Recensie

Recensie Beeldende kunst

Hop! daar gaat het truitje. Zwiep! daar zakt het rokje

Eva Aeppli Met naald en draad schiep Eva Aeppli een onweerstaanbare wereld. Poppen? Nee. Met poppen kun je spelen. Aeppli’s creaturen laat je met rust, ondervindt Joyce Roodnat. Eindelijk is er een grote tentoonstelling van haar werk.

Les planètes (1990) – Eva Aeppli.
Les planètes (1990) – Eva Aeppli. Foto Marc Domage/Centre Pompidou-Metz/Exposition Le Musée sentimental d’Eva Aeppli

Over de schouder van de kaartjescontroleuse glanst het welkomstcomité me tegemoet: een rij bronzen koppen. Les planètes (1990). Hun gezichten gloeien goud, behalve de verzilverde maan. Hij is pafferig alsof hij heeft gehuild (of is net wakker, kan ook). Eva Aeppli (1925-2015) schiep deze planeethoofden. Voor haar waren ze het resultaat van astrologische opluchting, voor mij zijn ze poortwachters naar haar wereld. Ik ben daar te gast, of ik welkom ben, dat maak ik zelf maar uit.

In die wereld verkeren levensgrote wezens met serene woede achter hun oogleden. Meestal hangen ze in een oude stoel. Hun hoofden zijn expressief, hun lichamen vaak gehuld in fluweel zoals spoken lakens dragen – geen idee wat eronder zit, maar het is benig. Ze zijn portretten met een naam (‘Olga’, ‘Niki’), of deel van een groep (vijf verbijsterend rouwende weduwes, zeven verpletterend onbuigzame rechters). ‘Poppen’ zou je zeggen, maar nee. Met poppen kun je spelen. Aeppli’s creaturen laat je met rust, zoals je het ook uit je hoofd laat om iemand die slaapt aan te tikken. Je kijkt naar hun woelende gezichten. Wil je weten wat ze denken, bestudeer dan hun lange vingers en je denkt: o ja.

Genegeerd

Centre Pompidou-Metz meldt fier dat Le musée sentimental d’Eva Aeppli het eerste grote overzicht van haar werk in Frankrijk is. Maar dat is rijkelijk laat. De musea negeerden haar (ook het Stedelijk in Amsterdam) en dat bleven ze doen, ook al zongen grootheden als Louise Bourgeois en Andy Warhol haar lof. Wanneer ik Kamagurka vertel dat ik voor Eva Aeppli naar Metz ga, snapt hij dat meteen: „Dat is een hele grote kunstenaar.”

Eva Aeppli (1957). Foto Hansjörg Stöcklin

In 1952 vestigde ze zich in Parijs met haar geliefde, Jean Tinguely. Brancusi was haar overbuurman, Yves Klein een van de vele vrienden. Niki St. Phalle werd Tinguely’s tweede vrouw en bleef altijd Aeppli’s boezemvriendin. Om Eva heen ontstonden het nouveau realisme, de popart, de nulkunst. Zij koos haar eigen weg en dat betekende een enkele reis anonimiteit. Ze bleef vooral de echtgenote van de beroemde Jean Tinguely, ook al was ze slechts tien jaar met hem getrouwd en had zij aanzienlijk meer invloed op hem dan hij op haar.

Ze was anders. Als strikt antroposofisch opgevoede Zwitserse was ze in een geweld-ontkennend wereldbeeld gedrenkt. De horreur van de Holocaust reet dat aan flarden en Aeppli raakte zwaar gedeprimeerd. Ze was 20 en belandde in een inrichting. Daar zag een arts haar tekeningen en nam haar serieus als kunstenaar. Zijn bevestiging was haar bevrijding. Ze gaf zich onvoorwaardelijk over aan haar talent. Haar psychologisch invaliderende ontzetting over oorlog en wreedheid liet ze erin uitstromen. In de catalogus wemelt het van de afbeeldingen met het trieste bijschrift ‘oeuvre détruite’.

Eva Aeppli, Toby Turner, 1993. Beeld gemaakt voor Niki de Saint Phalle. Foto Marc Domage/Le Musée sentimental d’Eva Aeppli/Centre Pompidou-Metz

Eva Aeppli vernietigde dwangmatig haar tekeningen en schilderijen. Wat er, vooral door Niki St. Phalle, gered werd, is in Metz te zien. Het is zwartgallig en komiek, verdrietig, berustend. Ritmisch, dat ook, er zit swing in. Er zijn schilderijen als ‘Le Tango’ (1963): een ballet van hupsende skeletten in witte robes met een anjer achter hun oor. En er is het zevenluik ‘Le Strip-tease’ (1959). Op zeven smalle zelfportretten in houtskool voert een clowneske Eva een striptease uit. Hop! daar gaat het truitje. Zwiep! daar zakt het rokje. Ze doet haar best met uitnodigende grimasjes en kokette vingers, maar sexy wil het niet worden. Haar naakt is niks, haar ribbetjes zijn te tellen. Huilend tilt ze de grote lelie van haar hoofd, het laatste positieve bastion. En nog is het niet genoeg – tot slot tekent ze een schim in het duister. Vlees ontbindt, striptease compleet. Ik huiver. Maar intussen geniet ik van haar felle stijl. Brutaal. Grappig, dat ook, ondanks alles.

‘Le Strip-tease’ was een keerpunt. Hierna barstten haar figuren uit het platte vlak naar de derde dimensie van stof, naald en draad. Het leidde haar naar een onvergetelijk oeuvre. En soms gaat dat zijn eigen gang. ‘La table’ (1965-67) geldt als Aeppli’s chef d’oeuvre, met dertien creaturen in verrassend bonte kleuren achter een vijf meter lange tafel. Ze maakte het naar analogie van Leonardo Da Vinci’s ‘Laatste Avondmaal’, zij het dat niet Jezus in het midden zit, maar de Dood, geflankeerd door een groep radeloze burgers. Zij zijn uitzonderingen in Aeppli’s werk, ze hebben hun ogen wijdopen. Zij kijken in de verte, wij kijken via hen in een spiegel. Op de officiële foto in de catalogus legt die Dood zijn handen op de tafel met zijn handpalmen ten hemel, zie Jezus bij Da Vinci.

Zaaloverzicht met op de voorgrond La Table (1965-1967) van Eva Aeppli. Foto Marc Domage

In Metz niet. Daar pakt hij onder de tafel zijn buurman bij de hand. Ineens bemoedigt de dood een mens. Maar is dit nou een vergissing of een bewuste ingreep van Jean Kalman, de bewierookte theatervormgever die deze tentoonstelling inrichtte als een twilight zone? Bewust, denk ik. Hij doet meer. Hij troost haar vliegende heksen, die leidden tot een bittere ruzie met Tinguely, met vleugjes Edith Piaf, ‘Les amants d’un jour’. En hij besluit met een innig portret van Niki. In het wit, in een luie stoel. Rust. Vrede. Troost.