75 jaar na de afsplitsing van India en Pakistan komen de gruwelverhalen pas los

Partition India en Pakistan werden 75 jaar geleden onafhankelijk. Miljoenen vluchtten in paniek naar de ‘goede’ kant van de grens. De tijd dringt voor wie die tumultueuze periode wil vastleggen, want de generatie die het meemaakte sterft uit.

Harbans Singh laat zijn postduiven los. Hij was een kind toen Brits-Indië werd opgesplitst en hij te midden van grootschalig geweld met familieleden vanuit Pakistan naar India overstak.
Harbans Singh laat zijn postduiven los. Hij was een kind toen Brits-Indië werd opgesplitst en hij te midden van grootschalig geweld met familieleden vanuit Pakistan naar India overstak. Foto Siddharth Behl

De twee postduiven die S. Harbans Singh vasthoudt, hebben haast om uit te vliegen. De vogels klapperen met de vleugels die ze uit zijn vingers konden loswringen. Nadat de tachtiger (geboren in 1937, of 1938, „dat hield niemand toen echt bij”) trots heeft geposeerd voor een foto en de dieren loslaat, vliegen ze prompt twee tegengestelde richtingen uit. „Weten ze wel waar ze naartoe moeten vliegen?”, vraagt Harbans Singhs zoon Harminder hem.

Ze staan op het platte dak van de familieboerderij. Even frisse lucht. De omliggende groene velden zijn hun akkers. In de ondergaande zon is het zicht heiig. De bejaarde man wijst één van de duiven achterna, richting het westen. „Of ze weten waar thuis is? Dat is een goede vraag. We zijn niet eens zo ver van waar ik geboren ben.”

Dáár, op zo’n 250 kilometer van hun Indiase dorp, ligt Pakistan. Dat onderscheid bestond nog niet toen Harbans Singh werd geboren. Hij maakte 75 jaar geleden deel uit van de enorme volksverhuizing tussen de twee landen die in augustus 1947 onafhankelijk werden van het Britse Rijk. Het grondgebied van Brits-Indië werd opgesplitst in twee landen. Naar zijn geboorteplaats Sahiwal, dat nu in India’s buurland ligt, kon hij nooit meer terug.

Vóór deze opdeling vormden hindoes bijna 70 procent van de bevolking en moslims ongeveer een kwart. Tussen de geloofsgroepen sluimerde wantrouwen, deels gevoed door de verdeel-en-heers-tactiek die de kolonisator had aangewend om sociale controle te houden in de Raj. In de jarenlange aanloop naar zelfbeschikking werd de roep om een eigen staat voor deze religieuze minderheid steeds groter. Tijdens de onderhandelingen over de Britse terugtrekking laaide sektarisch geweld op. Zo kwam het dat een splitsing werd gezien als de beste optie voor autonomie. Er kwam een overwegend hindoeïstisch India en een overwegend islamitisch Pakistan.

 

De Britse jurist Cyril Radcliffe kreeg de taak te bepalen waar de grens moest komen, om deze Partition tot stand te brengen. Maar een duidelijke verdeling op basis van godsdienst bleek lastig, vooral in de regio’s Bengalen in het oosten en Punjab in het westen, waar de gemeenschappen door elkaar leefden. Binnen gemeenschappen in die gebieden zou het trekken van de grens ertoe kunnen leiden dat de status van minder- en meerderheidsgroeperingen omsloeg.

Dat vooruitzicht leidde tot een massale volkspaniek. Zeker tien miljoen mensen besloten huis en haard te verlaten om zo ver mogelijk naar de ‘goede kant’ te reizen: moslims trokken westwaarts, hindoes en sikhs naar het oosten. Sommigen werden verjaagd, anderen kozen uit angst een nieuw thuisland. Er volgden wederzijdse afslachtingen, brandstichtingen en verkrachtingen. Schattingen over de tol van deze scheuring lopen fors uiteen: tussen de 500.000 en één miljoen mensen zouden zijn gedood.

