Opinie

Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek

Architectuur

Duurzaamheid staat hoog op de agenda van architecten, maar blijft vaak beperkt tot maar één aspect ervan, schrijft . Wat als gebouwen eeuwen mee moeten gaan?
Na-oorlogse wederopbouwflat aan de Wijnhaven in Rotterdam wordt gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.
Na-oorlogse wederopbouwflat aan de Wijnhaven in Rotterdam wordt gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Foto Vincent Mentzel

Bij gebrek aan grotere ideeën is de architectuur al zo’n twintig jaar in de ban van duurzaamheid. Een nieuw Pantheon, of iets dat daarbij in de buurt komt, heeft de duurzaamheidsarchitectuur echter nog niet geproduceerd. De duurzaamheidsarchitectuur heeft zich opgericht, zo heet het, ontwerpt voor de toekomst. Het recent opgeleverde Sluishuis in Amsterdam IJburg, in NRC lovend besproken, is een voorbeeld. Het is een woongebouw in een modern gewaad. Er staan planten op de trappen en de daken. De ontwikkelaar spreekt van een „duurzame koploper” en meldt dat de woningen energieneutraal zijn en desondanks veel ramen hebben. Je hoort veel minder over de technische krachttoeren die nodig zijn voor de bewatering van de planten en voor het dramatisch over het IJ hangen van het gebouw.

Dat het Sluishuis verder gaat dan het geitenwollencliché van een duurzaam huis – een lemen hut met een grasdak, een geit erop en een windmolen ernaast – zou een verdienste zijn als het ontwerp op andere duurzaamheidsaspecten dan energiebesparing niet zo pervers was. Duurzaamheid wordt immers in de bouw gedefinieerd door uiteenlopende, en soms conflicterende criteria. Behalve energie spelen ook de deugdelijkheid van materiaalwinning, de mogelijkheid van hergebruik, de embodied energie (de energie die nodig is om materialen te winnen, fabriceren en vervoeren), de sloopkosten etc. een rol. Geen wonder dat de receptie van het Sluishuis zuinig is. Sportschoolarchitectuur, zeiden ze op mijn bureau. Peterseliearchitectuur, smaalde kunstenaar Ira Koers over dergelijke architectuur.

Het ontwerp van het Sluishuis is van een lichtzinnigheid die moedwillig breekt met architectonische conventies en nuchterheid. Dat belooft niet veel meer dan een toekomstideaal, dat met technologie moet worden ingelost. In de architectuur hebben wij dat eerder gezien, schreef de Duitse architect Hans Kollhoff in zijn essaybundel Architekten. Ein Metier baut ab. Na de Tweede Wereldoorlog werd de utopische Stad van Morgen, waarin men vredig in flatgebouwen tussen het suburbane groen zou wonen, haastig omarmd. Dat resulteerde in net zo haastig gefabriceerde buitenwijken, die niet veel later ten koste van veel energie, grondstoffen, klimaatlasten en – niet te vergeten – veel maatschappelijk leed op de schop genomen zijn.

Lees ook: Het huis van de toekomst? Zo ziet het eruit

Kollhoff vervolgt dat de Europese stad uit solide gebouwen heeft bestaan. De fysieke stad was voorwaarde voor de maatschappelijke modernisering van de gebouwen en niet andersom. De inzet van de vernieuwing van de architectuur was de verbetering van de stad. De Europese stad veronderstelde echter dat de architectuur beantwoordde aan de conventies in bouwen en wonen. De stad was geen speelveld van ongekwalificeerd vernieuwingsdenken of van de vrije markt. Maar zo gaat het niet meer.

Duurzaam bouwen

Laatst presenteerde ik bij een woningcorporatie een renovatieplan voor naoorlogse flatgebouwen. Ik ging uit van het engagement van de bewoners, en van minimale sloop. Alhoewel men vooraf aangaf geïnteresseerd te zijn in duurzame ontwerpstrategieën, betwijfelde de woningcorporatie vooral of dit voldoende zou zijn voor de herpositionering van hun product op de woningmarkt. Herpositionering? Product? Woningmarkt? Vernieuwingsretoriek en marktdenken teisteren de sociale huursector, duurzaam bouwen is daarin een facultatief aspect.

