstoot, zeggen ze.

De oudere boeren in het dorp zeggen: de jongere boeren weten niet beter dan dat ze met allerlei regels moeten werken, daarom redden zij het nog. Deze jongere boeren zeggen: er komt steeds weer wat bij, moet dat nou?

Guichelaar: „Toen was het de zure regen, en dan was het de ozonlaag en toen de methaanuitstoot en toen ineens de CO2. Na de CO2 kwam de fosfaat. Moest ik ineens fosfaatrechten gaan kopen. Nou, dat hebben we allemaal gedaan. Nu is het stikstof. Waar houdt het op?”

Als je alles zou verkopen, dan ben je misschien wel miljonair, maar geen boer meer

Bakker: „Het gaat altijd door. Terwijl er helemaal geen stikstofprobleem ís. Ja, misschien bij sommige boeren die direct naast een Natura 2000-gebied liggen. Maar nationaal gezien is er geen probleem.”

Guichelaar: „De overheid heeft zichzelf in de nesten gewerkt met de kritische depositiewaardes voor uitstoot. Dat is het probleem. Die moeten ze eraf gooien, dan is het probleem opgelost. Ze zeggen dat de waterkwaliteit slecht is. Maar kijk hiernaast eens in de slot. Je kan zo de bodem zien.”

Er is een heel ander probleem, zegt Bakker. Nederland is niet in balans. Er zou een plan moeten komen om minder te importeren, minder rijst bijvoorbeeld. Eet eens wat meer aardappelen. En alleen seizoensgebonden groente, ook de afgekeurde groentes. Het hele narratief dat na de oorlog ontstond dat de mens op vakantie moet en de prijzen van voedsel altijd omlaag kunnen, dat moet anders. Maar hoe overtuig je de stadsmens daarvan?

Het gaat de overheid ook helemaal niet om stikstof, denken ze, het gaat om hun grond. Dat is het hele punt: dat de boeren de helft van alle grond in Nederland in handen hebben terwijl ongeveer 0,5 procent van de mensen nog boer is.

Kijk naar het stuk grond hier tussen de boerderijen, wijst Guichelaar. Daar komt een nieuwe zuivelfabriek. Nu is er een stukje bos en groeit er maïs, is dat dan géén natuur? Hij wil er niet te veel over zeggen. Het is hartstikke goed voor de sector natuurlijk. Maar de overheid zegt ook minder boeren te willen. Waar zijn ze dan mee bezig?

De ontwikkeling van boerendorp naar een dorp met burgers is allang niet meer te stoppen, denkt Bertus ten Caat, burger, geen boer, nooit gewild ook. Hij is stoffeerder en schreef een boek over de Boerenopstand. Je zou hem een van de dorpshistorici kunnen noemen, niet op de laatste plaats omdat hij er in 1963 als knul zélf bij was. Naast een gedenksteen van die opstand bij de ingang van het dorp zegt hij: „De situatie is zodanig aan het veranderen, je doet er niks aan.”

Toen twintig jaar geleden de plannen voor een industrieterrein bij Hollandscheveld werden gemaakt, ook op grond van boeren, waarschuwde hij in de krant al dat het uit de klauwen zou lopen. Bouw een fabriek van veertig meter hoog en de volgende zal zeggen: dan mag ik ook zonder problemen een loods van twaalf meter hoog in een weiland neerzetten.

„Je gaat denken, er ligt een gigantisch gebied en daar lopen een paar koeien, er staat wat maïs en er werken drie mensen. Nu werken er op dat industriegebied honderden mensen. Die ontwikkeling is ook niet te stuiten. Het gaat precies zoals we het toen voorspelden. Er komt straks een zonnepark. Als dat er eenmaal ligt, dan is het hek van de dam. Dan is het al een half industriegebied. Zijn natuur of weidegebied dan nog relevant?”

Om natuur is het wel allemaal te doen, de laatste overheidsplannen dan. De stikstof die industrie en boeren uitstoten verarmt de natuur. Plantensoorten en dierenpopulaties verdwijnen.

Om de natuur te herstellen tot een wettelijk acceptabel niveau moet de stikstofuitstoot voor 2030 gehalveerd zijn. Om dat te bereiken wil de overheid boeren, verantwoordelijk voor 60 procent van de stikstofuitstoot, uitkopen, desnoods zelfs onteigenen. Volgens het bekritiseerde kaartje dat het kabinet in juni presenteerde, zou rondom Hollandscheveld 47 procent minder stikstof uitgestoten moeten worden.

