Recensie

Recensie Media

Nukkige cowboy en zijn disfunctionele gezin strijden voor Republikeinse waarden

Westernserie De tv-serie ‘Yellowstone’, een maffia-epos op de prairie, is in Amerika een enorme hit. De serie, met Kevin Costner als maffiose rancher John Dutton, ademt reactionaire weemoed om een verdwijnende wereld, met een vleugje ecologisch machismo.

De maffiose rancher John Dutton (Kevin Costner) verzet zich met hand en tand tegen de vooruitgang in ’Yellowstone’.
De maffiose rancher John Dutton (Kevin Costner) verzet zich met hand en tand tegen de vooruitgang in ’Yellowstone’. Foto Paramount Network

Paarden waren het enige leuke aan westerns, schreef filmcritica Pauline Kael ooit. Voor de rest kon het genre haar gestolen worden. Het tv-publiek ook, leek het de laatste jaren. Na de gouden jaren vijftig – met Bonanza, Rawhide en vele andere – was de western vrijwel van tv verdwenen.

Maar de paarden zijn terug, en de rest volgt in galop. In Yellowstone, de tv-hit van Kevin Costner. De serie, die in Amerika zijn vijfde seizoen ingaat, is zo populair dat er al twee uitzaaiingen zijn, 1883 en (nog op komst) 1923, met Harrison Ford. Na de lauwe ontvangst van de eerste seizoenen (een ,,soapy mess’’, aldus The Guardian) zijn nu ook recensenten netjes geïmponeerd, zelfs de aanvankelijke sceptici.

Het gegeven is klassiek. Costner, een betrouwbaar saaie acteur, speelt de nukkige rancher John Dutton. Een man die praat met een keel vol kiezelstenen en zich in hedendaags Montana met hand en tand verzet tegen de vooruitgang. Hij bindt de strijd aan met investeerders die zijn ongerepte vallei, waar alleen echte kerels mogen grazen, willen omwoelen tot een pretpark voor welgestelde watjes. In dat achterhoedegevecht tegen het grote geld, uitgevochten met routineus sadisme, wordt hij bijgestaan door zijn disfunctionele gezin: een bijtgrage zuipschuit als dochter, een dolende zoon met PTSS uit Irak, en een hondstrouwe rechterhand. Geen van de hoofdfiguren is sympathiek, ze wedijveren met elkaar in venijn en bruutheid.

Lees ook: Doodverklaard en toch springlevend: westerns zijn een onderschat filmgenre

Brute boodschap

Wat verklaart dan het succes? Yellowstone geldt als een red state show met een onverholen conservatieve en brute boodschap, maar een die in het huidige stuurloze Amerika bij een massapubliek een snaar heeft weten te raken. Volgens Costner zelf appelleert de serie aan liefde voor „een ouderwetse manier van leven die nog steeds van vitaal belang is in Amerika”. Een manier van leven die – en dat is de crux – zwaar onder druk staat. Het is de mythe van de autonome individualist, die zijn eigen wetten stelt en alleen aan God en familie rekenschap aflegt.

Die mythe is verpakt in een eigentijdse formule. Met een oppervlakkig respect voor Native Americans (voor Dutton oude, ‘gelijkwaardige’ vijanden maar nu bondgenoten in de strijd tegen moderne tijden) en liefde voor de helende natuur. De makers speelden bovendien niet alleen leentjebuur bij de roemruchte western-soap Dallas, dé Amerikaanse tv-hit van de vroege jaren tachtig, maar ook bij het maffia-epos The Sopranos. Behalve een cowboyserie is dit een mob show op de prairie. Geen duels in de hoofdstraat dit keer, maar nachtelijke liquidaties. Dutton laat verklikkers „naar het treinstation brengen” (door hun hoofd schieten en dumpen in een ravijn). Ook kent de serie maffiose verheerlijking van erecodes en omerta. Dutton brandmerkt zijn vertrouwelingen, letterlijk. Pa Bonanza deed zulke dingen nooit!