Punjab, de landstreek die in tweeën werd gekliefd en nu aan de ene kant van de grens een Pakistaanse provincie is en aan de andere kant een Indiase deelstaat, gold als een van de meest gewelddadige. Alle geïnterviewde families die door deze regio vluchtten om zich uiteindelijk in India te vestigen, maakten een versie van dat geweld mee. Soms werd afgesproken dat de vrouwen door hun eigen verwanten of echtgenoten zouden worden gedood mocht het tot een gevecht met een andere groep komen. De nu 88-jarige Shanti Devi, destijds een tienerbruid uit een hindoe-minderheidsgemeenschap in de buurt van Amanpur, herinnert zich de bloedlust. Het leek alsof mensen bezeten waren, zegt ze met zachte stem. Tijdens de vlucht, die zij met meerdere familieleden volbracht, een dagenlange voettocht tussen brandende dorpen, viel haar oom in handen van een oprukkende militie. „Zijn smeekbede, dat hij de enige zoon van zijn ouders was, haalde niets uit. Er werd op hem ingehakt.”

Foto Siddharth Behl
Harbans Singh Harta bij zijn huis met zijn vrouw, zoon en schoondochter.
Foto Siddharth Behl
Harbans Singh Harta met zijn familie.
Foto’s Siddharth Behl

Harbans Singh, destijds zo’n tien jaar oud, staan de doodsangsten die hij uitstond nog vers voor de geest. „Mijn hele familie probeerde over te steken, zestien familieleden. Zeven van ons is het gelukt. Wij kwamen levend in India aan.” Hij wil er alleen buitenshuis over vertellen. „Ik wil niet dat mijn vrouw alles moet aanhoren, omdat zij zich dan haar eigen ervaringen herinnert. Ze wordt daar ontzettend verdrietig van.” De landerijen waar hij nu boert werden toegewezen door de Indiase staat. Het eerste huis dat zijn familie in de Indiase Punjab bewoonde, was een verlaten krot. De vorige bewoners waren vermoedelijk in omgekeerde richting gevlucht.

Lang was het onduidelijk waar de grens precies zou liggen. De familie van Amolak Singh woonde in Lahore: „Mijn vader was ervan overtuigd dat Lahore bij India zou blijven, omdat wij sikhs een belangrijke band met de stad hebben.” Maar in de dagen voor de officiële bekendmaking bekroop hen een onbestemd gevoel. „Bij de moskee achter ons huis kwamen steeds meer mensen samen, vreemden. In de straat werden ineens controles uitgevoerd, ze wilden weten welke families waar woonden. Ons thuis begon als een dreiging aan te voelen.”

De sikh-familie van Amolak Singh op een oude foto.
Foto Siddharth Behl
Amolak Singh, inmiddels 83 jaar oud, in zijn huis in Delhi.
Foto Siddharth Behl
Een foto van de familie van Amolak Singh en Amolak Singh zelf, nu.
Foto’s Siddharth Behl

Het gezin met zes kinderen vertrok toch, nog voor de officiële afbakening. Daarna werd duidelijk dat Lahore aan de andere kant van de zogeheten Radcliffe Line zou vallen – zusterstad Amritsar was al aan India toegewezen, beredeneerden de Britten. „Dat verlies was bijna te veel voor mijn vader. Die schok kwam hij niet meer te boven. Hij viel regelmatig tegen ons uit”, vertelt de gepensioneerde brandweeringenieur.

Amolak, nu 83, met een purperen tulband, bewaart een zwart-witportret van zijn vader, op wie hij sprekend lijkt, in een vitrinekast boven de bank in zijn appartement. Daarnaast heeft hij het ingelijste testament van zijn moeder uitgestald. Ze liet het specifiek aan hem optekenen. Haar laatste woorden betekenen veel voor hem. „Juist omdat zij gedurende haar leven nooit over ons gemis heeft gesproken, over de ervaringen van de familie tijdens de vlucht.” Uit haar zwijgen, weet Amolak, voelden alle nakomelingen aan hoe „hopeloos en machteloos” die periode is geweest.

