Recensie

Recensie Boeken

Op een cruciaal moment in hun leven besluiten deze twee schrijvers een lange wandeling te maken

Van Ierland naar de Bosporus Twee schrijvers reflecteren op het waarom van het wandelen. De een is 4.000 kilometer lang op zoek naar zelfinzicht, de ander zoekt de eenzaamheid om zichzelf te kunnen zijn.

Foto Getty Images

Wandelen begint met kaartlezen, met dromen en fantaseren over verre plekken. De Vlaamse romancier Jeroen Theunissen (1977) vond op zijn twintigste in een reiswinkel een kaart van Europa waarop in paars een langeafstandswandeling was geprojecteerd, vanaf de uiterste zuidwestpunt van Ierland tot de Bosporus. Het is de wandelroute E8.

Zo’n twintig jaar later, na een huwelijkscrisis en een mentale breakdown, besluit hij die tocht van ruim 4.000 kilometer te maken. Als een vlucht om tot ‘heling’ en bevrijding te komen. In Ik = cartograaf doet Theunissen verslag van zijn odyssee in een barokke, meeslepende stijl. Voor hem is wandelen veel meer dan de ene voet voor de andere zetten. In de geest van het beroemde Wanderlust (2000) en A Field Guide to Getting Lost (2005) van de Amerikaanse essayist Rebecca Solnit is wandelen een wezenstoestand, een zoektocht naar zelfinzicht, naar hernieuwde verbondenheid met je eigen ‘ik’.

Voor de Deense schrijfster Dorthe Nors (1970) begon haar reis door Denemarken ook met een landkaart, uit haar vroegste jeugd. Net als Theunissen vouwt ze de kaart uit over haar bureau en vervolgens gaat ze op pad langs de grillige grenslijn aan de westkust van Denemarken, vanaf Skagen langs Jutland tot aan de Nederlandse wadden. Een tocht langs lege stranden met overweldigende vergezichten.

In Langs de kustlijn volgt Nors deels per Toyota, haar ‘verkenningswagen’, en deels te voet de kustlijn. Die lijn is ‘altijd al een deel van mij geweest’, schrijft ze. En evenals Theunissen onderneemt ze de tocht op een cruciaal moment in haar leven: ze vlucht weg op zoek naar eenzaamheid: ‘Ik wil niet langer iemand anders zijn dan mezelf.’

Plek van je jeugd

Nors neemt een citaat van de Zweedse schrijfster Kerstin Ekman als leidraad. Ekman stelt dat je altijd kunt terugkeren naar de plek van je jeugd. Daar ligt je werkelijke thuis, hoeveel omzwervingen je ook maakt. Gaandeweg haar queeste komt Nors, na enige aarzeling, tot dezelfde overtuiging: ze hervindt zichzelf, haar reis is als thuiskomen in de streek van haar jeugd, Jutland. Je kunt maar één weg volgen, besluit ze, en die ‘leidt van jezelf terug naar waar je vandaan komt en (je) wordt gedreven door het verlangen naar een plek die je nog niet kent’.

Dat laatste, het verlangen naar een onbekende plek, is de motor achter Theunissens Ik = cartograaf. Een half jaar lang is hij onderweg, hij ontmoet een keur aan mensen, haalt geschiedenissen op van de landen die hij doorkruist. Zijn wandelroman heeft nog het meeste weg van een coming of age-verhaal maar dan voor een man van in de veertig. Wandelen is verlossing vinden van een getormenteerd gemoed.

Het boek begint op de westelijke rotsen van Ierland waar al miljoenen jaren een ‘botsende klotsende hotsende watermassa’ tegenaan slaat. ‘Ik was alleen’, schrijft hij in de eerste zin. Waarom hij daar alleen is laat Theunissen de lezer weten via indringende flashbacks over zijn jeugd met een moeder met een bipolaire stoornis, over het gestrande huwelijk en zijn angsten. Bovendien laat hij thuis twee kleine zonen achter. Is hij wel een goede vader? Nog zo’n kwellende gedachte.

Met die persoonlijke, vaak wanhopige bespiegelingen over hoe het met zijn ontspoorde leven verder moet onderbreekt Theunissen met regelmaat zijn wandelvertelling door een veranderend Europa. Hij doorkruist Engeland, Nederland, Duitsland Oostenrijk, Slovakije, Polen, Oekraïne, Bulgarije en tot slot Turkije, daar waar in Istanbul een andere zee met andere golven tegen Europa slaat.

De kracht van dit welhaast verpletterende boek is de ritmiek. Avonturen onderweg wisselt hij af met bekentenissen en verwijzingen naar een schat aan literatuur. Hij spiegelt en laaft zich aan grote Europese auteurs als Goethe, Rousseau, Cioran, Magris. Sebald en Wiesel; Solnit is zijn heldin. Ondertussen wordt de wandelaar belaagd door herdershonden. Hij slaapt in verdachte herbergen, drinkt mee in kroegen, wordt bij een Oost-Europees echtpaar uitgenodigd om te overnachten en vooral aan de maaltijd deel te nemen. Dat laatste is ondanks alle gastvrijheid zoveel als horror. Het huis is een spookhuis, het eten en drinken bovenmatig. Ondertussen schenkt hij de lezer een schat aan wetenswaardigheden, bijvoorbeeld over de Wanderlust in romantisch Duitsland, het lot van Joden in Polen in de Tweede Wereldoorlog, de vluchtelingencrisis en klimaatverandering, zelfs de inval van Rusland in Oekraïne komt aan bod.

Nieuwe technologieën

De titel van de auteur als cartograaf krijgt uitleg in een passage waarin landkaarten vergeleken worden met de hedendaagse gps. Theunissen reist op de kaart en vreest de gevaren van nieuwe technologieën. Het is geen uitzondering dat reizigers noodlottig stranden omdat de gps foute informatie geeft, een fenomeen dat officieel Death by GPS heet. Wie blind op nieuwe technologieën vertrouwt, verliest het vermogen tot oriëntatie, een van onze onmisbare eigenschappen. Daarom wil hij als schrijvende cartograaf zijn ‘wandeling in woorden’ gieten in het hoofd van de lezer: ‘Een kaart van woorden maak ik, zo ben ik cartograaf.’

Op bijna elke bladzijde reflecteert Theunissen, evenals Nors, op het waarom van het wandelen, over de oorzaak van die almaar opjagende onrust en de zegeningen van het verdwalen. Het zijn voortdurend twee tegengestelde krachten die deze wandelschrijvers beheersen: op de vlucht gaan en toch het verlangen koesteren thuis te komen. Een dilemma dat twee bijzondere boeken oplevert, hoe verschillend van stijl ook: poëtisch bespiegelend tegenover hevig bewogen.

Lees ook: dit essay over de innerlijke wereld van de wandelaar.