Een ode aan de roadtrip, nu hij steeds minder betaalbaar wordt

Reizen De roadtrip was de betaalbare manier om ver te reizen en veel te zien – tot de benzineprijs door het dak ging. neemt voor lief dat zijn geld voortijdig zal opraken, hij gáát.

Een van de voornaamste redenen om met rijlessen te beginnen, was het vooruitzicht om ooit achter het stuur te zitten tijdens een roadtrip. Ik heb de Verenigde Staten doorkruist, door het Oostblok getoerd, de Baltische staten aangedaan – duizenden uren in de auto, maar nooit als chauffeur. 2022, het jaar dat ik mijn rijbewijs ging halen, zou mijn roadtripjaar worden. Maar toen kwamen de problemen.

Door de oorlog in Oekraïne schoot de benzineprijs, die al aan het klimmen was sinds het laagtepunt tijdens corona – toen we massaal de auto lieten staan – tot ongeveer 2,50 euro op het moment van schrijven. Afgelopen september was dit nog ‘slechts’ 1,98 euro. Op een serieuze roadtrip kan dit verschil neerkomen op honderden euro’s. Hopend dat ze het nieuws niet echt volgden, informeerde ik bij vrienden of ze eventueel te porren waren voor een lange rijtocht, waarheen maakte me niet uit. „Je beseft wel dat dit het allerslechtste jaar denkbaar is voor een autotocht, hè?”, zei een vriend. „Neem gewoon het vliegtuig, man. Veel goedkoper.”

Lees ook het eerdere stuk van Daan Heerma van Voss over zijn rijlessen: Bibberend achter het stuur je rijangst tegemoet

Niemand die ik benaderde, was ontvankelijk. Markeerde 2022 dan misschien het begin van het einde van de roadtrip? En zo ja, zou dat erg zijn? Is de roadtrip niet meer een Amerikaans verschijnsel, dat wij hebben geprobeerd te kopiëren?

Ja, het einde van de roadtrip zou erg zijn, heel erg. Het is namelijk westers, ja ook Nederlands erfgoed.

Veel historici dateren de opkomst van de roadtrip in de jaren tien en twintig van de twintigste eeuw, in de Verenigde Staten. De regering gaf er miljarden uit aan het verbeteren van wegen, en door massaproductie daalde de prijs van een automobiel drastisch. Tot die tijd was rondrijden alleen weggelegd voor de rijken. Rond 1920 begon de ‘road trip’ als fenomeen te lijken op wat we er nu onder verstaan, schreef Time Magazine in een in 2015 verschenen profiel van de roadtrip: een toegankelijke, alternatieve manier van reizen, ongebonden en avontuurlijk. Die ontwikkeling zette door: in de jaren dertig werden door het hele land grote snelwegen aangelegd, de highways, waardoor het reizen van staat naar staat vergemakkelijkt werd. De bekendste van die snelwegen: de bijna vierduizend kilometer lange Route 66, vereeuwigd door de hit ‘(Get Your Kicks on) Route 66’ van de Amerikaanse zanger Bobby Troup. De beginregels: ‘If you ever plan to motor west, travel my way, take the highway that’s the best.’

Na de muziek raakte de literatuur in de ban van de roadtrip. Het was Jack Kerouac die met zijn legendarische stream-of-consciousnessroman On the Road (1957), een lang en droomachtig verslag van een epische autotocht door het veranderende Amerika, de roadtrip voor altijd verbond met jeugdcultuur. Dankzij Kerouac was de auto niet langer van vaders, maar ook van kinderen. Kinderen die volwassen werden, die de rest van het land wilden zien, het huis wilden ontvluchten, die opnieuw wilden beginnen, of even in die fantasie wilden verkeren. „Nothing behind me, everything in front of me, as is ever so on the road”, schreef Kerouac.

Op de literatuur volgde de film. De ultieme cinematografische verbeelding van de roadtrip kwam in 1969, met Easy Rider: de non-conformistische sjacheraars Wyatt (Peter Fonda) en Billy (Dennis Hopper) rijden van Los Angeles naar New Orleans, met advocaat George (Jack Nicholson) achter op de motor.

Trance

Het was door de muziek, de literatuur en de film dat ik verliefd werd op the open road, zoals dat in de Amerikaanse roadtripcultuur heet: het uitgestrekte land, de vrijheid om uit te wijken, om de plannen helemaal om te gooien of te annuleren, de trance van eindeloze wegen, steeds op weg, het verplaatsen als je bestemming. ’s Ochtends ergens wegrijden, niet precies wetend waarheen, en ’s avonds moe neerstrijken in een verrassend goed hotel, of juist een smoezelig motelletje. Het is vrijheid in zijn puurste vorm.

Tegenwoordig wagen zich jaarlijks tientallen miljoenen westerlingen aan roadtrips, van noord naar zuid, van oost naar west. Onder hen ook veel Nederlanders. Enkele populaire bestemmingen van Nederlanders buiten Europa: Zuid-Afrika, Thailand, Indonesië en natuurlijk de Verenigde Staten. Binnen Europa gaan we graag naar Italië, Frankrijk en Scandinavië, aldus de ANWB.