Bakker en Guichelaar zeggen: ga om tafel met de héle grote uitstoters naast een natuurgebied, verhoog daarnaast de normen, en je bent er.

Voorzitter van de Boerenpartij Hendrik Koekoek spreekt in 1965 honderden boeren toe die de ontruiming van drie boerderijen in het Hollandscheveld in 1963 herdenken. Foto ANP

De herdenking in 1993.
 
Foto Sake Elzinga

World Economic Forum

Hans Mol heeft een ander idee. Het komt door het World Economic Forum van Klaus Schwab en door de elite. Die willen robotmensen van ons maken. Hij heeft het onderzocht, meerdere bronnen, en het klópt. Nederland moet één stad worden met een paar natuurgebieden erin en veel buitenlanders.

In zijn hoekhuis naast de kerk zegt de 29-jarige gereformeerde dominee Yorick Breemes: dit hoor ik vaker. De voorganger ontvangt in zijn woonkamer, met modieus groen geverfde muur. Aan de boekenkast hangt een Feyenoord-sjaal. Als ze spelen zit hij met sjaal om de nek voor de tv.

Voor sommige mensen, zegt hij, „gebeurt er wel heel veel tegelijk. Stikstof, het klimaat, vluchtelingen, oorlog, corona en dan nu weer apenpokken.”

Er zijn gereformeerden in Hollandscheveld die vooral bidden dat het goedkomt. Er zijn er ook die zeggen: dit is de eindtijd zoals in de Bijbel beschreven, hierna zal Jezus terugkeren op aarde. Klaus Schwab, of het coronapaspoort, is het teken van de Duivel dat die apocalyps eraan komt.

Het wordt besproken aan de koffietafel na de zondagse dienst, die al lang niet meer begint op een tijd dat er met de melkende boeren rekening wordt gehouden. Het komt langs in gesprekken die de dominee met leden van zijn gemeente voert.

Hij snapt de gedachte. In Openbaringen, zegt Breemes, gaat het over de vier ruiters van de apocalyps. Wat als de pandemie, de honger, de oorlogen en het World Economic Forum die vier ruiters zijn?

Maar hij gelooft er niet in. Natúúrlijk zou het mooi zijn als Jezus terugkeert. Liever vandaag dan morgen. Maar de aanstaande eindtijd, hij ziet het nog niet. Gewoon in het hier en nu het goede doen, dat is veel belangrijker.

De coronacrisis en nu stikstof wakkeren wantrouwen binnen de gemeente aan. Of dat er meer is dan elders in het land, dat weet hij niet zeker, maar het ís er. Waarom zou je nog bidden voor een overheid die ons land wil afpakken, denken sommigen. Ze bidden er nog wel voor. Maar dat betekent niet dat ze alles van de overheid klakkeloos aanvaarden.

In de straat van de kerk hangen veel omgekeerde Nederlandse vlaggen. Niet aan de kerk zelf. Ook geen Oekraïense trouwens. Om de goede rust te bewaren, houdt de dominee zich bij zijn leest.

De vlaggen hangen overal in het dorp. Aan voormalige boerderijen. Aan rijtjeshuizen. Aan appartementen. Bij een twee-onder-één-kap-woning zegt de bewoner: het is uit solidariteit met de boeren, de overheid luistert nooit naar ze, dat moet afgelopen zijn. Haar vader was boer, maar niemand van zijn kinderen volgde hem op.

Hij hangt er omdat de boer in nood is, zegt Hans Mol. Welke kant kiepert het op, alle macht naar Brussel, of naar Nederland?

De omgekeerde vlag is een vriendelijk protest, dat is het gewoon, zegt Johan Bakker. Met een vriend hing hij ze overal in Hoogeveen op. De politie vond het móói, zegt hij.

Wij staan er nog een beetje positief in, zegt Jans Guichelaar. Maar sommige boeren zitten er helemaal doorheen, die staan ermee op en gaan ermee slapen.

Hij weet dat het stikstofkaartje van het kabinet incompleet en achterhaald is. Maar wat als na alle nieuwe berekeningen blijkt dat hij toch echt 47 procent minder stikstof moet uitstoten, dat zijn veestapel écht gehalveerd moet worden? Guichelaar rekent het voor. Van de jaarlijkse inkomsten van het bedrijf is 60 procent nodig om het bedrijf te runnen. 20 procent gaat naar investeringen. Van de laatste 20 procent eten zijn gezin en zijn ouders.

Halveer je dat, zegt hij, „dan verdwijnen ook de laatste boeren uit Hollandscheveld”.