Vier generaties

In veel families werd lang gezwegen over het Partition-verleden, weet schrijfster en onderzoekster Aanchal Malhotra. Zij schreef twee lijvige boeken waarin ooggetuigen, hun kinderen en hun kleinkinderen spreken over de opdeling. Wat was de impact van zo’n tragische geschiedenis op hun persoonlijke levens? „Het is onmogelijk om dat voor iedereen in te vullen, maar het is aannemelijk dat veel mensen die deze verschrikking hadden meegemaakt liever dóór wilden. Ze richtten zich op het opbouwen van hun levens, stichtten gezinnen in India.” Dat zou volgens haar kunnen verklaren waarom er door sommigen bijna niet wordt gepraat over die periode.

In het Indiase publieke debat wordt ook pas sinds kort meer gesproken over de traumatische totstandkoming van de eigen natie en de rivaliteit met het buurland. Pas in 2017, bij het vorige lustrum, werd in Amritsar een eerste nationaal museum over Partition geopend. Volgens Malhotra heeft de tijd het spreken vergemakkelijkt, en er is ook meer urgentie. Dat ziet ook de Pakistaanse historica Anam Zakaria: „Het besef groeit dat we niet veel tijd meer hebben om die eerste getuigen te spreken. We zijn inmiddels aanbeland bij de vierde generatie sinds Partition. Er zijn steeds minder overlevenden.” De vrouwen behoren tot een groep jonge archivarissen die Indiërs, Pakistanen en burgers in de diaspora aansporen hun eigen families vragen te stellen. Malhotra: „Ik hoor veel mensen van mijn leeftijd, of van de generatie van mijn ouders, zeggen: ‘Had ik maar eerder die vragen gesteld.’”

Onderzoekster Zakaria hoorde zelf pas als tiener dat haar vader in India was geboren. „Ik moest in een visumaanvraag de geboorteplaats van mijn ouders opgeven. Ik was met stomheid geslagen. Zo’n simpele vraag leidde tot een enorme openbaring. Ik was me van onze familiegeschiedenis eerder niet bewust.”

Inmiddels luistert zij tijdens interviews niet alleen naar wat er gezegd wordt, maar kíjkt ze ook goed naar haar gesprekspartners: ook een vast gerecht bij speciale familiegelegenheden of een serviesset zijn een vorm van herinnering aan de Partition – of eigenlijk aan het leven van daarvoor.

Ik moest in een visumaanvraag de geboorteplaats van mijn ouders opgeven. Ik was met stomheid geslagen. Zo’n simpele vraag leidde tot een enorme openbaring. Ik was me van onze familiegeschiedenis eerder niet bewust.

Anam Zakaria Pakistaanse historica

Niet alleen academici houden zich nu bezig met het vastleggen van deze ervaringen. Het internet en sociale media hebben het makkelijker gemaakt voor mensen om over de landsgrenzen heen te kijken. Harminder Singh kreeg een jaar geleden een video toegestuurd van zijn vaders geboortehuis. „Mijn vader herkende het direct, al is het in slechte staat. Er woont niemand in, gek genoeg – na al die jaren nog niet. Ik denk dat mensen er een slecht voorteken in zien, een huis waarvan zoveel mensen zo gruwelijk zijn omgekomen.”

Eerder dit jaar vonden Baldev en Gurmargh Singh (65 en 73 jaar) een overleden gewaande oudere halfzus terug in Pakistan. Hun vader verloor zijn vrouw aan het geweld tijdens de afsplitsing en dacht dat daarbij ook zijn pasgeboren dochter was omgekomen. Hij vluchtte naar het district Patiala, in het Indiase Punjab, en huwde zijn schoonzus. De kinderen uit dat tweede huwelijk, onder wie Baldev en Gurmargh, waren weliswaar in India geboren, maar verhalen over de verloren familieconnectie werden van generatie op generatie doorgegeven. „We zijn allemaal met die verhalen opgegroeid. Als onze ouders en grootouders er niet over vertelden in woorden, konden we de pijn nog wel van hun gezicht aflezen”, vertelt de veertiger Narender, zoon van Baldev.

