Recensie

Recensie Boeken

Vermommen en verbergen, daar gaat het om in deze fascinerende roman

Aysegül Savas In de tweede roman van de Turks-Deense schrijfster huurt een studente een kamer bij een schilderes. Al snel ontstaat een vreemde, troebele sfeer in het huis.

Foto Getty Images

In Art, het wereldberoemde toneelstuk van Yasmina Reza, is de aankoop van een volledig wit schilderij aanleiding voor een ruzie. Ruzie tussen drie vrienden die elkaar al een leven lang kennen. Twee ton uitgeven voor een wit schilderij – wat de een het waard vindt, vindt de ander belachelijk. Hoe goed kennen ze elkaar eigenlijk, de vrienden?

Ook de tweede, bijzonder knappe roman van de Turks-Deense schrijfster Aysegül Savas, die debuteerde met Lopen op het plafond (2020), draait om een wit schilderij, dat leidt tot afkeer en verbijstering. De vertelster huurt een kamer van een hoogleraar in een niet nader genoemde universiteitsstad. Hij is specialist Middeleeuwse studies, zij doet onderzoek naar de iconografie van het naakte lichaam in de Middeleeuwen. Ze analyseert twaalfde-eeuwse gotische naaktsculpturen in de kerken en kathedralen die ze bezoekt. Het contact over praktische zaken van de verhuur verloopt via de echtgenote van de professor, Agnes, een schilderes. ‘In het jaar dat ik er woonde’, schrijft de vertelster, ‘had ik het gevoel een ander leven te zijn binnengestapt.’

Dat is niet alleen omdat het huis waar ze gaat wonen duidelijk sporen draagt van eerdere bewoners. Er hangt een spiegel, ze treft een ‘groene keramische kom’ aan, aan de wanden hangen schilderijen, waaronder een miniatuur in een zwarte lijst, van een kromme boom en een sluierwolk tegen een grijsgroene lucht. Nee – het gevoel dat ze een ander leven binnenstapt heeft ze vooral omdat de schilderes, Agnes, ineens in de studio boven haar gaat wonen en haar haar verleden, haar leven in trekt.

In eerste instantie is de studente geïntrigeerd door de knappe, slanke verschijning van de vrouw die zo schijnbaar openlijk haar levensverhaal met haar deelt. Al snel schuift er iets ondefinieerbaars, iets dreigends, tussen hen beiden. Juist dat bijna ongrijpbare, troebele element is wat je in deze fascinerende roman tot op de laatste pagina gevangen houdt.

Raadselachtig element

Kleine zinnetjes, navertelde dromen en korte observaties brengen dat raadselachtige element vanaf het begin in de roman. Kinderen op een doek lijken ‘iets te wiegen dat aan het zicht onttrokken’ is. Een sterke hand ‘lijkt een duw te gaan geven’. De studente bekijkt Agnes’ schilderijen: maskers, koppen van dieren en duivels, menselijke, emotieloze gezichten. Ze lijkt niets anders te doen dan ‘verdraaien en compliceren, om resoluut te verhullen wie ze geweest was’. Vermommen, verbergen, proberen niets door te laten schemeren – daar gaat het om in deze roman. Wat laat je de ander zien en wat scherm je tot elke prijs af?

Helemaal toevallig is het natuurlijk niet dat Savas’ studente onderzoek doet naar de betekenis van beelden die gekleed of ongekleed zijn, ‘een dun vliesje dat het zicht op een onderwerp verduistert’. Ze bestudeert de huid, ‘een deken die het geheime, innerlijke leven bedekt’. Tegelijkertijd realiseert ze zich dat ze in haar werk wellicht op zoek is naar haar eigen angsten, ‘zoals de monsters in de gotische verbeelding’.

Tijdens het lezen van Wit op wit vielen me parallellen op met een vrij onbekend, kort verhaal van Hella S. Haasse. Het titelverhaal uit haar postuum gepubliceerde verhalenbundel Maanlicht is een griezelverhaal, een gothic story, een genre waarin Haasse kon excelleren. In ‘Maanlicht’ logeert een naamloze mannelijke verteller in een Amsterdams grachtenpand, dat een kunsthistoricus hem ter beschikking heeft gesteld. Ook daar intrigerende schilderijen met een dreigende sfeer, het gevoel bespied te worden, angstaanjagende dromen. En stilte. Agnes, in de roman van Savas, streeft naar het bereiken van ultieme stilte, ‘een zuivere mentale staat’. Bij Haasses verteller wordt ieder verlangen gedoofd, ‘er schuilt iets verderfelijks in dit narcoticum van de stilte’. Bij Savas droomt de vertelster dat haar naam wordt geroepen, zonder dat ze kan zien van wie de roepende stem is. De verteller van Haasse belandt ’s nachts in een ‘maskeradepak’ dat hem niet toebehoort.

De werkelijkheid waarin de studente in Wit op wit leeft, wordt steeds verwarrender. Werkelijke gevoelens zitten achter maskers verscholen, de waarheid blijft ongezegd, weerkaatst in dreigende spiegelbeelden. Langzaam begint het haar te dagen dat de mensen om haar heen een toneelstukje opvoeren, het is een en al schone schijn. Naar wat er achter hun vermomming gebeurt blijft het gissen. De wereld waarin de studente dat ene jaar doorbrengt is zo anders dan ze op het eerste gezicht denkt. En het doek dat de schilderes onder handen heeft lijkt spierwit, maar wie goed kijkt ziet de naden, de scheuren, de ruzie en de pijn.

Lees ook de bespreking van de debuutroman van Savas, Lopen op het plafond: Een eenkamerappartement vlakbij het Gare du Nord