Reportage

Vijftig jaar na de rellen klagen de bewoners van de Afrikaanderwijk over van alles, maar niet over multiculturalisme

50 jaar na de rellen Vijftig jaar geleden waren de grootste etnische onlusten in Nederland. Wijkbewoners raakten slaags met Turkse gastarbeiders. Wat gebeurde er toen precies en hoe gaat het nu in Rotterdam-Zuid?

Een ruzie in 1972 bleek een katalysator van etnische spanningen in de Afrikaanderwijk.
Een ruzie in 1972 bleek een katalysator van etnische spanningen in de Afrikaanderwijk. Foto Nationaal Archief/ Anefo/Bert Verhoeff

Herman Buddenberg (74) slalomt in zijn scootmobiel door de straten van de Afrikaanderwijk (stadsdeel Feijenoord) in Rotterdam-Zuid. Hij woont hier al zijn hele leven, groeide op als vierde van elf kinderen en kent de wijk op zijn duimpje. Hij heeft net een koffie (geel met een wit kraagje) gedronken bij café De Buurvrouw en rijdt langs de Afrikaandermarkt, langs de Turkse -Kocatepe-moskee en dan de brede Putselaan over naar de Wapenstraat.

Dáár, wijst hij, waren vijftig jaar geleden, op 10 augustus 1972, heftige rellen. Een Turkse huurbaas zette een Nederlandse vrouw haar huis uit wegens een huurschuld. Dat veroorzaakte een opstootje in de buurt, tussen buurtbewoners die haar hielpen met de verhuizing en Turkse gastarbeiders uit datzelfde pand. Jongeren uit de buurt gooiden ruiten in van het huis met de Turkse eigenaar, smeten het meubilair naar buiten, stichtten brand.

De ruzie bleek een katalysator van etnische spanningen, die waren aangewakkerd door onvrede over de verpaupering en de afname van de sociale cohesie in de buurt. De rellen werden groter, ook pensions met Turkse gastarbeiders in de aangrenzende Wapenstraat en Slaghekstraat werden doelwit.

Herman Buddenberg, ooggetuige van de rellen in 1972.

Foto Hedayatullah Amid

Herman Buddenberg was toen 24 jaar en keek toe. „Ik stond aan de overkant van de straat. En dát was het huis van die Turk waar het begon.” Terwijl hij stond te kijken werd het oproer groter. „Ik zag steeds meer buurtbewoners aanhaken. Er kwam politie te paard en ze kwamen in afgesloten busjes. Het was opwindend. Nee, ik deed niet mee. Zo ben ik niet.”

De Afrikaanderwijk was in de jaren ervoor sterk veranderd. Veel Turkse gastarbeiders kwamen in Rotterdam werken, in de havens en fabrieken. Ze vestigden zich vooral in oudere stadswijken met slecht onderhouden en daardoor niet al te dure panden – zoals in de Afrikaanderwijk. Huisjesmelkers kochten die woningen op en verhuurden kamers, of soms zelfs losse bedden in deze pensions. Was er eenmaal een vader of een oom in Nederland, dan gingen familieleden die arriveerden bij hen in de buurt wonen – waardoor er enclaves ontstonden. In de Afrikaanderwijk vestigden zich vooral Turken.

Nederlandse bewoners die slaags raakten met Turkse wijkgenoten: de knokpartij kreeg veel aandacht in de media. De mannen die op de binnenplaats van de Kocatepe-moskee onder een boom Turkse thee drinken, woonden toen nog niet in Nederland. Ze herinneren zich dat er in Turkije op de voorpagina’s over werd bericht. „Ik zag de beelden op zo’n klein zwart-wit-televisietje”, zegt een van hen.

Op de Nederlandse televisie deed Jaap van Meekren vanuit de Afrikaanderwijk verslag: „Het is geen Belfast en geen Kristallnacht, maar het doet er wel aan denken, en dat is al beschamend genoeg.”

Turkse gastarbeiders in de belegerde panden verschansten zich in hun woningen en barricadeerden de deuren. In zo’n pension interviewde Van Meekren Nedim Senyürek, die zijn hoofd in het verband had. Hij was geraakt door een steen, vertelde hij de verslaggever. Hij wilde het pension niet verlaten omdat hij de kans groot achtte dat het huis dan werd ingenomen door relschoppers.