Ook zijn er dezelfde giftige gezinsruzies en aanvallen van vertwijfeling bij de leider van de clan, het alfamannetje. Alleen mist Pa Dutton wel de huiveringwekkende charme van Tony Soprano. Hij is geen complexe antiheld, noteerde The New York Times na het eerste seizoen, maar „een corrupt stuk chagrijn te paard”. Gelukkig is Kevin Costner (67) met die rol als een vis in het water. De rol van ondergaande zon gaat hem een stuk beter af dan die van rijzende. Met een bierbuikje en een doorgroefd hoofd dat is vergeten hoe het moet lachen. Je gaat op den duur zelfs, ondanks zijn botheid, met hem meeleven - een beetje.

Maniakale verheerlijking

Toch zijn die elementen maar bijzaak. Het belangrijkst voor het succes van de serie is ongetwijfeld de maniakale verheerlijking van het cowboy-leven als een oase van eer en eigenrichting in een gecorrumpeerde wereld. De serie is geobsedeerd door alles wat met ‘cowboy’ te maken heeft; het woord valt om de anderhalve zin, nog vaker dan kill.

Met historische feiten heeft dat niet zo veel te maken. Cowboys (of cowpunchers, zoals ze zich noemden) waren tot laat in de negentiende eeuw arme boerenknechten, onderaan de sociale ladder. In Yellowstone lijken de cowboys vaak maar weinig op die tanige jongens die ooit echt stof hapten achter de koeien. Het dichtst in de buurt komt de onhandige Jimmy – de schlemiel van het testosteron-gezelschap. Om hem op te voeden wordt hij naar een ranch in Texas gestuurd waar hij eindeloos patrouilleert door het grasland – de meest realistische scènes van de serie.

Het portret van Dutton als natuurminnende rancher die zich gewiekste ondernemers van het lijf probeert te houden is even bizar. In het negentiende-eeuwse ‘Wilde Westen’ waren grote ranchers bij uitstek juist zélf gewiekste zakenlui, met één oog op de beurskoersen. Dat moest ook wel, want ze waren vaak afhankelijk van Europese investeerders die fortuin roken in de beef bonanza aan de overkant. De legendarische cattle king Granville Stuart (1834-1918) bijvoorbeeld, op wie Dutton lijkt gemodelleerd, was behalve rancher ook goudzoeker, winkelier en amateurmeteoroloog. In zijn hoogtijdagen joeg hij op paardendieven (meestal kruimeldieven en verschoppelingen), die hij liet doodschieten of opknopen. In zijn latere jaren vond Stuart emplooi als schoolbestuurder, bibliothecaris en diplomaat.

Maar wat doen historische feiten er toe? Yellowstone gaat niet over het verleden, maar over de bedreigende toekomst, waarin een vermeend zuivere, masculiene Amerikaanse cultuur vermalen zal zijn door de krachten van commercie en geld. Alleen is ook dat omineuze visioen zo vals dat het pijn doet aan je ogen. Costner, die per aflevering 1,3 miljoen dollar toucheert, hoort bij de klasse superrijken die van het Westen een billionaire wilderness aan het maken zijn, compleet met ecologische speelruimtes, luxe retraites en de cowboy als fetisj. Costner bouwde een landhuis in Colorado, investeerde in een educatief centrum over de bizon en exploiteerde een casino. Hij is zelf het gevaar dat hij als Dutton probeert te bestrijden.

Yellowstone is een triomf van mythe-makers en culturele ondernemers. Een nieuw hoofdstuk in de exploitatie van het Amerikaanse Westen, dat al eeuwen in gebruik is als trampoline voor gefnuikte dromen of bedreigde mannelijkheid. Dit keer met wat eco-bewustzijn, een flinke snuif maffiamoraal, en het sentiment van heroïsche culturele ondergang om bij de tijd te blijven.