Opinie

De alleenstaande voetbalvandaal bestaat niet

Voetbalgeweld Verpest een klein clubje hooligans het voor de goedbedoelende voetballiefhebbers? Onzin, schrijft aan de vooravond van het nieuwe seizoen. Iedere fan kent de emoties van de raddraaier.
Politiemensen overmeesteren een supporter die bij NAC-Feyenoord het veld op is gerend, in mei 1974.
Politiemensen overmeesteren een supporter die bij NAC-Feyenoord het veld op is gerend, in mei 1974. Foto bert verhoeff/ANP

Bij voetbalclub Hellas Verona loopt een fan rond die de eerste regel uit een fameus gedichtje van Gaius Valerius Catullus op zijn arm heeft getatoeëerd. Odi et amo: ik haat en ik bemin. Catullus schreef het in de laatste eeuw voor Christus. Algemeen is aangenomen dat het in dit vers gaat om sterk afwisselende emoties in een relatie met een getrouwde vrouw. Wellicht dat ook de Verona-voetbalfan tweeduizend jaar later iets wilde uitdrukken over een haat-liefdeverhouding met een persoon (stom dat ik het hem niet heb gevraagd) maar ik denk – en hoop – dat hij de dichtregel op zijn arm liet zetten om iets te vertellen over zijn relatie met de club.

Hoe passend zou dat zijn? Want wat de voetbalfan drijft is een combinatie van ergernis, soms grenzend aan haat, en voldoening: gevoelens van plezier en geluk die de luid verklaarde liefde voor de club bevestigen. Slotwoorden van Catullus’ gedichtje: fieri sentio et excrucior, ik voel het gebeuren en ik lijd. Of nog erger: en ik voel me gekruisigd.

Iedere voetbalfan wordt teleurgesteld, altijd. Ook als het geweldig gaat met je club, want aan alles komt een einde. Mij zal voor altijd een geweldig seizoen bijblijven van de club waaraan ik mijn hart heb verpand. Tegelijk is de herinnering huiveringwekkend. Het team stond op winst in de halve finale van het belangrijkste Europese toernooi om in de zesde minuut van de blessuretijd alsnog te verliezen. Dat ene moment trok voor weken een grauwsluier over de dagen. Voor sommigen waren het maanden.

Het gaat hier, natuurlijk, om collectief verdriet. De teleurstelling wordt samen beleefd. Doorleefd, zo u wil. Een voetballiefhebber zal erkennen, al heeft hij duizenden uren in zijn eentje doorgebracht voor wedstrijden op de tv – en ik ben niet anders – dat voetbal het beste is te genieten in een groep, in een stadion, op een plein voor een scherm, in het café. Je hoort ook zelden over fanatieke fans die in de beslotenheid van hun huiskamer de lampenkap of het servies hebben gesloopt uit teleurstelling en woede over het falen van hun club of de scheidsrechter. De alleenstaande vandaal, een dertig jaar oud typetje van Kees van Kooten, is grappig, zelfs hilarisch, omdat hij niet bestaat. Het idee is absurd: in je eentje door de trein rennen, aan bankjes rukken en reizigers de naam van een club in het gezicht schreeuwen.

Kunstliefhebbers

Het delen van de spanning, de ergernis, onzekerheid en de overwinning: dat is wat liefde voor voetbal onderscheidt van die voor kunst. Ik noem hier kunst, omdat ik dit vooral cultuurliefhebbers regelmatig probeer uit te leggen – en ik beschouw mezelf als een van hen. Zij vragen, zonder veel belang te stellen in het antwoord, waarom het publiek in een concertzaal of museum zich wel kan gedragen en voetbalsupporters niet. Die vraag is retorisch bedoeld. Barbaren zijn het, daar in het voetbalstadion.

Dat is een prettige gedachte, waarschijnlijk; het schept afstand tot de barbaar in jezelf. Maar de vergelijking gaat mank, door de afwezigheid van het extatisch groepsgeluk in de beleving van kunst en de even collectief ervaren woede en frustratie. Die maakt dat geweld in en rond het voetbalstadion nooit ver weg is. Natuurlijk speelt het individu hierbij een rol: die beslist te zwichten voor de groep, die weegt (of overweegt) deugden als zelfbeheersing, matigheid of gewoon verstandigheid. En natuurlijk spelen bij rellen ook de omstandigheden een rol, uitgebreid bestudeerd door vandalenexperts. De politie kent die omstandigheden en stemt de werkwijze erop af.

De overgrote meerderheid van de commentatoren en voetbalofficials leven daarentegen in ontkenning. Die beweren na iedere opgelegde boete of incident telkens weer dat het om ‘een klein groepje’ gaat ‘dat het verpest voor de rest’. Die zinsnede is allengs uitgegroeid tot een folkloristisch mantra. Terwijl het onmiskenbaar onjuist is.

