Recensie

Recensie Boeken

Vanuit de loopgraven schreef deze Franse soldaat elke dag zijn moeder: ‘Liefste maman, ik hoor kogels fluiten’

Eerste Wereldoorlog Onder onmogelijke omstandigheden schreef de Franse frontsoldaat César Vincent honderden brieven aan zijn moeder. Een bloemlezing daaruit laat zien hoe eenzaam hij zich voelde.

Monument aux Morts in Lille van Edgar Boutry (1927). Foto Getty Images/iStockphoto
Monument aux Morts in Lille van Edgar Boutry (1927). Foto Getty Images/iStockphoto

Wie wel eens in Frankrijk is geweest, kent het fenomeen. In elk dorp, hoe afgelegen en godverlaten ook, staat er één, meestal op een pleintje waar je ook de mairie en het postkantoor vindt: een monument voor de inwoners die zijn gevallen in la grande guerre. Met namen en jaartallen. Morts pour la patrie.

César Vincent zou waarschijnlijk ook een naam op zo’n plaquette zijn gebleven, een van de vele vergeten slachtoffers van een verwoestende oorlog, als de Nederlandse Mies Haage (1941-2021) niet op de brieven was gestuit die de jonge Franse soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog aan zijn moeder schreef. De gruwelen die hij meemaakte in de loopgraven zijn onvoorstelbaar. Van zijn lichting, die van 1914, stierf 52 procent voor het vijfentwintigste levensjaar. Maar wat misschien nog onvoorstelbaarder is: onder de meest barre omstandigheden schreef hij zijn moeder ruim drie jaar lang elke dag een brief. Een bloemlezing daarvan is nu verschenen onder de titel Ik kan u niet uitleggen wat de oorlog is.

In 1995 koopt Mies Haage, lerares en vertaalster, samen met haar man een tweede huis in Cupries, een gehucht in de Drôme. Op een avond vertelt ze haar buurman Lionel Vincent over een bezoek aan de slagvelden bij Verdun. Die laat zich daarop ontvallen dat een oudoom van hem daar is gesneuveld en dat hij nog brieven van hem op zolder heeft. Er is nooit iets mee gedaan, de moeder van César Vincent wilde niet dat iemand ze las. In een grote kist, onder een diepe laag stof, blijken bijna 1300 brieven te liggen. Brieven van César, voornamelijk aan ‘liefste maman’, maar ook brieven áán hem, die hij naar huis stuurde om te bewaren.

Vuurdoop

Twintig jaar is César als hij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in dienst gaat. Zoals velen is hij aanvankelijk optimistisch. ‘Ik krijg het idee dat het oorlogsnieuws alsmaar beter wordt’, schrijft hij in september 1914 als hij zijn training krijgt om te gaan vechten. Een maand later is het bijna zo ver. De kapitein die César en zijn kameraden bij elkaar roept, zegt: ‘Vrienden, aan jullie de eer om als eersten te vertrekken met het eerste detachement. Als jullie sneuvelen, dan zul je dat niet merken.’

César krijgt zijn vuurdoop aan de Somme. Na een korte gewenningsperiode komt hij in de eerste linie terecht. ‘Dat was dan onze eerste dag in de loopgraven’, schrijft hij op 5 december 1914. ‘Ik kan u vertellen dat het niet erg aangenaam is: de kogels fluiten.’

Het zijn niet de beschrijvingen van het leven van een frontsoldaat die dit boek bijzonder maken. Er zijn betere schrijvers in dat genre, zoals Robert Graves (Dat hebben we gehad) en Guy Sajer (De vergeten soldaat). Bij het lezen van de brieven van César denk je: hij heeft zich er vrij snel bij neergelegd dat de oorlog zelf toch niet goed te beschrijven is. Zoals hij stelt: ‘Je moet het zelf hebben meegemaakt om het te kunnen geloven.’

Gruwelijk zijn de ervaringen van César ongetwijfeld. Hij vecht in de voorste linies als lid van een mitrailleureenheid en is koerier tussen de linies, wat ook bepaald niet zonder risico is. Aan de Somme, bij Verdun, tijdens het Nivelle-offensief. Hij staat dagen met zijn voeten in het water, ziet kameraden links en rechts van hem uiteen gereten worden, en moet voortdurend vrezen voor zijn leven. Het doet hem wanhopig uitroepen: ‘Waar is mijn jeugd gebleven?’

Wat het boek wél bijzonder maakt is de inzage die César geeft in zijn emoties. Is hij aanvankelijk nog optimistisch en vol van vertrouwen in een goede afloop, in de loop der jaren wordt hij steeds cynischer. ‘Sinds gisteren zit ik in de mitrailleurssectie, dat is altijd leuk! Het is zulk boeiend werk! (…) De kou houdt ons goed wakker (…) En we eten ook prima!’, schrijft hij in januari 1917. In werkelijkheid zijn de omstandigheden aan het front erbarmelijk – elders schrijft César dat hij al twee maanden niet uit de kleren is geweest en vraagt hij zijn moeder om blikken insecticide.

Brieven houden hem op de been

Gaandeweg begin je te begrijpen waarom hij zo veel schrijft: alleen de brieven van het thuisfront houden hem nog op de been. Steeds wanhopiger vraagt hij daarom zijn moeder om vaker te schrijven. En omdat die hem niet genoeg schrijft begint hij ook een correspondentie met zijn jongere zus Marie, en met enkele marraines de guerre (‘oorlogspeetmoeders’) – zo werden vrouwen genoemd die brieven schreven aan soldaten aan het front, om ze een hart onder de riem te steken.

De briefwisseling laat ook pijnlijk zien hoe groot de kloof is tussen thuisfront en loopgraaf in een tijd waarin media nog geen live verslag kunnen doen van een oorlog. César kan niet uitleggen wat hij meemaakt en dus kan zijn familie hem ook niet begrijpen. Als hij, ziek en uitgeput, voor een kort verlof naar huis mag, wordt hij meteen aan het werk gezet op de boerderij. Want daar hebben ze het toch ook niet makkelijk toch? César, die op jonge leeftijd zijn vader heeft verloren, wordt als oudste zoon nog steeds gezien als kostwinner. Het loopt uit op een conflict, waarna de correspondentie met zijn moeder helemaal éénrichtingsverkeer wordt. Verbitterd schrijft hij na zijn verlof: ‘Weet u waarom ze ons, poilu’s, met verlof laten gaan als we gevochten hebben en het land hebben verdedigd tegen de indringers? Welnu dat is om uit te kunnen rusten te midden van onze familie en degenen die we liefhebben. We krijgen zeven dagen verlof, dagen waarin we omringd moeten worden met liefde, liefde die ons de ellende en het verdriet doen vergeten die we al zo’n lange tijd hebben moet lijden.’