Recensie

Recensie Boeken

Voor wandelen heb je alleen een lijf, ruimte en tijd nodig

Filosofie In de filosofische wandelgids van Frédéric Gros worden de mystieke kanten van het lopen belicht. Ook lees je over Gandhi, Nietzsche en wandelende gekken.

Ets van Koningsbergen (het tegenwoordige Kaliningrad in Rusland), met linksonder het huis van filosoof en wandelaar Immanuel Kant. (Negentiende eeuw, precieze datum en maker onbekend.)
Ets van Koningsbergen (het tegenwoordige Kaliningrad in Rusland), met linksonder het huis van filosoof en wandelaar Immanuel Kant. (Negentiende eeuw, precieze datum en maker onbekend.)

Laten we even duidelijk zijn: wandelen is geen sport. Want sport gaat over afzien en discipline. Wandelen is anders, het is de ene voet voor de andere zetten, en kom je een andere wandelaar tegen, dan heb je het niet over uitslagen en cijfers, maar vertel je langs welke weg je bent gekomen of welk pad een mooier landschap biedt. Wandelen, kortom, gaat over vertragen.

Dat is, in een notendop, de boodschap die Frédéric Gros, hoogleraar filosofie en werkzaam aan het Instituut voor Politieke Studies in Parijs, wil overbrengen. Met zijn Wandelen. Een filosofische gids – in 2013 uitgegeven onder de titel Marcher, une philosophie en nu in herziene editie verschenen met acht nieuwe hoofdstukken – richt Gros zich vooral op de existentiële en mystieke aspecten van het wandelen.

De trage benadering van landschappen, zo schrijft hij, is een van de geheimen van wandelen. ‘Wanneer je wandelt, beweegt er niets, het is bijna onmerkbaar zoals de heuvels naderbij komen en het landschap verandert. In de trein of auto zié je een berg op je afkomen.’ Zo wordt volgens hem het heden tastbaar. ‘Als je wandelt is het niet zo dat jij en het heden elkaar naderen, maar eerder dat de wereld in het lichaam doordringt.’

Wandelen met Gandhi

Het is een opvatting die Gros verder uitwerkt aan de hand van hoofdstukken met titels als ‘stiltes’, ‘eeuwigheden’, ‘eenzaamheid’, ‘traagheid’ en ‘dankbaarheid’. In eerste instantie lijkt dit op een zelfhulpboek over onthaasting. Toch schuilt er meer in deze filosofie van ‘het tot rust komen’ aangezien hij telkens benadrukt: voor wandelen is geen scholing, techniek of geld nodig. Alleen een lijf, ruimte en tijd. Die simpele boodschap, en het feit dat hij in verschillende hoofdstukken ingaat op de levens van een aantal wandelende, literaire beroemdheden, geeft dit boek een meerwaarde. Zo was een stukje wandelen voor Jean-Jacques Rousseau, Gandhi, Arthur Rimbaud, Hölderlin of Kierkegaard een uitstekende manier om inspiratie op te doen of tot diepe inzichten te komen. Dat gold ook voor twee zeer beroemde wandelende grootheden: Friedrich Nietzsche en Immanuel Kant. Afgezien van het schrijven en lezen waren er, aldus Gros, maar twee dingen waarmee deze denkers zich bezighielden: wat er op tafel moest komen en de imperatief van de wandeling.

Voor Nietzsche, die een gevoelige maag had en ‘zo weinig at als een kluizenaar’, ging het om lange wandelingen, soms op grote hoogten of via steile trajecten, om zijn onrustige geest tot bedaren te brengen en zo tot nog diepere inzichten te komen over de mensheid. Voor Kant, ook wel ‘de klok van Koningsbergen’ genoemd omdat hij iedere dag om klokslag acht over de drempel van zijn woning stapte, was een wandeling, na uren schrijven en uitgebreid tafelen met een karaf wijn, een opgelegde verplichting: een eentonige herhaling, zonder grandeur, waarbij hij altijd dezelfde route volgde, in de overtuiging dat dit bijdroeg aan een goede gezondheid. ‘Het gerucht wil’, aldus Gros, ‘dat hij maar twee keer in zijn leven tijdens zijn lichaamsbeweging een kortere route heeft genomen: om Émile van Rousseau eerder aan te kunnen schaffen en om na de aankondiging van de Franse revolutie te horen wat er voor nieuws was.’

Nietzsche daarentegen, ‘de eenling, de reiziger’, deed al wandelend met grote passen vooral inspiratie op voor zijn grootste werken. In een fragment uit een brief uit 1881 zou de filosoof bekend hebben dat hij tijdens zijn lange wandelingen veel huilde. ‘Geen sentimentele tranen, maar tranen van geluk, zingend en wankelend, gegrepen door een nieuw inzicht.’ Het zijn mooie anekdotes – niet altijd even nieuw of verrassend – die Gros weet te verbinden met de verschillende uitwerkingen van het wandelen op de menselijke geest.

Lees ook: het interview met Frédéric Gros, die een filosofische wandelgids schreef

Dromomamie

Het meest verrassend is echter zijn bespreking van het fenomeen ‘dromomamie’ of ‘wandelautomatisme’ in het hoofdstukje ‘Wandelende gekken’. Hier schrijft Gros – die onderzoek deed naar de geschiedenis van de psychiatrie – dat in de negentiende eeuw het maken van een voetreis een tijdlang werd opgevat als een ziekteverschijnsel en gaat hij in op het uitzonderlijk geval van een zekere Albert Dada die tot ‘studieobject’ werd gemaakt. Geboren in 1860 in Frankrijk werd deze keurige jongeman vanaf zijn twaalfde af en toe gegrepen door ‘een plotselinge, niet te controleren drang’ waarna hij in soort trance raakte, alles liet liggen en ging lopen, soms dertig tot zestig kilometer per dag. Deze staat van verdoving kon dagen achtereen aanhouden waarna Dada wakker werd op een onbekende plek. Van zijn wandeltocht kon hij zich dan niks meer herinneren. Dit bizarre gegeven maakte van Albert een beroemde case study in medisch Europa en pas na zijn dood in 1907 raakte de diagnose ‘dromomanie’ weer in ongebruik. Een heerlijk bizar verhaal, toch weet Gros er ook nog een eigen draai aan te geven. Want uit de notities van een aantal artsen komt naar voren dat Albert hield van reisverhalen en droomde van mooie steden. ‘Lopen maakt hem gelukkig, brengt hem in direct contact met zijn dromen’, bedenkt Gros. ‘Hij loopt om zijn beelden voor zijn ogen te ontvouwen. De hele weg lang. Net als Rimbaud kan hij uitbazuinen: „Man, wat een schitterende steden heb ik gedroomd”.’

Het is een van de vele poëtische opmerkingen in deze filosofische wandelgids. Net als bij Rimbaud vindt Gros uiteindelijk in het wandelen iets van vluchten. ‘De grote vreugde iets achter je te laten, zoals altijd als je wandelt.’ Uiteindelijk is het een manier om jezelf en de wereld te vergeten. Daarom citeert Gros ook herhaaldelijk deze woorden van Rimbaud:

Vooruit, op weg!

Ik ben een voetganger, meer niet.

Lees ook: dit essay over de innerlijke wereld van de wandelaar.