Door de lockdown zouden vooral jonge fans niet meer weten hoe ze zich dienen te gedragen

Dat bleek weer eens op de laatste dag van het afgelopen seizoen, 29 mei, toen het faliekant misging in Den Haag bij de wedstrijd ADO-Excelsior. Na massale rellen sprak de officier van justitie over „een veldslag”. Toeschouwers bestormden het veld en gooiden vuurwerk naar de fans van de tegenstander. Later gingen ze politieagenten te lijf met loden pijpen en andere voorwerpen. Acht agenten raakten gewond. En dat allemaal door ‘een klein groepje’ van ‘zogenaamde supporters’?

Met dat ‘zogenaamde’ (het hoort bij het mantra) suggereren sportcommentatoren, clubofficials en zelfs hoofdcoaches dat relschoppers het woord supporter niet verdienen; ze zouden niet van de club houden maar slechts een podium zoeken om te vechten.

In dit geval was dat lastig vol te houden, omdat de aanleiding bijzonder concreet was en alles te maken had met de club en het voetbal. ADO Den Haag kon die dag promoveren van de Keuken Kampioen Divisie (het tweede plan) naar de Eredivisie (het hoogste podium). Het verschil is enorm: in de Keuken Kampioen Divisie speel je tegen Eindhoven, Top Oss en Telstar, in de Eredivisie tegen internationale grootheden als PSV, Feyenoord en Ajax. Een kwartier voor het einde van de wedstrijd stond ADO met 3-0 voor en, in voetbaltaal, met één been in de Eredivisie. Toch ging het alsnog fout. Excelsior uit Rotterdam won na strafschoppen. Getergde ADO-supporters bestormden het veld en de veldslag kon beginnen.

Tegen de gevestigde orde

Dit weekeinde begint de Eredivisie. Vraag is of de trend van toenemend supportersgeweld zich voortzet, zoals ook de voetbalbond KNVB die in de laatste maanden van het afgelopen seizoen zag. Waarschijnlijk niet, want de Covid-lockdown ligt met de dag verder achter ons en allerhande deskundigen hebben die aangewezen als voornaamste reden voor de groei.

Het eenvoudige verhaal daarbij is, zoals ook gegeven door NOS-commentatoren in hun voetbalpodcast: door die lockdown weten vooral jonge fans niet meer hoe ze zich dienen te gedragen.

Die analyse lijkt me iets te makkelijk. Fanatieke voetbalfans hebben zich altijd en overal tegen de gevestigde orde gekeerd en, in het verlengde daarvan: tegen ordehandhavers. Ze vieren wat de maatschappij verwerpt, ze verafschuwen wat in de samenleving en vogue raakt. Serieus sociologisch onderzoek (en er wordt nogal wat onderzoek naar voetbalvandalen verricht) en boeken als The Football Factory (een roman) en Among the Thugs (non-fictie) laten vooral dat goed zien. Tijdens de pandemie mocht minder dan ooit. Het is dus niet vreemd dat de supportersschare, eenmaal uit de lockdown, zich nog minder liet zeggen.

Dat anti-autoritaire en ongeregelde van fanatieke voetbalsupporters intrigeert wetenschappers al jaren, omdat die houding regelmatig (niet altijd) gepaard gaat aan meningen die door sociologen als Theodor Adorno juist als autoritair zijn bestempeld: voor de eigen natie en een sterke leider, tegen vrouwenrechten, vluchtelingen en het homohuwelijk. De typische hooligan, om het simpel te zeggen, blijkt orde en gezag te waarderen, terwijl hij de eerste is om het recht op te eisen een bushokje te slopen, of een politieagent.

Lees ook: Big Brother KNVB houdt voetbalfans in de gaten

Symbolisch voor dat laatste is de alomtegenwoordigheid van ‘1312’, een cijferreeks die overal ter wereld is te vinden op de muren van voetbalstadions. Het is de numerieke weergave van ACAB, ofwel: All Cops Are Bastards. Talloze hartstochtelijke fans leven ernaar. Dat bleek weer eens twee jaar geleden in Wit-Rusland. Het ‘kleine clubje dat het verpest voor de rest’ koestert daar een nagenoeg even reactionair wereldbeeld als de dictator, Aleksandr Loekasjenko. Maar toen massale protesten tegen hem begonnen, verklaarden de hooligans van het land zich snel solidair en gingen ze zelfs voorop in gevechten tegen de politie. Honderden fans zitten momenteel jarenlange gevangenisstraffen uit.

De Poolse socioloog Radoslaw Kossakowski liet onlangs nog eens zien, na omvangrijk onderzoek onder hooligans in Polen, dat de antiautoritaire inslag sterker is – en zwaarder weegt – dan de meningen over mens en samenleving. Ongegrond is daarom de angst, die leeft onder Poolse liberalen, dat fanatieke voetbalsupporters een fascistoïde brigade zullen vormen, zegt Kossakowski: „Mede door hun felle anti-etatisme, deels een erfenis uit de tijd van het communisme, hebben Poolse fans inderdaad rechtsere opvattingen dan die in West-Europa. Maar dat blijft steevast zonder organisatorische gevolgen.” Fanatieke voetbalfans, meent hij, zijn in eerste instantie anti-systeem. Ze zijn tegen. Daar bouw je geen organisatie op.