‘Luie galbakken’

De rellen waren een unicum. De schaal (honderden mensen) en de tijdsduur (bijna een volle week) maakten het de grootste etnische onlust in Nederland. De uitspraken van buurtbewoners die Van Meekren de microfoon onder de neus duwde, waren racistisch. „Luie galbakken”, was nog de vriendelijkste benaming. Jonge meiden kunnen hier niet meer veilig over straat, riepen mannen in de microfoon. Een meisje bevestigde dat ze soms achterna werd gelopen door Turken. „Helemaal tot aan je huis. Ze zijn nog brutaal ook.” In de wijk hing een spandoek: ‘Paarlstraat, Hollandse straat’. De rellen gingen de geschiedenis in als ‘Turkenrellen’ of werden ‘rassenrellen’ -genoemd.

De meeste Turkse mannen die de rellen als gastarbeider meemaakten zijn overleden, zeggen de Turk-Nederlandse mannen onder de boom bij de moskee. Zo ook Nedim Senyürek. Oud-moskeebestuurder Rahmi Albayrak (69) kwam twee jaar na de rellen naar de wijk. Hij hoorde van zijn vader, die er al een paar jaar woonde, dat de impact groot was. „Mijn vader heeft niet meegedaan, hij is ook niet gaan kijken. De politie zei dat iedereen binnen moest blijven, en hij bleef ook binnen.”

Sensatiezoekers

Na de woede-uitbarsting in de eerste dagen, waarbij vooral lokale bewoners vernielingen aanrichtten, kwamen gelegenheidsrelschoppers uit naburige wijken en andere gemeenten, vertelt Marc Schuilenburg, bijzonder hoogleraar digital surveillance aan de Erasmus Universiteit. Hij las kranten, politierapporten en raadsverslagen. Dat waren de sensatiezoekers, vertelt Schuilenburg. „Van een sociaal conflict ging het naar agenten uitdagen en hooligangeweld, waarbij met stenen en molotovcocktails werd gegooid.” Ook de Turken krijgen na een paar dagen steun van landgenoten uit andere wijken. Schuilenburg: „Dan pas worden het één-op-één vechtpartijen.”

De aanleiding van de rellen was de uitzetting van een Nederlandse vrouw door een Turkse huurbaas vanwege een huurschuld.

Foto Nationaal Archief/ Anefo/Bert Verhoeff

Naast racisme en sensatiezucht hadden de rellen nog een component: sociale spanningen. „Die spanningen hingen al jaren in de lucht”, zegt Schuilenburg. „Er waren al rapporten over slecht onderhoud en gebrek aan sociale voorzieningen.” De rellen waren in zekere zin een „opstand tegen falend beleid van de gemeente”.

In Nederland was er een opvallend verschil tussen hoe media de rellen versloegen en hoe de politiek de gebeurtenissen evalueerde. „Waar in Nederlandse kranten bewoners werden weggezet als racisten en de nadruk lag op etnische spanningen, zag het stadhuis vooral een sociaal conflict”, zegt Schuilenburg.

Binnen de Rotterdamse PvdA en D66 was er enig begrip voor het optreden van de bezorgde burgers avant la lettre. Opvallend, afgezet tegen de huidige tijd, was ook de opstelling van de VVD in de raadsdebatten. De liberalen kwamen op voor de belangen van de Turkse bewoners. VVD-raadslid Wim Baggerman wees op de mensonterende omstandigheden waarin Turkse arbeiders leefden, tien mensen in een kamer van vier bij vier.

Zo erg was het bij hem niet hoor, zegt Rahmi Albayrak, terwijl hij door de wijk loopt. Hij wijst naar een pleintje met een vuilcontainer. Hier stond het pension waar hij met zijn vader woonde. „Het is lang geleden afgebroken.” Ze deelden een kamer. We sliepen er en maakten eten, vertelt hij. „Een douche was er niet, we gingen naar het badhuis verderop.”

