Een CO2-budget voor burgers? In theorie ‘niet echt dom’, maar implementatie is ‘waanzinnig’

Klimaat Een idee van hoogleraar en Rabo-econoom Barbara Baarsma voor een persoonlijk verhandelbaar CO2-budget deed deze week veel stof opwaaien. Het plan is sympathiek, maar onuitvoerbaar, zeggen economen. „Een oplossing die alleen een econoom kan verzinnen.”

Illustratie Lynne Brouwer

Hoe kunnen we op zo’n manier verduurzamen dat iedereen het kan betalen? Barbara Baarsma, econoom bij de Rabobank en hoogleraar toegepaste economie aan de Universiteit van Amsterdam, gaf deze week een antwoord op die „ongelofelijk belangrijke en noodzakelijke” vraag.

Bij BNR Nieuwsradio en vervolgens talkshow Op1 pleitte ze voor een persoonlijk verhandelbaar CO2-budget: burgers en bedrijven krijgen een bepaalde hoeveelheid uitstootrechten, die bij elkaar opgeteld voor niet meer dan 1,5 of 2 graden opwarming van de aarde zorgen. Die rechten zijn te verkopen. Mensen die minder verbruiken, omdat ze bijvoorbeeld kleiner wonen, kunnen zo wat extra geld verdienen aan mensen die veel verbruiken – bijvoorbeeld omdat ze in een groot huis wonen met zwembad en sauna. Zo gaat er geld van rijk naar arm.

Het is een „gedachte-experiment”, zei Baarsma, ingegeven door een regering die níét kiest voor de beste oplossing: een CO2-belasting. „Het klimaatbeleid van dit kabinet”, zei ze, „bestaat uit vele miljarden om te vergroenen. Alleen: dat is een wortel, en je hebt een ook een stok nodig om mee te slaan. Anders kom je nergens.”

Haar idee stuitte op veel weerstand. „Laten we het zeggen zoals het is: de elite is op zoek naar manieren om klimaatopwarming te stoppen, zonder dat zij hun eigen levensstijl willen aanpassen”, twitterde SP-Kamerlid Mahir Alkaya. „Dit is dus gewoon een pleidooi voor nivellering hè?”, wierp opiniemaker Sander Schimmelpenninck de criticasters tegen. „Maar ja, dat snappen jullie natuurlijk weer niet.”

Oud stukje theorie van stal

Het idee van Baarsma is niet nieuw: meteoroloog en weerman Gerrit Hiemstra opperde het vorig jaar in een interview in Het Financieele Dagblad – met dezelfde Twitterstorm tot gevolg. En ook Hiemstra had het idee gerecycled. „Het circuleerde al bij de Europese Commissie in de jaren 90”, zegt Johan Albrecht, hoogleraar economie aan de Universiteit Gent en auteur van het boek Klimaatneutraal in 2050?. „Men dacht toen aan een soort extra bankkaart waarop CO2-kredieten van gezinnen werden bijgehouden en die je moest gebruiken bij bijvoorbeeld tanken.” Het was „natuurlijk” niet uitvoerbaar, zegt hij – er was toen nog geen internet.

We moeten erkennen dat ons hedendaagse consumptiepatroon onhoudbaar is. Dat wordt hierdoor op scherp gezet.

Jaap Tielbeke auteur boek ‘Een beter milieu begint niet bij jezelf’

Baarsma haalt een oud stukje theorie van stal, vertelt emeritus hoogleraar milieueconomie Aart de Zeeuw (Tilburg University). „Je kunt volgens milieueconomen op twee manieren vervuiling terugdringen. Beide manieren gaan ervan uit dat er een prijs moet ontstaan voor burgers en bedrijven.” Een manier (en volgens vrijwel alle economen de beste), is die prijs invoeren met een heffing: een CO2-belasting dus. Je weet dan van tevoren alleen niet hoevéél de vervuiling zal worden teruggedrongen. Met andere woorden: met welke prijs je het gewenste effect bereikt. Rekeningrijden, dat het kabinet in 2030 wil invoeren, is een vorm van een CO2-belasting.

De tweede manier is het plan voor een CO2-budget. „Je stelt dat budget van tevoren vast, hakt het in stukjes en vervolgens ontstaat er een markt en op die markt vanzelf ook een prijs”, zegt De Zeeuw. „In theorie is zo’n systeem van verhandelbare emissierechten superieur, want dan vang je twee vliegen in één klap: je weet precies hoeveel er in totaal wordt uitgestoten, en de prijs is een prikkel om te verduurzamen.”

Voor bedrijven is deze theorie in de praktijk gebracht, met het emissiehandelssysteem in de Europese Unie. Voor burgers is het echter totaal onuitvoerbaar, zeggen economen. „Dat implementeren is waanzinnig”, zegt De Zeeuw. „Je hebt een enorm systeem van controle nodig. En hoe ga je de precieze uitstoot van al die spullen en activiteiten berekenen?”

Bovendien zijn er veel andere maatregelen die relatief makkelijk zijn in te voeren en bewezen effectief zijn, zegt Dirk Bezemer, hoogleraar Economie en Bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Kerosinebelasting, zonnepanelen op alle openbare daken, het afschaffen van de subsidie voor de fossiele sector van 17,5 miljard. Dat is het laaghangend fruit. Die dingen gebeuren nu niet, vanwege allerlei belangen. Dát is het echte probleem, waar we ons op zouden moeten richten. Dit voorstel heeft niet veel toegevoegde waarde.”