Ook de bouwindustrie is nog lang niet zover dat grondstoffen opnieuw zijn te gebruiken. Architect William McDonnough, auteur nota bene van het boek Cradle to Cradle, gaf dat een keer gretig toe, bij een diner na afloop van de boekpresentatie. Het verlengen van de levensduur van naoorlogse flats en het voorzichtige gebruik van grondstoffen wees hij af. Breek maar af die troep, zo zei hij. Laat liever je intenties zien. De duurzaamheidsgoeroe plaatst goede bedoelingen boven effectiviteit.

Duurzaamheid mag geen alibi zijn om Bijlmerflats te ontmantelen. Materiaalbesparing!

Dat is onacceptabel. De doelen in de duurzaamheidsretoriek divergeren en moeten verstandig op elkaar afgestemd worden. Anders blijven circulariteit, biodiversiteit, klimaatlasten en energiebesparing over elkaar heen tuimelen en blijven doelen in bedoelingen verzanden. In de innovatieve duurzaamheidsretoriek is geen toekomstbeeld besloten.

Zolang hergebruik en afvalscheiding niet uitontwikkeld zijn of gewoon te veel negatieve ecologische neveneffecten hebben (denk aan de transportlasten van oud papier ophalen), zit er niks anders op dan geduldig, nuchter en zuinig te zijn. Duurzaamheid mag geen alibi zijn om Bijlmerflats te ontmantelen. Materiaalbesparing, koeling, verwarming en circulariteit zijn eeuwenoude architectonische thema’s. Leer van steden die voortbouwden op wat er was. Zulke steden accumuleren kennis en wijsheid – en zijn weerbarstig in hun vernieuwing.

Zo verrees Florence in de renaissance uit lokaal bouwpuin. Romeinse vondsten versierden de palazzi. De chique natuursteengevels lijken massief, maar zijn precies zo dun als het oog acceptabel vindt. Als het zo uitkwam voorzag men flinterdun pleisterwerk van natuursteenpatronen of decoraties. Materiaalbesparing werd decoratiekunst.

Rampzalige fantasieën

Aangenomen dat het met de opwekking van duurzame energie wel goed komt, is de aanwending van lokale klei voor baksteen helemaal geen gek idee. Vergelijk dat met het ‘duurzame’ naaldhout dat uit afgelegen plantages naar Nederland wordt gesleept. Hoewel het een gunstige reputatie heeft, groeit hout in monoculturen die het equivalent van legbatterijen zijn – alsof biodiversiteit niet ook onder duurzaamheid valt. Hout heeft bovendien voortdurend onderhoud en reparatie nodig. Het is flauwekul om met hout te bouwen zolang bakstenen huizen de Nederlandse architectonische soliditeit kunnen voortzetten.

Lees ook: Rijksbouwmeester Francesco Veenstra: ‘Ja, Nederland is lelijker geworden de laatste jaren’

Ik wil niet denken aan de toekomstige peterseliestad Amsterdam, waar planten de grachtenpanden overwoekeren, de daken schitteren van zonnepanelen, de historische interieurs zijn verdwenen achter isolatiepakketten en waar kreunende windturbines de horizon dichtzetten. Ik probeer mij het respectabele toekomstideaal dat daarop ongetwijfeld volgt al helemaal niet voor te stellen. Je hoort al dat gebouwen eigenlijk kleine energiecentrales zijn, die meer energie opwekken dan ze gebruiken. Zulke fantasieën zijn rampzalig. Net als met de naoorlogse buitenwijk zal men later vragen wie dit allemaal besteld heeft. Een stad heeft geen undo-knop.

Ten slotte over dat Romeinse Pantheon: een duurzamer gebouw dan dat is nooit ontworpen.