Gurmargh en Baldev met hun familie. Op de telefoon halfzus Mumtaz Bibi, die 75 jaar geleden achterbleef toen haar vader op de vlucht sloeg, en pas kortgeleden werd teruggevonden in Pakistan.
Foto Siddharth Behl
De broers Gurmargh en Baldev Singh
Foto Siddharth Behl
De broers Gurmargh en Baldev Singh in Patiala, in de Indiase deelstaat Punjab.
Foto Siddharth Behl
De broers Gurmargh en Baldev Singh. Op de telefoon halfzus Mumtaz Bibi, die 75 jaar geleden achterbleef toen haar vader op de vlucht sloeg, en pas kortgeleden werd teruggevonden in Pakistan.
Foto’s Siddharth Behl

Uit nieuwsgierigheid struinde hij het internet af, totdat hij op YouTube de zoektocht van een Pakistaanse vrouw naar háár familie tegenkwam. Mumtaz Bibi heette ze, woonachtig in het district Sheikupura, hetzelfde gebied dat Narender op online kaarten had opgezocht. Een telefoontje naar een lokale buurtsuper – „De eerste keer dat de eigenaar hoorde dat hij Indiërs aan de lijn had, hing hij direct op” – bevestigde de familieband. De baby die Baldev en Gurmargh’s vader dood had gewaand, was opgevangen en geadopteerd door een moslimfamilie. De broers hadden haar nooit in levende lijven gekend en waren na haar geboren, maar ze herkenden Mumtaz direct, zeggen ze: „Je zus is je zus. Wij hadden in onze jeugd zelfs gehoord wat haar koosnaampje was geweest – dat gebruiken we nog elke dag als we videobellen.”

De baby die hun vader dood had gewaand was geadopteerd door moslims

Hun hereniging vond plaats bij de Kartarpur-corridor, een lange beveiligde overgangsweg die vanaf India leidt naar de gelijknamige plaats in Pakistan, waar een sikh-tempel ligt. Sinds 2019 is die gurdwara open voor Indiërs, die zonder visum – maar wel onder strikte begeleiding – voor een halve dag het heiligdom mogen bezoeken. Er hebben sindsdien meerdere familiereünies plaatsgevonden, uitgebreid gevolgd door lokale media.

De verdeling gaat door

Op een snikhete maandagmiddag is op de kaarsrechte, vijf kilometer lange asfaltweg naar de tempel geen mens te bekennen. Vanaf de uiterste afbakening kunnen bezoekers zonder aanmelding nog net het witte tempelcomplex zien, schitterend in de zon. Daarvoor moeten zij eerst over prikkeldraad, een greppel en een flink stuk niemandsland heen kijken. „Het is daar bezaaid met landmijnen”, stelt een toeschouwer, de blik gericht op de strook tussen de grensposten. Aan Indiase zijde staan twee militaire grenswachten. Nieuwsgierigen mogen hun oog tegen een opgestelde verrekijker leggen. „Niet verplaatsen”, waarschuwt een van de bewakers.

Aan de overkant wappert een enorme Pakistaanse vlag, er rijdt een patrouillewagen af en aan. Aan deze grens wordt niet meer getornd. „De splitsing was misschien één moment in de geschiedenis, maar de verdeling gaat nog altijd door”, stelt onderzoekster Anam Zakaria. Religie en nationalisme gaan in beide landen vaak hand in hand: „Pakistaans zijn betekent in de volksmond en in de retoriek dat je moslim bent. Indiërs zijn hindoes. In die opvatting over hoe de landen in elkaar horen te steken, is steeds minder ruimte voor minderheden.” Als scholiere in Lahore leerde zij vooral over Partition als een offer voor de totstandkoming van het onafhankelijke Pakistan, minder als een humanitaire tragedie. De gruwelen die zich destijds hebben voorgedaan zijn voor populisten in beide landen voer voor het opzwepen van de eigen populatie.