Hijzelf had geen slechte ervaringen met Nederlandse wijkbewoners, zegt hij. Maar ook weinig contact, behalve op het werk in de fabriek. „In die tijd dachten we dat we een paar jaar in Nederland zouden werken en dan zouden terugkeren”, zegt hij. Zijn vader ging inderdaad terug. Zelf woont hij nu met zijn vrouw in een nieuwbouwappartement naast het Afrikaanderpark.

Herman Buddenberg herinnert zich de komst van de gastarbeiders eind jaren 60. „Ik was er niet mee bezig. Ik was jong en het waren toen alleen nog volwassen mannen.” Later, toen hij elektronica repareerde die hij bij de klant ophaalde en terugbracht, kwam hij bij Turkse gezinnen thuis. Hij werd regelmatig uitgenodigd om mee te eten als hij een teeveetje terugbracht. „Ik hield niet zo van het lamsvlees dat wordt gestoofd in olie.” Hij trekt een vies gezicht. „Heel anders dan ik gewend was. Maar de Turken waren wél gastvrij.”

Het viel hem op dat de vrouwen de kamer uit moesten als hij binnenkwam. Toen hij de vrouw van een Turks echtpaar dat naast hem kwam wonen ter welkom een bosje bloemen gaf, werd haar man boos. „Hij heeft me nooit meer aangekeken.”

Spreidingsbeleid

De rellen dwongen de raad tot actie. Eind september 1972 stemde ze voor een omstreden spreidingsbeleid, om grip te krijgen op de bevolkingssamenstelling en zo nieuwe sociale spanningen te beperken. In elke wijk mochten maximaal 5 procent ‘buitenlanders’ zich vestigen (daar vielen Surinamers en Antillianen ook onder). De VVD was tegen, de PvdA erkende het discriminatoire karakter van de maatregel, maar stemde voor. Al in 1974 werd het door de Raad van State van tafel geveegd, de maatregel was in strijd met het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie.

De Afrikaanderwijk nu.

Foto Hedayatullah Amid

Ruim dertig jaar later, in 2005, wordt op aandringen van Rotterdam door de landelijke overheid een soort ‘spreidingswet’ ingevoerd: de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, ook wel de Rotterdamwet genoemd. Om de smet van discriminatie te verminderen werd de wet gepresenteerd als een poging het aantal lage inkomens in probleemwijken terug te dringen. „Maar de doelgroep van de wet zijn dezelfde mensen als toen: de Turken en Marokkanen”, zegt Schuilenburg.

Lees ook: Hoe de ‘rassenrellen’ van 1972 nu nog doorwerken in Rotterdam

In de Afrikaanderwijk is die spreiding mislukt. Een derde van de bewoners is van Turkse, 14 procent van Surinaamse en 18 procent van Marokkaanse afkomst. Zo’n 20 procent zijn autochtone Nederlanders.

De bewoners klagen over allerlei zaken – afval naast de containers, woonruimte, gestegen prijzen – niet over het multiculturalisme. In het Afrikaanderpark hangen de oudere mannen van Kaapverdische afkomst met een pilsje in de schaduw. Aan de picknicktafel in de speeltuin naast het park keuvelt een groepje vrouwen in het Turks, terwijl ze met een schuin oog hun kinderen in de gaten houden. Op het terras van café De Buurvrouw zit alles door elkaar. „We zijn allemaal mensen, niet dan”, zegt de uitbaatster.

Mensen zoals ik wonen er nu niet meer zo veel in de Afrikaanderwijk, zegt Herman Buddenberg, terwijl hij weer terug slalomt in zijn scootmobiel over de Pretorialaan. Opgewekt: „Dat kan mij niet schelen hoor, ik ga met iedereen goed om. Hij zwaait naar de baas van café De Markt. „Kijk, dat is een Turk. Zo’n goeie gast.”

Dit is deel 1 van een korte serie over de -Afrikaanderwijk (vroeger en nu).

Correctie (10 augustus 2022): In een eerdere versie van dit artikel stond de achternaam van Herman Buddenberg verkeerd gespeld. Dat is hierboven aangepast. Ook waren een keer de Paarl- en de Wapenstraat verwisseld. Dat is ook verbeterd.