Recensie

Recensie Beeldende kunst

Wulpse vrouwen en bergbeken die je bijna hoort ruisen

Japanse prentkunst Hoe de Japanse traditionele houtsnedeprentkunst zich na 1900 vernieuwde, is te zien op de mooie expositie ‘Shin hanga’ in Japanmuseum Sieboldhuis in Leiden.

Torii Kotondo, ‘Ochtendhaar’ (uitsnede), 1931.
Torii Kotondo, ‘Ochtendhaar’ (uitsnede), 1931. Beeld Privécollectie

Regen, reigers en mooie vrouwen. Die zijn, subtiel verbeeld, ruim vertegenwoordigd op de tentoonstelling over Shin hanga, Japans voor ‘nieuwe prenten’, in het Japanmuseum Sieboldhuis in Leiden.

Die ‘nieuwe prentkunst’ was een poging van Japanse uitgevers om de oude Japanse houtsnedetraditie te moderniseren nadat het eiland rond 1900 uit zijn isolatie kwam. Niet langer werden gewilde prenten gemaakt door kunstenaars samen met houtbloksnijders en -drukkers, die tot dan voor massaoplagen hadden gezorgd. Moderne, westerse druktechnieken en foto’s namen die taak in Japan grotendeels over.

Maar toeristen en buitenlandse verzamelaars waren (en zijn) nog altijd dol op de oude Japanse houtsnedeprenten ‘van het vlietende leven’ (ukiyo-e), met geisha’s en landschappen – zoals Hokusai’s Grote golf.

Je kon niet maar eindeloos doorgaan oude glorie te herdrukken, vond de jonge prentenuitgever Watanabe Shozaburo in Tokio. Sommige Japanse kunstenaars gingen als westerse kunstenaars zelf houtsneden maken en drukken, zonder uitgever. Maar uitgever Watanabe wilde het oude Japanse ambacht met aparte houtsnijders en blokdrukkers en kunstenaars vernieuwen. Met modernere afbeeldingen.

Mooie vrouwen

Hij liet Japanse kunstenaars met landschappen experimenteren, maar die bleven te dicht bij het oude. Hier komen de ‘mooie vrouwen’ in beeld – ook in de Japanse kunst (als bijinga) een geliefd thema. Want in dat genre vond uitgever Watanabe de moderne stijl die hij zocht. En wel bij een westerse kunstenaar, de Oostenrijker Friedrich Capelari. Die had zich in 1910 in Japan gevestigd, geïnspireerd door de in westerse kunstkringen (inclusief Vincent van Gogh) toen erg populaire ukiyo-prenten. Capelari maakte als Westerling tekeningen van Japanse vrouwen die bezig waren met hun toilet. En die hadden precies de Westers-Japanse moderne uitstraling die Watanabe zocht. Hij liet er prenten van maken. En zo, ook al lijken Capelari’s figuren nu wat houterig, was met die uitgave in 1915 de ‘nieuwe’ Japanse prentkunst geboren.

Zoals de indeling op de expositie aangeeft, met ‘Mooie vrouwen voor de aardbeving’ en ‘Mooie vrouwen na de aardbeving’, was de aardbeving in Tokio in 1923 een belangrijke scheidslijn. Zo’n honderdduizend mensen kwamen bij de aardbeving om, Tokio lag in puin, prentenvoorraden en houtdrukblokken verbrandden: prenten uit die tijd zijn schaars.

Watanabe en andere uitgevers lieten al voor de aardbeving vooral Japanse kunstenaars prenten ontwerpen, waaronder veel van ‘mooie vrouwen’. Een hoogtepunt uit die periode zijn Hashiguchi Goyo’s elegante prenten van kammende, badende en zich kledende vrouwen: vooral zijn Vrouw die haar haar kamt en Vrouw in lange onderkleding springen eruit. Waar de ukiyo-prenten nog vaak vrouwen met maskerachtige gezichten laten zien, zijn de vrouwen van de ‘nieuwe prentkunst’ naturalistischer afgebeeld. Omdat de meeste nieuwe prentenontwerpers schilders waren, geen grafici, is hun lijnvoering minder grafisch, met dikkere zwarte lijnen dan op oude prenten. De oplages van die nieuwe, duurdere prenten waren ook kleiner dan bij de ukiyo-e.

Torii Kotondo, Ochtendhaar, 1931.
Beeld Privécollectie
Takahashi Hiroaki, Uitlopers van de Ashitaka-bergketen, 1932.
Beeld Priveécollectie
Kawase Hasui, De Zojo-tempel, Shiba, 1925.
Beeld Privécollectie
Hashiguchi Goyo, Vrouw die make-up aanbrengt, 1918.
Beeld Privécollectie

Te wulps

Prentenuitgevers herpakten zich snel na de aardbeving. Schilders als Ito Shinsui en vooral Torii Kotondo ontwierpen prachtige vrouwenportretten, zoals Ochtendhaar, van een melancholisch kijkende vrouw in bed onder een muskietennet. Dat portret staat op het affiche van de expositie en op de catalogus. Het is een zeldzame druk die het museum toont. Want hoewel je je dat nu amper voor kan stellen, zou het door de Japanse censuur destijds als ‘te wulps’ beoordeeld zijn, een onopgemaakte vrouw ’s ochtends in bed, die zich misschien de nacht met haar minnaar herinnert. De drukblokken zouden, aldus de catalogus, zijn vernietigd.

Ook andere traditionele Japanse prentkunst-genres, zoals het landschap, bloemen en vogels, herleefden in de ‘nieuwe prentkunst’. Zo maakte Ohara Koson vogelprenten, waarvan vooral een, van een gestileerde ineengedoken zilverreiger in de regen, iconisch is. Het witte verenpak van de kleine reiger is met ‘blinddruk’ (indruk zonder inkt) weergegeven. In het buitenland waren zijn vogelprenten, zoals de meeste shin hanga, enorm populair, maar in Japan is Koson pas in 2015 voor het eerst geëerd met een expositie.

Op de landschappen zien we, als ze er al op staan, mensen vaak in de stromende regen of sneeuw, als symbool voor wat de natuur in petto kan hebben. Vooral Kawase Hasui’s prenten van figuurtjes onder een plu die tegen de sneeuw optornen, vaak voor oude tempels, zijn erg sfeervol. Het is opmerkelijk hoe knap Japanse kunstenaars sneeuw en regen kunnen weergeven. En Takahashi Hiroaki kan bergbeken tekenen, dat je het water bijna hoort bruisen, zo stelt de catalogus. En dat klopt. Hoewel er in de ‘nieuwe prentkunst’ ook stadstaferelen van het vernieuwde Japan uit de jaren dertig te zien zijn, met moderne bruggen en auto’s en elektrisch licht, lijkt die stroming voorbij als Japan in 1941 zichzelf met de aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor de Tweede Wereldoorlog in bombardeert.

Lees ook: Moderne Japanse prentenmakers wilden alles zelf doen