Onweerstaanbare aantrekkingskracht

Het zou overigens oneerlijk zijn om iedere hartstochtelijke voetbalfan bekrompen rechtse meningen toe te dichten. Sterker, er is iets voor te zeggen om voetballiefhebbers juist ruimdenkend te noemen, flexibel in hun standpunten – wat past bij de onvoorspelbaarheid en het veranderlijke van de sport. Want de onweerstaanbare aantrekkingskracht van voetbal zit hem niet in de schoonheid van het spel maar in iets dat de Noorse wetenschapper Sigmund Loland de „sweet tension of uncertainty of outcome” heeft genoemd: de onzekerheid van de uitslag. Je verbijt je. Op de tribune kan iedereen om je heen ook verdraaid helder verwoorden wat er schort aan het team, de coach of de scheidsrechter. En dan opeens, vijf minuten en twee doelpunten later, ben je samen compleet van mening veranderd. Kom daar maar eens om in de politiek of, zo je wilt, in een filosofisch dispuut: mensen die dolblij of diep teleurgesteld constateren dat ze even daarvoor helemaal fout zaten. Die vreselijke scheidsrechter die een strafschop cadeau gaf is plotseling een vakbekwame arbiter. En die labbezakkerige rechtsback plotseling een godsgeschenk.

Het leven van de voetbalfan bestaat uit een rare mix van schijnbaar objectieve analyses en totale partijdigheid. Toegegeven, die meningsvorming krijgt extra dynamiek in de groep. De fan staat niet alleen.

Lees ook dit Twistgesprek: Geen uitsupporters meer bij wedstrijden, dat vermindert het geweld

Naar aanleiding van de rellen in en buiten het stadion van ADO besloot cameraman Jan Rein Hettinga voorlopig geen voetbalstadion meer te betreden. Hij houdt het voortaan bij de registratie van symfonieorkesten. In een blog, ‘Als voetbal oorlog is, deserteer ik...’, beschreef hij hoe jonge ventjes hem minutenlang bespuugden; hoe het is om vuurwerk, bier en munten op je hoofd te krijgen. Hettinga bracht eveneens de vuurwerkbom in herinnering die fans nog maar een paar maanden geleden op het veld gooiden in het stadion van Vitesse en die een cameraman een gehoorbeschadiging heeft bezorgd. Hettinga is boos. Begrijpelijk.

Zijn ervaringen laten ook zien, net als de rellen na ADO-Excelsior: het gaat om grote groepen fans, niet om een paar rotte appels.

De groep kent een eigen rationaliteit en modus operandi. De anonimiteit van de groep biedt eveneens een dekmantel aan hen die zich niet kunnen beheersen. Niet voor niets proberen autoriteiten de groep juist op te breken en relschoppers met hulp van camera’s individueel verantwoordelijk te stellen. Het leidt tot straffen en stadionverboden.

En tot interessante excuses in de rechtbank. Mensen van wie weinigen zullen vermoeden dat ze zich bijzonder gewelddadig kunnen gedragen, stamelen voor de rechter dat ze zichzelf niet herkennen. Neem de Haagse Ferdinand van H. (24) die begin juni in de rechtbank verscheen vanwege zijn bijdrage aan de rellen na ADO–Excelsior. Nadat zijn daden waren vertoond op een scherm in de rechtbank, zei hij: „Slaat nergens op om te doen”. En een van zijn verklaringen voor eigen gedrag: „Een beetje meedoen met anderen.” Hij zei niets over wat hij voelde toen een speler van ADO de beslissende strafschop zachtjes in handen van de Excelsior-keeper schoot.

In een terugblik noemde tv-presentator Jan Joost van Gangelen, van sportzender ESPN, de wedstrijd tussen ADO en Excelsior als zijn ‘moment van het seizoen’. Ja, haastte hij zich te zeggen, de rellen waren wanstaltig, „maar als je dat weghaalt, blijft er pure emotie over”.

Daar moest ik even rustig over nadenken. Zei Van Gangelen nu dat de rellende, woedende fans geen emoties toonden? Of was hun emotie niet puur en die van de voetballers wel? Of alleen die van hem? Al deze opties zijn natuurlijk larie. Wie een gesprek wil voeren over geweld en vernielingen rond voetbalwedstrijden doet er goed aan het beest ten minste eerlijk in de bek te kijken. De conclusie zou dan wel eens kunnen luiden dat ‘zogenaamde supporters’ niet zo ver afstaan van de bedaarde, keurige voetballiefhebber. Mensen als Van Gangelen. En mensen als ikzelf. Fans die beweren alleen voor de ‘pure emotie’ naar het voetbalstadion te gaan.