Van Rembrandtschets naar de hel van vermaak

Bij vader achterop Bas van Putten test geen auto, maar pakt de fiets. Deze week: in de duinen van Katwijk naar Scheveningen leest hij de natuur als een gezicht, en aan de einder ziet hij flats voor mannen in Mercedessen.

Merlijn Doomernik

Langzame echtparen op het fietspad door de duinen tussen Katwijk en Scheveningen. ‘Tempo, oude knarren!’, denk je; mijn tijd! Vervolgens, als ze je heuvelopwaarts op hun e-bikes inhalen, het confronterende besef; daar recreëert mijn generatie. Vorige keer was ik hier onverwoestbaar veertien. Fietstrektocht middelbare school, etappe Zaanstad-Scheveningen. Nu ben ik stuitend moe en wie weet hoe de tijd dringt. Op mijn leeftijd had mijn moeder nog vier jaar.

Ik was nooit in het buitenland geweest. Voor wie alleen de sloten en fabrieken van de Zaanstreek kende was het dit. Nog wedijvert de schoonheid van de Nederlandse kusten met het mooiste van mijn kijkersleven. Een dennenbosje steekt als inktvlek af bij bleekgroen golvend teletubbieland. Het duinzand marmert lichtende woestijnpatronen in het gras. De duindoornstruiken hebben het blauwgrijze patina van olijfbomen. In de duinpannen vennetjes en meertjes, onder de omfloerst zonnige hemel zilverblauw of naakt metaal. De medefietsers aan de horizon zijn de ruiters van Malevitsj’ Rode Cavalerie. Toen zag ik niks. Nu lees ik de natuur als een gezicht. Holland kan zoveel met weinig. Je ziet het informele samenspel van elementen, onaf maar toch volledig als een Rembrandtschets. Laan met ruisende bomen, trapje naar een uitkijkpost, de simpele genoegens. Niet zeggen dat het oorlog is. Een oorlogsvluchteling zegt het me met tienvoudige weemoed na.

Een misverstand

Wat de veertienjarige niet wist; het buitenland is een misverstand. Je zoekt het vreemde ver weg, terwijl het in ons is. In de diepte naast het fietspad strekt zich een surrealistische vlakte met wat koeien uit. Een ingemonteerd weiland, door een Dibbets of Teun Hocks als trompe l’oeil in het duinlandschap geperst.

Toen wij kinderen die schoonheid hadden ondergaan dachten de regelaars van school, die toen al wisten dat de jeugd zo kleurloos was als zij; nu snel die pubers amuseren. Bowlen in Scheveningen. Doodsbang was ik, neurotisch kind. Daar was alles wat ik thuis had leren haten. Friet, groepsgeest, speelhal, bowlen.

Het was een winderige dag met harde regen, het bowlingparadijs een donker hol met fruitmachines en een bar. Op de baan moest je speciale schoenen aan die naar mens roken. Ik deed niet mee. Gillen kon niet, ik was weerloos. Ik liet mijn voeten in die walgelijke schoenen branden tot ik weer naar buiten mocht. Daar regende het voort. Op het strand sjokte Wim Kan, de beroemdste cabaretier van het land. De grapjas liet zich met een blik vol droefenis door ons herkennen. Ik begreep dat niet. Nu wel.

De eerste appartementenmuur

Vandaag is het weer prachtig. Onder de zeehemel verbreedt de weg zich tot een heirbaan richting Scheveningen. Aan de einder schuift de eerste appartementenmuur voor het licht, flats voor mannen in Mercedessen en bazinnen van schoothondjes, uitbuikend van een kapsalon en foute handel. Op de boulevard is niets veranderd. De strandtenten heten Blue Lagoon en Atlantis. De restaurants zien eruit alsof ze er in 1979 ook al stonden, en zo is bijna alles hier. Een eetcafé heeft Fisch und Chips. De mall heet Palace Promenade, ‘shopping by the sea’. Er staat een Biro geparkeerd en er is sushi. Onder hetzelfde dak een casino tegenover de pizzaketen, alle treurnis broederlijk bijeen. Een van de ingangen van de Palace Promenade wordt bekleed met nieuw tapijt, zwart met een rode loper, Ahoy-bühne voor een gala van Lee Towers. Ik dacht trouwens dat ik hem zag lopen, maar ben zo vrij geweest het niet kapot te checken. Deze vermaaksuitdragerij laat zich niet anders samenvatten dan als permanente overwinning van het vastgoedproletariaat op de beschaving.

Maar ergens in het holenstelsel van de Palace Promenade kun je nog altijd bowlen. Bij de toegang tot de binnenstraat een knalgeel Bob de Bouwer-treintje voor de kinderen. Daar is het, tegenover het roze Candy Palace. Voor de deur een historische kermisattractie, glazen kast vol miserabele surprises en een grijper, rechtstreeks uit mijn kindertijd. Binnen een grillrestaurant, ooit de bistro van rechts.

Dan begrijp ik hoe uniek dit landschap is. In een Teun Hocks-achtige bui heeft God het Scheveningen van 1979 uitgeknipt en op de Boulevard van nu geplakt. Wil je de seventies terug? Ziehier, wanhopig ongeschonden. In een strandtent stampt September van Earth, Wind and Fire, 1978. Moge dit Rijksmuseum van de kleine zonde nooit verloren gaan, al moet men ervan huilen. De droevige Wim Kan zag exact wat ik nu zie. De hel.