Maar het is te kort door de bocht om te stellen dat de roadtrip simpelweg is overgewaaid uit de VS en klakkeloos door ons is overgenomen. Ik zie de roadtrip als de enige erfgenaam van de ‘grand tour’, de grote reis, de rite de passage van Europese jongvolwassenen van gegoede komaf in de zeventiende tot halverwege de negentiende eeuw. Engelsen, Vlamingen, Spanjaarden, Hollanders, ze waagden zich allemaal aan een grand tour over het Europese vasteland. (Het zou tot in de negentiende eeuw duren voordat de grand tour ook iets voor vrouwen van hogere klassen werd, zoals we kunnen lezen in E.M. Forsters roman A Room with a View (1908).)

Per koets bezochten de mannen klassieke monumenten, vooral in Italië en Frankrijk, lieten ze zich bijscholen op het gebied van de kunsten en regelmatig bezochten de heertjes het bordeel. „Overeenkomstig het gebruik, en misschien ook volgens de wet van het verstand, vervolmaakt de buitenlandse reis de opvoeding van een Engelse gentleman”, schreef de beroemde Engelse historicus Edward Gibbon, daags voor zijn grand tour, in zijn postuum uitgegeven Memoirs of My Life and Writings (1796).

Misschien wel het beroemdste verslag van zo’n grand tour is afkomstig van Johann Wolfgang von Goethe, die op de respectabele leeftijd van 37 (veel later dan gebruikelijk was dus) in september 1786 aan een bijna twee jaar lange reis door Italië begon en daarna zijn Italienische Reise schreef (gepubliceerd in 1816). „In Rome heb ik mezelf voor het eerst gevonden. Ik ben hier voor het eerst in harmonie met mezelf gelukkig en verstandig geworden.”

Ontgoocheling

De roadtrip vervult precies dezelfde inwijdende functie als de grand tour, al gaat het meestal niet om ‘hoge cultuur’ als architectuur en schilderkunst, maar om de cultuur van alleman. Niet om de beelden van Bernini maar om de matrassen van Barefoot Motel, niet om Leonardo da Vinci maar om Led Zeppelin, niet om Goethe maar om beduimelde blaadjes bij het benzinestation. De roadtrip is de gedemocratiseerde, betaalbare opvolger van de grand tour, en die erfenis mag niet worden verkwist.

Lees ook: Trend zet ook dit jaar door: we vieren vakantie in eigen land

Maar één van de redenen dat roadtrippen algemeen toegankelijk is, en dus niet voorbehouden aan culturele of financiële elites, is de betaalbaarheid van autorijden. En die staat zeer onder druk. Er is de prijs van tweedehandsauto’s, die sinds corona flink is opgelopen. Waar een gemiddeld tweedehandsje in 2020 17.714 euro kostte, is dat nu 22.723 euro: een prijsstijging van ruim 28 procent in twee jaar tijd. En met de hedendaagse benzineprijzen zouden Peter Fonda en Dennis Hopper vermoedelijk niet op hun Harley-Davidsons gaan zitten, en was Jack Kerouac wellicht gaan fietsen. In maart repte columnist Micheline Maynard in The Washington Post dan ook van „de ondergang van de great American roadtrip”. De hoge benzineprijzen, het tekort aan personeel in hotels en bij benzinepompen, dat wat zij omschrijft als „het uitsterven van de betaalbare huurauto” – allemaal omstandigheden die bijdragen aan wat Maynard nu al „de zomer van de ontgoocheling” heeft gedoopt.

De hoge benzineprijzen hebben de status van de roadtrip misschien nu al veranderd: waar vliegen vroeger voor rijken was en autorijden voor de massa, lijken de rollen nu enigszins omgedraaid. De mensen voor wie autorijden te duur is, nemen het vliegtuig.

Lege tank

Nederlandse media klinken in plaats van grote woorden eerder nuchtere commentaren op de hoge benzineprijzen. Zo probeerde De Telegraaf er medio juni nog het beste van te maken, door tips te geven om de ‘benzinepijn’ van onze ‘trouwe vierwieler’ te stillen. Met goede bandenspanning verbruik je 2 procent minder brandstof; niet met open dak rijden; matig je snelheid; tank over de grens; niet bumperkleven; de motor uitzetten als je in de file staat. „We merken dat vakantiegangers deze zomer dichter bij huis blijven”, zegt woordvoerder Sanne Over van de ANWB. „Het is een optelsom. De inflatie, de hoge brandstofprijzen, corona, het speelt allemaal mee. De Europese rondreisbestemmingen – denk aan Frankrijk, Scandinavische landen en het Verenigd Koninkrijk – zijn deze zomer weer toegankelijk voor Nederlanders en in trek. Maar vooral voor de verre rondreizen buiten Europa zijn mensen nog afwachtend.” Beleefde functionaristaal voor: voor de roadtrip is het vijf voor twaalf.

Aan mij zal het dit jaar niet liggen. Nu ik mijn rijbewijs heb gehaald, en ik mijn geliefde heb overtuigd dat we echt naar Italië moeten, een van de cruciale bestemmingen van de grand tour, en wij haar ouders hebben overtuigd dat ze ons echt hun auto moeten uitlenen, staat niets een roadtrip nog in de weg. Het is duur, misschien kunnen we het nauwelijks betalen, maar is dat niet-weten niet deel van de charme? Ligt in vrijheid niet ook de mogelijkheid besloten dat je je bestemming niet haalt, dat je met een lege tank langs de kant van de weg eindigt? Ik leg mijn voet op het gaspedaal en duw zachtjes. Niks achter me, alles voor me, zoals het altijd is als je op weg bent.