‘Miskenning’ politieke realiteit

Toch, zegt Johan Albrecht, is het idee voor een CO2-budget „niet echt dom”. „We hebben al dertig jaar internationaal klimaatbeleid en zeker in Europa is dat zeer complex. Toch daalt de energiegerelateerde uitstoot in Europa nog amper, tussen 2014 en 2018 met slechts 1,1 procent. Dat komt doordat de uitstoot in de transportsector en bij gezinnen gestegen is.”

Als Europa haar doel wil behalen om de uitstoot in 2030 met 55 procent te verlagen ten opzichte van 1990, „waarom dan niet op een onconventionele manier?”

Illustratie Lynne Brouwer

„Het is een prachtige tekentafeloplossing”, zegt Jaap Tielbeke, journalist en auteur van het boek Een beter milieu begint niet bij jezelf. „Een oplossing die alleen een econoom kan verzinnen: we maken gewoon een berekening en laten de markt zijn werk doen en dan komt het goed. Maar dat is een miskenning van de politieke en sociaal-economische realiteit. De lobby van grote vervuilers is bijvoorbeeld zeer krachtig. En hoe gaan we om met historische emissies, die vooral door rijke landen zijn uitgestoten? Met al dat soort zaken krijg je te maken als je zoiets wilt invoeren.”

Puur als gedachte-experiment kan het misschien wél waardevol zijn, denkt hij. „We moeten erkennen dat ons hedendaagse consumptiepatroon onhoudbaar is. Dat wordt hierdoor op scherp gezet.”

Lees ookDe prijs van een ton CO2 kan het klimaat maken - of breken

Ook hoogleraar Bezemer vindt het een nadeel dat de verantwoordelijkheid van verduurzaming met een CO2-budget bij het publiek wordt gelegd. De energietransitie, zegt hij, gaat niet van onderaf gebeuren. „Dat is een populaire opvatting, omdat mensen daar verhalen bij kunnen vertellen: we gaan allemaal havermelk drinken, dat idee. Maar deze transformatie moet gecoördineerd plaatsvinden. De verantwoordelijkheid ligt bij instellingen met systeemrelevantie: de overheid en bedrijven.”

Het klimaatprobleem is grotendeels een verdelingsprobleem

Cees Withagen emeritus hoogleraar milieu-economie VU

De energietransitie draait per definitie om politieke en ethische vragen, zeggen economen. Het gaat over rechtvaardigheid, over de vraag wat voor samenleving we willen hebben. „Het klimaatprobleem is grotendeels een verdelingsprobleem”, legt Cees Withagen, emeritus hoogleraar milieueconomie (Vrije Universiteit), uit. „Tussen rijke en arme landen, en tussen rijke en arme mensen binnen landen. Daarom is het heel goed over herverdeling na te denken en te kijken naar de impact van beleid op inkomensgroepen. Dat zijn politieke keuzes.”

Transitie moet ‘inclusief’ zijn

De energietransitie, vindt Johan Albrecht, moet een „inclusief project” worden. „Wie rijdt met een Tesla rond? Dat zijn de hoge inkomens. Ook de lage inkomens moeten kunnen profiteren, anders krijg je een tweedeling in de maatschappij. We moeten dus niet alleen zoeken naar de juiste prijsinstrumenten voor de private markt; de overheid moet ook voor groene publieke voorzieningen zorgen.”

Het plan voor een CO2-budget voorziet ook dat soort vragen: het zorgt immers voor herverdeling van geld van rijk naar arm, omdat mensen die weinig verbruiken hun uitstootrechten kunnen verkopen. Juist dat element schopte veel mensen tegen het zere been. Maar in hoeverre is deze manier van herverdelen anders dan, zeg, nivelleren via inkomensbelasting? En hebben rijke mensen niet altijd al meer mogelijkheden dan anderen? De effecten op de ongelijkheid in de samenleving, zeggen economen, hangen geheel af van hóé je dat doet. Iedereen een gelijke hoeveelheid uitstootrechten lijkt misschien rechtvaardig, maar dat is het waarschijnlijk niet. „Als je arm bent leef je mogelijk in een zeer energie-inefficiënte woning”, zegt Johan Albrecht. „En je hebt geen middelen om die te verduurzamen. Rijke mensen hebben dat wel en kunnen vervolgens rechten uitsparen. Dus waarom zou je hun gratis rechten geven? Je moet ze juist geven aan de arme groep. De meeste economen pleiten voor selectieve maatregelen.”

Er zijn veel betere methoden

Ongelijkheid heeft bovendien vele dimensies. Je kunt kijken naar ongelijkheid in inkomen, vermogen, maar ook in vrijheid van levensstijl – en dat laatste neemt door het CO2-budget plan toe. Rijke mensen kunnen het zich dan permitteren door te gaan met hun manier van leven, terwijl armere mensen een prikkel hebben om te verduurzamen. „En dat is nou juist níét waar het probleem ligt”, zegt Bezemer. „Bijna de helft van de globale emissies wordt veroorzaakt door de 10 procent rijksten van de wereld.”

Herverdelen van geld kun je volgens economen het beste doen via belastingen over inkomen en vermogen. En niet indirect, via verkoopbare uitstootrechten. „Ik denk ook niet dat arme mensen er heel blij van zouden worden”, zegt Aart de Zeeuw. „‘We mogen niet vliegen maar krijgen wel een beetje geld om onze elektriciteitsrekening te betalen, nou bedankt!’”

Eigenlijk, zegt hij, zijn er voor de twee gedroomde effecten van zo’n CO2-budget, verduurzaming en herverdeling, dus veel betere methoden. En uiteindelijk zal iedere oplossing voor de energietransitie, ook de gedroomde CO2-heffing, leiden tot nieuwe ongelijkheid. Die kan met belastingen worden bestreden.