Aan de nieuwe grenzen vonden in 1948, nog geen jaar na de onafhankelijkheid van de Britten, een eerste oorlog tussen de landen plaats. De verhoudingen tussen India en Pakistan worden nog steeds beïnvloed door de opdeling - zoals in de kwestie Kasjmir, dat beide landen als eigen grondgebied zien.

„Besef: het geweld ging twee kanten op”, stelt boer Harbans Singh. Dat weet hij omdat hij als tienjarige aan boord stapte van een van de ‘spooktreinen’, die af en aan reden op een spoor waarlangs de lijken zich opstapelden. Soms werden de voertuigen tijdens de reis stilgelegd en werden de inzittenden uitgemoord. Legers van beide nieuwe landen moesten ingrijpen om de stations te beschermen en de volksverhuizing te laten plaatsvinden. „Bloed, overal bloed” in de wagons, herinnert Harbans Singh zich. „De inzittenden vóór ons hadden hun reis, naar Pakistan, niet overleefd. Het geweld overkwam moslims óók.”

De ontheemden werden aan weerszijden van de nieuwe grens opgevangen in haastig opgezette vluchtelingenkampen. Shanti Devi leefde jaren met haar schoonfamilie in een kamp, in honger en armoede. „In de kampen begon ik te werken, als naaister, om wat geld te verdienen.” Haar oudste zoon Shayamlal (72) werd in een vluchtelingenkamp geboren; pas vier jaar na hun aankomst in het nieuwe India konden Devi en haar man op zoek naar een permanente woonplek. Het hindoegezin vestigde zich uiteindelijk in New Delhi waar, net als in andere grote steden, zoals Mumbai, hele woonwijken werden toegewezen aan de vluchtelingen. In dat huis woont ze sinds de jaren negentig met haar uitgebreide familie en aangetrouwde leden. Bij Shanti Devi deden de inname van haar dorp zodra dat in Pakistan bleek te liggen en haar vlucht diepe afbreuk aan haar vertrouwen. „Een moslim komt er hier liever niet in. Ik vertrouw ze niet”, zegt ze fel. Shayamlal knikt.

Hussein. Die naam moet u echt opschrijven. Zonder hem hadden we het niet overleefd

Amolak Singh sikh

Maar de nationalistische vijandsbeelden rijmen niet met ieders ervaringen. De Indiase auteur Aanchal Malhotra, in New Delhi opgegroeid in wat ooit een van de vluchtelingenenclaves was, leerde dat „ook de individuele ervaringen niet homogeen zijn. Ze bieden een inkijkje in de persoonlijke banden die mensen hebben met de historie en met wat ze zich herinneren”.

De sikh-familie van Amolak Singh vertrok uit hun buurt in Lahore uit angst voor de woeste menigten die zich steeds vaker verzamelden bij de moskee. Maar cruciaal in hun vlucht was de islamitische arts die twee deuren verderop woonde, en die rantsoenen en een paard beschikbaar stelde. „Hussein”, is de eerste naam in zijn relaas, nog voordat hij de stad waar hij opgroeide noemt. „Die naam moet u echt opschrijven. Zonder hem hadden we het niet overleefd.”

Niet elke familie in India heeft een tragedie doorgemaakt. Hasan Qezilbash, 58, neemt vanuit Mumbai beleefd de telefoon op voor een gesprek over hoe Partition haar familie raakte. „Om eerlijk te zijn: wij waren moslims in Mumbai en dat zijn we nog steeds. Mijn grootvader was op zijn gemak in de stad, we leefden goed. We hebben geluk gehad, heel anders dan andere families, of zij nu sikh, moslims of hindoes waren.”

Broers Baldev en Gurmargh wuiven vragen over hun ‘bekeerde’ zus weg. „Wat maakt ons dat uit, we hebben onze familie terug”, zegt Gurmagh met opgewonden stem. „Bij onze ontmoeting lieten wij in de tempel aan haar zoons, onze neven, zien hoe de sikhs hun tulband knopen. We spreken dezelfde taal, op onze velden doen we hetzelfde werk. De rest is politiek.”

Correctie: op 17 augustus is de naam van auteur Aanchal Malhotra in dit artikel gecorrigeerd.