Recensie

Recensie Boeken

Voor deze schrijver opende het OM de deuren. Maar is er daar achter echt iets veranderd?

Justitie Het Openbaar Ministerie bestaat uit gedreven magistraten, maar is ook een in zichzelf gekeerde club, concludeert Paul van Liempt in zijn nieuwe boek.

Het paleis van Justitie in Amsterdam Foto Harold Versteeg/Hollandse hoogte/ANP
Het paleis van Justitie in Amsterdam Foto Harold Versteeg/Hollandse hoogte/ANP

‘Voor het eerst opende het OM zijn deuren voor een uitvoerig verhaal van binnenuit’, klinkt het ronkend op de achterflap van Misdaad en straf in de polder, het boek van journalist Paul van Liempt over het Openbaar Ministerie. Die ene zin legt meteen de sterkte en de zwakte bloot van het boek. Ja, het is interessant om de ervaringen en inzichten van vele (hoofd)officieren van justitie, advocaten-generaal en procureurs-generaal gebundeld te zien. Maar het wekt ook de indruk onderdeel te zijn van een pr-campagne, na de kritiek die het OM de afgelopen jaren te verduren kreeg. Onder andere door een onthullende reeks in deze krant over de angstcultuur binnen de organisatie, vriendjespolitiek en verziekte verhoudingen binnen de top.

Voor de goede orde: een eenduidig pr-verhaal is dit boek zeker niet, het is ook allesbehalve een hoera-verhaal. Van Liempt gaat de gevoelige kwesties niet uit de weg, er is een volledig hoofdstuk gewijd aan de affaires die speelden aan de top, die uiteindelijk resulteerden in het kritische ‘Rapport-Fokkens’. Al blijft zijn vraagstelling en toonzetting wat braaf en hoedt Van Liempt zich ervoor om conclusies te trekken, hij neemt voldoende ruimte om met een kritische blik te kijken naar het OM van toen en nu.

Van Liempt sprak voor zijn boek langdurig met ruim vijftig medewerkers van het OM. Hij volgde zittingen, reflectiekamers en een strafmaatoverleg, liep mee met een ZSM-team (Zo Snel Mogelijk) en was een paar keer aanwezig bij intern overleg. Hij deed dat in de periode 2018-2021, een woelige tijd met het proces rond het neerhalen van de Maleisische vlucht MH17 boven Oekraïne waarbij 193 Nederlanders om het leven kwamen, de moord op advocaat Derk Wiersum, de interne crisis door de onthullingen van klokkenluiders in NRC, de uitbraak van corona en de moord op misdaadverslaggever Peter R. De Vries. Dat laatste zorgt zowel bij Van Liempt als officieren van justitie voor enkele interessante bedenkingen over de verhouding tussen het OM en de media, bijvoorbeeld met betrekking tot samenwerking met opsporingsprogramma’s of reality-tv.

Hybride boek

Het resultaat is een nogal hybride boek. Enerzijds is het een inleiding in wat het OM precies is en doet, omdat de kijk van veel Nederlanders vaak is vertroebeld door Amerikaanse tv-series als Law & Order of The Wire. Van Liempt gaat om die reden uitgebreid in op het vak van officier van justitie en de rol en de bevoegdheden van het OM. Anderzijds is het ook een portrettengalerij van belangrijke medewerkers en hun soms filosofische kijk op het vak, hun ervaringen, motivatie en meningen. En ten slotte is het ook een analyse van wat verkeerd ging, en wat er anders kan in de toekomst.

Van Liempt schenkt zijn gesprekspartners veel ruimte om hun verhaal te doen. Daarbij stelt hij op een bepaald moment zelfs vast dat zijn boek ook Gedreven Doeners had kunnen heten, als dat niet zo’n saaie titel was geweest, want het OM bestaat uit „keihard werkende mensen die waanzinnig hun best doen”, zoals landelijk officier verplichte zorg Janine Berton het uitdrukt. Velen benadrukken hun keuze voor het OM vanuit maatschappelijke betrokkenheid en rechtvaardigheidsgevoel. Sommigen maakten de overstap van de advocatuur naar het OM, precies om weg te zijn van het verdedigen van een individuele cliënt ten faveure van het algemeen belang.

Gewone, nette mensen

Dat medewerkers van het OM er een groot rechtvaardigheidsgevoel op nahouden was uiteraard nooit het probleem en stond ook nooit ter discussie. Maar door de vele herhalingen en de nadruk op het feit dat officieren van justitie ook maar „heel gewone, nette mensen” zijn, dixit officier van justitie Hetty Hoekstra, ontstaat wel het beeld van een ietwat wereldvreemde, in zichzelf gekeerde club die zich voortdurend verkeerd begrepen voelt en ‘compassie’ vraagt voor de geleverde diensten aan de samenleving. Het is die attitude die zorgde voor een bedrijfscultuur waarin topmagistraten elkaar niet durven aanspreken over ethische kwesties zoals een verhouding op het werk, waarvan je je bij lezing afvraagt of die nu echt is veranderd. Zeker, er zijn een paar koppen gerold, en iedereen zegt het volste vertrouwen te hebben in de nieuwe leiding, ook al bestaat die voor een deel uit mensen die in het verleden iets te makkelijk wegkeken, zoals de nieuwe voorzitter van het college van procureurs-generaal Gerrit van der Burg. En ja, er zijn nieuwe procedures voor bijvoorbeeld benoemingen en er is een uitbreiding van het integriteitsbureau, maar toch blijft de indruk dat er structureel niet zo gek veel is veranderd. Misschien is dat ook niet nodig, maar het is nog te vroeg om daarover te oordelen.

Wat wel duidelijk naar voren komt, zijn de nieuwe prioriteiten van het OM, met meer aandacht voor cybercriminaliteit, witwaspraktijken en ondermijning, de opslorping van de legale economie door illegale economie. Zo blijkt een derde tot misschien zelfs de helft van de nieuwe horeca in Amsterdam gefinancierd met witgewassen misdaadgeld. Dat het OM deze strijd moet aangaan met een aftandse ICT-infrastructuur is niet alleen een terecht terugkerende ergernis van de betrokkenen zelf, het zou een zorg moeten zijn voor iedereen die het beste voorheeft met de rechtsstaat.